De Amerikaanse vogelkers wordt in landgoed Groenendaal goed beschermd

 

DSC_1064
Verbazingwekkend is het beheer bij wandelbos Groenendaal. Van links naar rechts: de stobbe van een omgezaagde, inmiddels weer groen uitlopende inheemse Vogelkers; de verticale stam is van een NIET gevelde Amerikaanse vogelkers; vlak ernaast de stobbe van een gevelde Zomereik.


De Amerikaanse prunus wordt in landgoed Groenendaal goed beschermd. Voor de rest verloopt de bestrijding naar wens.

Hoe staat het met de verspreiding van de Amerikaanse vogelkers in de kustduinen, de prunussoort die valt onder de zogeheten ‘invasieve exoten’ en een bedreiging is voor de inheemse natuur?

Het goede nieuws is dat de subsidies aan de duingebieden, om die te verlossen van de Amerikaanse vogelkers, rijkelijk vruchten beginnen af te werpen.

De Amsterdamse Waterleidingduinen zijn vrijwel van de uitheemse prunus verlost. Daar woedde de plaag op zijn aller heftigst. In het Nationaal Park Zuid Kennemerland zijn alle haarden bestreden, wat er nog is draagt geen bloei meer, en kan dus ook geen zaden meer verpreiden.

De provincie Noord-Holland spant zich bovendien in om een prunusvrije zone te creëren, ook buiten de Natura 2000-natuurgebieden. De Natuurbeschermingswet kent immers een externe werking, dat wil zeggen, zaken die buiten gebeuren mogen geen schadelijke invloeden hebben op de beschermde natuur binnen. Ook de prunus in het gemeenteplantsoen verspreidt zijn kersen naar de natuurgebieden. Dus worden de buren van de beschermde Natura 2000-gebieden benaderd om mee helpen te voorkomen dat de prunus opnieuw toeslaat, om toekomstige plagen voor te zijn.

am vogelkers f
De Amerikaanse vogelkers en zijn trossen kersen. De pitten worden verspreidt door onze niettemin gevleugelde vrienden.

De ‘prunus’ kom je tegen in landgoederen en soms in tuinen. In een twintig kilometer lange zone komt de prunus voor ten oosten van NP Zuid Kennemerland en de Amsterdamse Waterleidingduinen.  De zone is opzienbarend smal, maar geen wonder, even landinwaarts liggen al de bebouwde kommen van Driehuis, Santpoort, Haarlem, Heemstede, Bennebroek en Hillegom. In het zuiden vormen de bollenvelden een brede barrière voor de verspreidingsmogelijkheden. Dan komt Hoofddorp en vlak het kale veenweidegebied tussen Haarlem en Amsterdam niet uit. Schiphol mag een ideaal paradijs wezen voor ganzenplagen, de bospest heeft er op de uitgestrekte vlakte van de luchthaven niets te zoeken. En als we even de blik afwenden naar het westen: evenzeer onleefbaar voor de prunus is de Noordzee.

Het gevaar komt straks alleen uit Het Gooi?

De zaaddruk van de Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina) wordt dus alleen uitgeoefend vanuit de ver verwijderde Vechtstreek, en Het Gooi waar hij veel aanwezig is. Maar dié zaaddruk, van zo ver weg, is gering te noemen.

Wanneer de populatie van een woekerexoot vrijwel geïsoleerd is, ligt het voor de hand de verdelging overal na te streven. Niet alleen in het beschermde duinlandschap, maar ook in de omgeving waar de soort voorkomt.

Lukt dat, dan hoef je dat ene bospestje, opgekomen uit een kersenpitje door een stoutmoedig vogeltje vanuit Het Gooi aangevlogen, enkel even uit de grond te wippen. Kosten hiérvan nihil, het geld kan het natuurbeheer voortaan aan betere dingen besteden.

Een vergeten uithoek van landgoederen

Zelf bestrijd ik de laatste zestien jaar vrij intensief de prunus. Anders zit ik zonder hobby (maar die is ook een afgeleide van een roeping tot natuur beschermen). Pas dit voorjaar verdiepte ik me –ik was er nog nooit geweest-in de situatie van de stuk of twaalf landgoederen gelegen nabij Heemstede en Bennebroek, de verspreiding van de Amerikaanse vogelkers aldaar. Ik kwam toen tot de geweldige ontdekking dat de bestaande prunusvrije zone niet pas begint bij de Ringvaart van de kleiige Haarlemmermeerpolder, maar dat vrijwel al het gebied van die landgoederen gerekend mag worden tot de prunusvrije zone!

Althans, bijna. In het Bennebroekerbos, Overplaats, De Hartekamp, Dennenheuvel, Ipenrode, noem maar op, komt de uitheemse prunus slechts sporadisch voor. Daarentegen de Prunus padus, de inheemse Vogelkers, véél! De weinig exemplaren van Prunus serotina zijn daar zo weg te krijgen.

Mariënheuvel, daar zit ie wel in het bos, in het zuidelijk deel zelfs veel. Ik geloof dat het een gemeentelijk beheerd bos is, maar die is in elk geval bezig met bestrijding. Ik zou hier wat graag mee willen helpen want ik bespeur onvolkomenheden in de bestrijding. Dan hebben ze een uit de kluiten gewassen struiklaag omgezaagd maar in het midden laten ze een flinke zaaddrager staan! Dat is water naar de zee dragen.

In Heemstede is de Groenendaalnota voor de prullenbak bedoeld?
Ernstiger is het ondermaatse beheer van het 75 hectare grote, prachtige landgoed Groenendaal, een achttiende-eeuwse parkbos.

Over het vrij recente Beheerplan Wandelbos Groenendaal 2015-2032 heb ik niets te klagen. Staan verstandige dingen in. Behalve op bladzijde 30, daar staat: ‘De gewone esdoorn is een uitheemse soort, met een sterke concurrentiekracht.’ Dat laatste klopt, het eerste is onzin. Alle wetenschappelijke literatuur stelt dat de Gewone esdoorn in ons land van nature voorkomt. Als ik alle verwijzingen over de inheemsheid van de Gewone esdoorn op mijn kaartje ‘Esdoorn’ op deze plaats zou vermelden, de opsteller van het Beheerplan Wandelbos zou pardoes van zijn schrijfkruk vallen.

Een standaardwerk als de Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland, deel 4, stelt:
‘’De meest geduchte concurrenten van de Nederlandse bosflora zijn echter twee laatkomers onder de inheemse bomen: Beuk en Gewone esdoorn, die geen van beide als exoot zijn aan te merken.’’

De Nederlandsche Oecologische Flora, deel 3:
’’Het is aannemelijk dat Gewone esdoorn ons land ook zonder hulp van de mens wel via de rivierdalen zou hebben bereikt.’’

En het Alterra-rapport nr. 201:
‘’Ouder esdoornbos scoort redelijk goed op diversiteit.’’

Ik denk dat de beheerders van Groenendaal een extra argument zochten om de bestrijding van de Gewone esdoorn te rechtvaardigen. Want bijna nergens tref je de burger in zijn sentiment ten aanzien van de natuur harder als met het omkappen van een boom. Dus moet je met een goed praatje voor de dag komen. Maar dit is een buitengewoon loos praatje.

Weer wel uitstekend is dat het beheerplan op de ‘hoge ecologische waarde van dood hout’ wijst. Het plan merkt op:

‘’Dood hout kan dienen als voedselplaats, schuilplaats, of nestgelegenheid. Zulke plaatsen zijn dus waardevol voor verschillende dieren zoals insecten, kleine zoogdieren en vogels. In een laan blijft de ‘levende’ stam staan. Liggende dode bomen blijven liggen op de plek waar ze vallen, tenzij deze een zichtlijn belemmerd of over een pad ligt. Een hele boom is ecologisch waardevoller dan een boom die in stukken gezaagd is.’’ (Blz. 39/55)

DSC_1049
Laat liggend dood hout intact, laat de motorzaag niet onnodig overuren draaien, laat de beheersnota ook intact.

Omdat het beheerplan zo gedetailleerd is uitgewerkt, valt de slordigheid in de uitvoering des te meer op. Overal zie je omgezaagde bomen liggen, voornamelijk gedaan om het bos te dunnen. Maar ook overal zie je dat, tegen het voorschrift in,  de omgezaagde stammen aan mootjes zijn gezaagd! Ik nam hiervan enige foto’s.

Overigens ben ik van mening dat als je bomen weg wilt hebben, je beter kan ringen. Zeker dit bos kan dat gebruiken. Want het staand dood hout (denk aan spechten) is er zeer schaars aanwezig, ook niet in de delen van het wandelbos die veilig van het wandelpad vandaan liggen. Die dode maar levende staande stammen ‘langs een laan’, waarvan het citaat hoog opgeeft, kwam ik zelden tegen. Vooral de Gewone esdoorns, die wel bestreden moeten worden wil je tenminste oude eikebomen behoeden voor de ondergang, zouden geringd kunnen worden. Nergens zie je het gebeuren. Over dit simpele hulpmiddeltje dat de natuurbosbeheerder ter beschikking staat, het ringen van levende bomen, wordt in het beheerplan niet gerept.

Men wil volgens plan open plekken in het bos maken door bomen om te zagen en die weg te slepen; de takken worden op rillen gezet. Dat kan veel eenvoudiger: ring de bomen. Bij deze dan dus toch een tweede minpuntje gevonden.

De Amerikaanse vogelkers, een flop in het beheer
Dan over het vreemde beheer ten aanzien van de Am. Vogelkers. Volgens het beheerplan worden eens in de zes jaar Gewone esdoorns bestreden. Dan staat er op bladzijde 46:
‘’Gelijktijdig wordt ook de Amerikaanse vogelkers bestreden, aangezien deze exoot (ook wel bospest genoemd) een zeer sterke concurrentiekracht heeft en de inheemse beplanting verdringt en als er niet tegen wordt opgetreden.’’

Heel goed, het is in lijn met de provinciale wens om de bospest uit de regio te verdrijven.

Echter twee kanttekeningen. Bestrijd allereerst de prunus en pas daarna, na een jaar of vijf, de Gewone esdoorns. Deze zorgen juist voor de nodige schaduw en voorkomen daarmee dat de zaden van de prunus gaan ontkiemen. Ook kleine reeds aanwezige struiken groeien trager en ze gaan eerder dood nadat je een paar keer met zaag of scherpe schoffel de bladeren van de plant heb afgeritst. In het volle licht is de groeikracht van de prunus veel groter. Dan is het beulswerk om de planten door steeds herhaaldelijk afzetten te laten afsterven.

DSC_1045
Te vroeg is hier een open plek gemaakt, en op de verkeerde manier. Want de Amerikaanse vogelkers, alias bospest, werd niet eerst bestreden. Op de achtergrond staan 16 prunussen!

Onbegrijpelijk dat de beheerders, die voor de klus staan om bospest te bestrijden, zo nonchalant omgaan met die elementaire richtlijn.

Ten tweede is het ronduit bizar dat je in de reeds gedunde bosvakken overal nog Amerikaanse vogelkersen aantreft! In een geval werd vlak naast de gespaarde Amerikaanse prunus een inheemse Vogelkers omgezaagd en even vlak ernaast een Zomereik.

Ook de foto met het Vingerhoedskruid is exemplarisch. Het is een tweejarige plant die op kapvlakten opslaat. De bosstrook op de voorgrond is geveld, en wat telde ik vlak daarachter? Niet minder dan 16 volwassen bospesten. Die Vingerhoedskruiden krijgen dus nog wel gezelschap van Amerikaanse prunuszaailingen. Het is alsof de boswerkers op eigen houtje een bospestkwekerijtje zijn begonnen. Er wordt dus geen gebruik gemaakt van de schaduw die de Esdoorns werpen, en bovendien kapt men te vroeg ook andere bomen om alvorens te beginnen met prunusbestrijding!

Op veel plaatsen in Groenendaal is de bodem te vruchtbaar voor een goede ontwikkeling van de Amerikaanse vogelkers. In de rest van het bos staan een paar honderd bomen en struiken, niet veel en die zou je in een paar dagen kunnen omzagen: dan ben je vanaf dit jaar van elke zaadverspreiding af. Waarom wil de gemeente Heemstede niet in één keer van een exotenprobleem af , als het kan? Het handboek Bosbeheer en biodiversiteit merkt op:

“Een grote frustratie van beheerders die prunus actief bestrijden, zijn aangrenzende eigenaren die niets doen. Hierdoor blijven zaadbronnen aanwezig en heeft men het idee met de kraan open te dweilen. De voorkeur gaat dan ook uit naar bestrijding op grote schaal, waarbij meerdere terreineigenaren samenwerken. Op termijn is dit ook financieel gunstig.’’

De aanbeveling ‘op grote schaal’ wordt gelukkig opgevolgd door de provincie Noord-Holland: in de bovengenoemde kuststrook en een stuk van het binnenland. Globaal: Tussen Noordzee en Amsterdam kan al het land prunusvrij opgeleverd worden.

Misschien wil de provincie bij de gemeente Heemstede aandringen op serieuze prunusbestrijding?

 

 

 

 

 

 

 

Wie hebben het afschot van 5000 Damherten op hun geweten? De dierenbeschermers.

Protest op de Dam tegen het afschot van Damherten. Wil de PvdD er 5000 kruizen neerzetten, en een spandoek met vetgekakt een schuldbekentenis.
De Partij voor de Dieren protesteerde op de Dam tegen het afschot van Damherten. Wil de PvdD er 5000 kruizen neerzetten? En een spandoek met vetgekalkt een schuldbekentenis?

 

Wat bezielt de Partij voor de Dieren om politieke propagandapraatjes te verkopen ten gunste van hordes Damherten die moeten doorgroeien tot in de hemel?
De hertenplaag van bijna Bijbelse proporties heeft het rijkgeschakeerde duinlandschap al tot  op de bodem kaalgevreten.
Dat fraaie resultaat noemen de dierenbeschermers heel geleerd ‘zelfregulatie’.

Wat de sektarische dierenpartij ook niet deert: de onbelemmerde populatiegroei zal eens leiden tot ernstige voedseltekorten, ten koste van het dierenwelzijn. Eenmaal voedselgebrek, let op, dan achten de dierenbeschermers het weer op z’n plaats dat de verzwakte dieren een genadeschot krijgen toegediend,  om ze uit hun lijden te verlossen. Eerst verzwakken en vervolgens doodschieten.

Zieke dieren plegen zich echter terug te trekken in schuilhoekjes. Dat is het duinstruweel, waar je ze niet gauw terugvindt. De jager-boswachter die belast is met het afschot staat voor een schier hopeloze zaak. Die ene boswachter van dienst, die ene op duizenden hectare, hij zal  toevallig achter in het duin er zijn om het ondraaglijke lijden bijtijds een halt toe te roepen? Het beleid van ‘reactief afschieten’ zal jammerlijk falen.

Door het verzet van de dierenbeschermers tegen elke vorm van jacht, ook beheersjacht, tellen de Amsterdamse Waterleidingduinen (AWD) nu zo’n 3800 Damherten. Deze exoten hebben alle inheemse Reeën verdrongen.
In het Nationaal Park Zuid-Kennemerland (NPZK) telde men voorjaar 2015: 734 Damherten. Daar slaagden de dierenbeschermers door procederen er steeds in de jachtvergunningen op te schorten. De beheerder hield vroeger de stand vrij netjes op 200 dieren.

Om toch te voldoen aan de ‘gunstige staat van instandhouding’, een eis van de natuurbeschermingswet, heeft de provincie na lang treuzelen erin toegestemd om in dit Natura 2000-gebied, Kennemerland-Zuid, waartoe NPZK en AWD behoren, de herten door middel van bejaging te reguleren.

De natuurbeheerders kregen wel van de provinciale handhaver ruim de tijd om de herten tot een voor de natuur hanteerbare balans terug te brengen. Het afschotplan is uitgespreid over liefst vijf jaar; de Damherten zullen hierdoor maar langzaam in tal en last afnemen, te langzaam, want hoog blijft voorlopig de jaarlijkse aanwas, en ook dat surplus moet worden afgeschoten.

Door niet in één keer de aantallen terug te willen brengen naar de gewenste doelstanden zullen er uiteindelijk véél meer dieren moeten worden afgeschoten . Weliswaar levert dat extra biologisch keurvlees op. Maar de keuze voor een trage uitvoering van een hoe dan ook noodzakelijk afschotplan is bepaald geen overwinning te noemen voor de dierenbeschermers. Die willen uiteraard dat er zo min mogelijk herten worden gedood, liefst helemaal geen.

Omdat de dierenbescherming drommels goed weet dat aan afschot niet valt te ontkomen -omwille van de dwang die uitgaat van de natuurbeschermingswet, waarvan ze terdege op de hoogte zijn-, hebben zij nu heel wat te verantwoorden.

Hoe verantwoorden dierenbeschermers hun ‘massamoord’?

Waren zij immers jaren geleden, toen de stand zich nog op een laag peil bevond, akkoord gegaan met een afschot dat overeenkwam met de jaarlijkse aanwas, dan hoefde er thans niet zoveel afgeschoten te worden. Hoeveel?

Laten we dat eens uitrekenen. We gaan een som maken die voor de heer Bram van Liere, provinciaal statenlid van Noord-Holland en de heer Johnas van Lammeren, raadslid te Amsterdam, beide van de Partij voor de Dieren en strijders voor de dierenrechten, te behappen is en stof tot nadenken moge geven.

In de AWD bedroeg de stand bij de telling in voorjaar 2015: 3000 Damherten . Elk jaar worden er dieren geboren en sterven er dieren; dat resulteert in een jaarlijks netto aanwas van 27 procent. Thans, februari 2016, zullen in de AWD ongeveer 3800 Damherten rondlopen. Nu voorziet het Faunabeheerplan hier in een totaal afschot van circa 3870 exemplaren, teneinde na vijf jaar de doelstand te bereiken van 700 Damherten (Faunabeheerplan, Damherten in het Noord- en Zuid-Hollandse duingebied, 2016-2020, blz. 91).
In het NPZK worden in deze vijf jaar 1950 dieren geschoten om op een doelstand van 200 te komen.
Totaal worden in AWD en NPZK geschoten 3870+1950=5820 Damherten.

Omdat de dierenbeschermers aankondigden te gaan procederen, kon de eerste afschotronde, deze winter, al meteen afgeblazen worden. Dat betekent dat de reeds omvangrijke kuddes bambies zich nog een jaar langer kunnen uitbreiden aleer het eerste schot in een stille duinvallei weerklinkt. Het betekent dat er nog veel méér moet worden afgeschoten dan het voorliggende plan wil.

Laat de dierenbescherming daarom niet klagen dat er sprake is van ‘massamoord’. De massadoding hebben ze door hun irrationele, louter ideologisch bewogen en starre opstelling aan zichzelf te danken. Huichelarij kent zijn grenzen. Ook politici moeten het niet al te bont maken, al zijn we veel van ze gewend.

Als de dierenliefhebber de natuurbeheerder gewoon zijn vakwerk liet doen, was er nu geen sprake geweest van uit de hand gelopen populaties Damherten die de natuur kaalvreten en vertrappen. Als de natuurbeheerders het voor het zeggen hadden gehad, dan bedroeg het afschot sinds jaar en dag enkel de netto jaarlijkse aanwas. Die trouwens amper genoeg vlees oplevert om een arme stadswijk van voldoende voedselbankvoedsel te voorzien (en we brengen de lezer in herinnering: al heel lang bestaat er vraag naar overheerlijk damhertenbiefstukkenvlees; ook de hogere standen worden geconfronteerd  met schrijnend maatschappelijke tekorten).

Bij de doelstanden van het door de provincie onlangs goedgekeurde Faunabeheerplan 2016-2020 bedraagt het jaarlijks afschot in de toekomst voor de NPZK 45 dieren, bij de AWD 156, zegge totaal 200 dieren. In vijf jaar regulier beheer is dat opgeteld 1000 dieren. Nogmaals, dat is het afschot bij een gunstige staat van instandhouding. Maar nu moeten wegens achterstallig onderhoud eerst nog bijna zes keer zoveel beesten worden doodgeschoten, -alleen maar om die doelstanden te halen.

Jawel, dankzij het verzet van de bambiidolaten worden er onnodig 5820-1000=bijna 5000 Damherten doodgeschoten! Dat lijkt, gezien hun eigen opvatting daarover, meer dierenbeularij dan dierenliefde. Want: doodschieten=dierenleed. (Echter, als de kogel welgemikt is dan wordt er toch niet geleden?)

Volgens onze stichting is de provinciale doelstand evenwel nóg te hoog. Zie onze zienswijze, enige berichten terug te lezen op dit blog.
Die luidt kort samengevat: pas bij een doelstand van 160 Damherten, voor AWD en NPZK sámen, zal het duinbos zich kunnen herstellen.

En volgens het Verdrag inzake Biologische Diversiteit (CBD) dient het Damhert als invasieve exoot ‘indien passend en mogelijk’ te worden uitgeroeid. kp

 

 

St. Herstel Inheems Duin is wél tegen dit Faunabeheerplan!

 

bond
Gedeputeerde Jaap Bond lag jarenlang onder zwaar vuur van de agressieve, mensvijandige en (in wezen bij nadere beschouwing ook diervijandige) dierenlobbyisten. Koelbloedig weerstond hij de onverholen vijandschap. Als een geheim agent 008 overleefde hij alle aanslagen.

 

Gisteren, woensdag 27 januari, was Het Parool zo vriendelijk onze ingezonden brief te plaatsen. Die schreven wij naar aanleiding van de reportage die  Patrick Meershoek maakte over de commissievergadering van Provinciale Staten waar, maandag jongstleden, het Faunabeheerplan op de agenda stond.

Het afschotplan van de Damherten in het Natura 2000 Kennemerland-Zuid werd door PS aangenomen, zij het met tegenstemmen van de linkse partijen (die allen geen gevoel hebben voor het ware natuurbehoud en bovendien geen snars blijken af te weten van het natuurbeheer).

We stuurden onderstaande brief in. Maar die was nogal lang en de redactie plaatste een bekorte versie.  Van professioneel redigeren knapt een brief altijd op, daarvoor dank aan de redactie.
Helaas lijkt het nu net, of onze stichting goedkeuring hechtte aan dit Faunabeheerplan. Uit de brief zoals die werd ingezonden blijkt dat we afstand nemen van dit ontoereikende wildbeheer:

[titel?] Jaap Bond’s sneer is onterecht.

De provincie geeft goedkeuring aan het Faunabeheerplan in de Amsterdamse waterleidingduinen. Dat werd tijd. Het verwijt echter van gedeputeerde Jaap Bond (CDA): ‘’Als Amsterdam eerder had ingestemd met maatregelen, was het afschot beperkt gebleven’’, treft tevens eigen doel: Bonds passieve opstelling. Iedereen die het natuurgebied kent weet dat het zeer slecht gesteld is met de stand van de bloemen, de vlinders, de bijen; alle struiken verdwenen uit het duinbos, alles door kaalvraat van hordes damherten. Specialisten stelden dat jaren geleden vast. De wet vereist een ‘gunstige staat van instandhouding’ en dit moest voor Bond aanleiding zijn om het onwillige Amsterdam een aanwijzing te geven. Hij deed niets. Anders had dit extra afschot voorkomen, want de populatie groeit door. Ik heb wel een vermoeden van zijn bestuurlijk onvermogen .

Een doelstand van 600 damherten (echter veel te hoog om het duinbos zich te laten herstellen) kent een jaarlijkse aanwas van circa 270 herten. Even groot is de oogst door jacht. Maar deze is groter dan bij een (verantwoorde) stand van 80 dieren. Het CDA wil een zo groot mogelijk oogst van het land, logisch, daarvoor is die partij. Maar dan: wat is natuurbehoud nog in dit land.

K. Piël,
St. Herstel Inheems Duin

 

Zienswijze op het beheersplan van Damherten in de AWD

 

ZIENSWIJZE op de aantalsreductie van Damherten in Natura 2000 Kennemerland-Zuid volgens de ontwerpbesluiten van GS provincie Noord-Holland,

door Stichting Herstel Inheems Duin,  4 jan 2016.

Het Ontwerpbesluit ”Natuurbeschermingswet 1998 gebruik ontheffingen Flora- en faunawet: populatiebeheer Damherten N2000-gebied Kennemerland-Zuid”,  november 2015, van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland behelst het verlenen van een vergunning aan Faunabeheereenheid Noord-Holland (FBE) voor het populatiebeheer van de Damherten. Als voorwaarden, voorschriften en beperkingen voor dat beheer verwijst GS naar de Passende beoordeling (Pb). Deze is door Bureau Waardenburg vervaardigd.

Concreet dient de Pb vast te stellen of de door de FBE voorgenomen aantalsreductie van de Damherten, zoals vermeld in haar rapport ‘Faunabeheerplan, damherten in het Noord- en Zuid-Hollandse duingebied, 2016-2020’, wel of geen significante negatieve effecten heeft op de natuurwaarden zoals die beschermd zijn volgens de instandhoudingsdoelen van Natura 2000.

De Pb stelt vast dat door het afschot geen significant negatieve effecten optreden. De Pb merkt daarentegen op:

‘’De handelingen leiden tot een reductie in aantallen dieren en daarmee in de begrazingsdruk door damherten. Dit zal een positief effect hebben op de instandhoudingsdoelen voor grazige vegetaties (grijze duinen), struwelen (kruipwilg) en bossen (binnenduinrandbossen, duinbos droog). Aan het uitblijven van bloei, verdwijnen van plantensoorten, oprollen van struweel en het verdwijnen van een tweede etage met bodemvegetatie in bossen en uitblijven van bosverjonging komt een einde. Ook de neergang in de organismen die van bepaalde voedselbronnen (nectar) of structuren (tweede etage) afhankelijk zijn komt een einde. Instandhoudingsdoelen zijn gediend met een reductie van aantallen damherten. Ook een flink aantal ‘oude doelen’ zijn gediend bij een beperking van de graasduk door damherten: vegetatie, vogels, zoogdieren en landschap.’’ (p. 6)

 Wij stemmen grotendeels in met het bovenstaande. Echter, de Pb gaat akkoord met de aantallen herten die de FBE wil gaan afschieten. Op dit punt wijkt ons standpunt ten stelligste af van het FBP, bijgevolg ook van de Pb alsmede het Ontwerpbesluit dat zijn goedkeuring hecht aan de Pb.

Die doelstanden zijn o.i. namelijk veel te hoog gesteld, de aantallen herten die er volgens de streefstand uiteindelijk rondlopen geven geen enkele garantie dat de natuur van de AWD zich zal herstellen op de wijze die in bovenstaand citaat wordt voorgehouden. Het betreft met name de door Natura 2000-regeling beschermde Duinbossen H2180 in de Amsterdamse Waterleidingduinen (AWD). De bossen herstellen zich niet bij een beoogde stand van 600 tot 800 Damherten. Bij een streefstand van nul Damherten is die garantie er wél; althans een langzaam zich herstellende kwetsbare plantengroei loopt geen gevaar door welke hertenvraat dan ook.

Daarom bestrijden wij dit Ontwerpbesluit, dat immers gestoeld is op een Pb die nalaat de evidente negatieve effecten van een te hoge doelstand van 600 tot 800 Damherten te onderkennen.

Dat besluit is niet in het belang van een gunstige staat van instandhouding, waarvoor de provincie als handhavende instantie een grote verantwoordelijkheid draagt. De provincie handhaaft niet adequaat; integendeel, zij ziet lijdelijk toe hoe door een te hoog aanvaarde doelstand van het Damhert in een reeds gedegradeerd Natura 2000-gebied niet aan de instandhoudingseisen kan worden voldaan.

De Pb stelt vast: ‘Het Faunabeheerplan 2016-2020 beoogt de populatie terug te brengen tot een acceptabel niveau, van 800-1000 dieren’.
Echter, op geen enkele wijze wordt dit niveau beargumenteerd op basis van de draagkracht van het duin.

Dit niveau betreft het hele Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid. Omdat de doelstand in het deelgebied Nationaal Park Zuid-Kennemerland 200 dieren bedraagt, zal de doelstand in de Amsterdamse Waterleidingduinen 600-800 dieren bedragen. Een doelstand van 600 Damherten betekent voor de AWD, groot 3400 hectare, een dichtheid aan Damherten van 18 stuks per honderd hectare, de doelstand van 800 betekent 23 herten per 100 ha.

Een lage dichtheid van hoefdieren kenmerkt de natuurlijke ecosystemen:
Zelfs een beoogd minimum van 18 herten in het FBP steekt ver uit boven het aantal dat een bos kan verdragen. Algemeen wordt het aantal Edelherten dat een bos kan hebben, zodanig dat er nog van boomverjonging sprake is, gesteld op circa 4 Edelherten. Deze lage dichtheid onderbouwen wij met de volgende wetenschap.

In het beleidsdocument ‘’Natuur in bossen, Ecosysteemvisie Bos’’, wordt een dichtheid van 2,5 Edelhert per 100 ha aangehouden waarbij ‘’natuurlijke verjonging van het bos mogelijk blijft.’’ (blz. 111)

“Dichtheden van 2 tot 4 grote hoefdieren per 100 ha zijn vanuit het oogpunt van ontwikkeling van spontane, oorspronkelijke bosgemeenschappen op de Veluwe redelijk.’’ (blz. 114)

‘’De referenties liggen in de dunbevolkte gebieden in Scandinavië, voormalig Joegoslavië en Rusland. Hier zijn natuurlijk dichtheden van (minder dan) 1 hoefdier per 100 ha (Mayer en Neumann 1981). […] ‘’De in Nederland gangbare dichtheden van 4 tot meer dan 10 hoefdieren per 100 ha bos (edelhert, wild zwijn en ree) zijn echter aan de hoge kant (Hazebroek en Groot Bruinderink 1994).’’ (blz. 108)

In het Nationale Park De Hoge Veluwe is de streefstand 200 edelherten. De leidende gedachte hierbij is een balans te vinden tussen de dier- en plantensoorten (De Nederlandse Jager 9/2013). 200 Edelherten betekent alhier een dichtheid van 4,4 Edelherten/km, wat al enigszins overeenkomt met een natuurlijke dichtheid en een bos als een zichzelf instandhoudend ecosysteem.

De door Stichting Probos gesteunde uitgave ‘Bosbeheer en biodiversiteit’ stelt vast: ‘’ De ontwikkeling van naald- naar een meer gevarieerd loofbos wordt vrijwel altijd sterk belemmerd en lijkt alleen mogelijk bij minder dan drie edelherten of pony’s óf minder dan vijf reeën per 100 hectare.’’ (blz. 165)

Gill en Morgan gaan in hun artikel ‘The effects of varying deer density on natural regeneration in woodlands in lowland Britain ’ (Forestry Vol 83 no 1, 2010) uit van 4 tot 8 herten per 100 ha teneinde voldoende boomzaailingen een overlevingskans te bieden. Het volgende geldt weliswaar voor dennenbos: ‘’In the Scottish Highlands, deer browsing has long been known tot hamper regeneration of native pinewoods (Watson, 1983). A number of investigations have led to recommendations that deer densities need to reduced to between 4 and 8 deer km2 to enable sufficient seedlings to survive (Holloway, 1967; Beaumont et al., 1995; Miller et al., 1998; Scott et al., 2000).’’

De natuurbeheerder kan streven naar een zo rijk mogelijke flora en fauna alsmede streven naar aantallen hoefdieren die kenmerkend zijn voor meer natuurlijke ecosystemen.
Dr. Cis van Vuure in ‘De Oeros, het spoor terug’ (rapport 186 WUR):

‘’Zo was vroeger in Europa niet alleen de dichtheid van elanden lager dan in de huidige gecultiveerde bossen, dit geldt ook voor edelherten (2-10 per 1000 ha; Fröhlich 1955, Meister 1969) en reeën (1-3 per 100 ha; Schwend 1950, Meister 1969). Hetzelfde geldt voor Noord-Amerika, waar de dichtheden van het witstaarthert (Odocoileus virginianus) vroeger lager waren dan tegenwoordig, namelijk 2-4 per 100 ha tegen nu rond de 10 per 100 ha (Noord-Wisconsin, Verenigde Staten) (Alverson e.a. 1988). Ook daar heeft de mens voor een groter voedselaanbod in het bos gezorgd, waarvan dit hert profiteerde.’’ (blz. 247)

De dichtheden van herten in de meer oorspronkelijke natuurgebieden zijn laag . Wolven, beren en lynxen eisten hun tol. Ripple en Beschta concluderen in een uitgebreide literatuurstudie (1) dat de hertendichtheden in systemen zonder wolven ongeveer zes keer hoger zijn dan systemen met wolven: ‘’2,6 vs. 15.5 DE/km2’’

DE staat voor ‘deer’. Ripple en Beschta stellen: deer = 1 DE, Caribou = 2 DE, Elk = 3 DE.
De Noord-Amerikaanse Elk (Nederlands: Wapitihert) weegt aanzienlijk zwaarder dan ons Europees Edelhert en neemt meer voedsel tot zich. Ongeveer geldt: 1 Edelhert = ¾ Elk = ¾ x 3 DE = 2,25 DE.

Voor een dichtheid in een natuurlijke omgeving telt derhalve 2,6/2,25 Edelherten = 1,15 Edelherten per 100 hectare (=1 km2), -aldus wijzen de door Ripple en Beschta onderzochte 42 studies uit.

De nota ‘Voorstel voor landelijk beleid ten aanzien van Damherten’, uitgebracht door Vereniging het Edelhert (VEH), stelt qua voedselopname 1 Edelhert equivalent aan 2 Damherten (blz. 26).

Hiermee rekening houdend komen er onder meer natuurlijke omstandigheden 2 x 1,15 Damherten = 2,3 Damherten per 100 hectare voor. In de AWD zou dit wezen: 34 x 2,3 = 78 Damherten.

VEH beveelt evenwel in zijn beleidsnota voor de duingebieden bijna een dubbele hoeveelheid aan van 4 Damherten per 100 ha (blz. 28). Borduren we voort op deze beleidsaanbeveling dan bieden de 3400 hectare grote AWD ruimte aan 4 x 34= 136 Damherten. Dat is echter het dubbele aantal herten dat op grond van de hierboven geciteerde Amerikaanse literatuurstudie over natuurlijke gebieden aangeeft

Voor alles moeten de Amsterdamse Waterleidingduinen een kans krijgen zich te herstellen, te beginnen bij een stand van nul Damherten. Een langzaam herstellende plantengroei mag op geen enkele wijze hinder ondervinden van zelfs maar de laagste dichtheid aan Damherten.

FBP hanteert verkeerde cijfers, GS aapt na:
Als het FBP de Duitse studie die het citeerde nu eens als leidraad nam voor zijn na te streven dichtheid in deelgebied de AWD? Naar analogie van een streefstand voor het NPZK van 320 Damherten (=10 x 32) geldt dan voor de AWD 340 dieren (=10×34). Dat is tenminste al veel lager dan de voorgestelde 600-800 Damherten.
Citaat:

‘’Een Duitse studie uit 2002 komt uit op een – gezien de wintervoedselsituatie en bescherming van de houtproductie en natuurwaarden – maximale dichtheid van 7 damherten per 100 hectare. Het onderzoek vond plaats in een gebied in Brandenburg/Duitsland van meer dan 1 miljoen hectare, vrij eenzijdig open bosgebied: naaldhout op zandgrond, met ondergroei van grassen en adelaarsvaren – een relatief arm biotoop. De wintervoedselvoorraad is met name de beperkende factor. De uitkomst van deze studie komt in grote lijnen overeen met de conclusies van Uekermann. Op basis hiervan geldt voor een gebied zoals NPZK (arme grond; leefgebied circa 3.265 hectare) dat een evenwichtige damhertenpopulatie dient te bestaan uit (ruim) minder dan 10 dieren per 100 hectare (ruim minder dan 320 dieren), om zichzelf in stand te houden en altijd voldoende voer te kunnen vinden zonder de aanwezige vegetatie blijvend te beschadigen. Deze maximale dichtheid gaat ook nog eens uit van het niet aanwezig zijn van reeën en grote grazers. In NPZK zetten de beheerders grote grazers in als belangrijke beheersmaatregel en is er (nog) een populatie reeën aanwezig.’’ (FBP blz. 54)

Die ’(ruim) minder dan 10’ Damherten is gewenst indien men serieus rekening houdt met het wél aanwezig zijn van de runderen en Reeën in het NPZK. Het achterwege blijven van een onderzoek naar deze nog veel lagere aantallen Damherten is een omissie in het FBP. De Pb had op deze omissie mogen wijzen en GS hadden hier moeten ingrijpen.

Wanneer wél rekening wordt gehouden met die overige grote plantenetende fauna, is er in NPZK zeker véél minder plaats dan 320 damherten. Omdat er rasters op de NPZK-grens ontbreken nam men uit veiligheidsoverwegingen evenwel genoegen met een lagere streefstand van 200 Damherten. Dat aantal komt weliswaar in de buurt van de door Vereniging het Edelhert geadviseerde 4 Damherten per 100 ha. En in elk geval is het ook ‘’veel minder’’ dan 320, -een aantal Damherten dat ontoelaatbaar zou concurreren met de Reeën en runderen en paarden, een aantal ook dat minder zekerheid biedt aan een rijkgeschakeerde vegetatie en aan de kleine fauna-elementen, zoals insecten.

In de communicatie wordt steeds gesproken over een vrije doorgang voor de herten over de natuurbrug(gen). De verschillend gekozen doelstanden van Damherten in enerzijds de AWD en anderzijds het NPZK zullen door spontane migratie over de natuurbruggen vermoedelijk globaal naar eenzelfde concentratie bewegen. Het valt daarom niet in te zien waarom die doelstanden zo hemelsbreed verschillend zijn gekozen.

Logisch is te kiezen voor de laagste dichtheid. Temeer daar beide deelgebieden eenzelfde graasdruk verdragen. Alterra stelde vast: ’De vegetatietypen en de flora verschillen niet tussen beide deelgebieden.’ (Alterra-rapport 1198. E.A. Grift et al. ‘Ontsnippering Zuid-Kennemerland’, blz. 34)

Het is ook om die laatste reden niet te begrijpen waarom het FBP inzake het NPZK een Duits rapport aanhaalt dat wijst op het behoud van een soort van ecologisch evenwicht, maar zich voor de AWD beperkt tot een dominantie der Damherten.

Het FBP stelt zonder meer dat de AWD 600 Damherten kunnen herbergen. Het is een getal dat nergens wordt toegelicht. Zelfs de door FBP aangehaalde nota van Alterra ‘Hoeveel damherten en reeën kunnen leven in de Amsterdamse Waterleidingduinen op basis van het natuurlijke voedselaanbod’, april 2013, levert geen goed cijfermateriaal dat als basis kan dienen voor een populatie van 600 Damherten.

Het FBP zegt over dit rapport:
‘’Alterra heeft de draagkracht van de AWD bepaald op basis van een erkende methode en berekend dat een gezonde populatie van circa 600 damherten duurzaam moet kunnen leven op het natuurlijk voedselaanbod in de AWD. De berekening houdt ook rekening met dierenwelzijn: bij dit aantal is er geen concurrentie om voedsel en zullen dieren ook veel minder geneigd zijn naar de omgeving te trekken. De methode berust op het schatten van het voedselaanbod in de nawinter, de energetische bottleneck voor de damhertpopulatie.’’ (blz. 55)

Alterra berekent op basis van de energiebehoefte van een gemiddeld Ree en een gemiddeld Damhert voor hoeveel dieren voedsel beschikbaar was. De uitkomst was Damhert 407 en Ree 369 stuks. Ook werd een schatting gemaakt van de aantallen damherten wanneer het Ree volledig van het toneel verdween (zoals inmiddels is geschied):
Uitgaande van een ree van 15-20 kg heeft een ree voor zijn onderhoudsmetabolisme dus 5 tot 6 MJ/dag nodig. Een damhert van 50-60 kg 14MJ/dag. 1 damhert is dus in dit opzicht het equivalent van 2 – 3 reeën. Er zou dus plaats zijn voor 407,2 + (368,7/2-3) = 530,1 – 591,6 stuks damherten. Omdat het dieet van ree en damhert verschillend is en deze vertaalslag daar geen rekening mee houdt, beschouwen we deze uitkomst als een zeer globale bandbreedte.’’ (blz. 11)

Volgens deze berekening is er bij een geheel verdwenen populatie Reeën plaats voor 600 Damherten. Als er wel Reeën aanwezig zijn dan is er plaats voor 407 damherten, – wanneer er althans 369 Reeën zouden leven.

De stellingname in het FBP dat er in Waterleidingduinen bij een gelijktijdig herstel van de Reeënstand plaats is voor 600 Damherten is ondeugdelijk; deze streefstand is veel te hoog.

GS neemt de verkeerde voorstelling van zaken niettemin klakkeloos over.

Het tweede Ontwerpbesluit van GS, ‘’Flora- en faunawet besluit 49 (2015); Ontheffing ex artikel 68, beheer binnen leefgebied damhert’’, geeft eveneens abusievelijk goedkeuring aan een gebrekkig FBP:
‘’Voor deelgebied AWD geeft u een gewenste streefstand van 600 tot 800 dieren. Uw FBP Damhert onderbouwt deze streefstand als een stand waarbij schade aan flora en fauna in het gebied op een acceptabel niveau ligt. Met deze stand zal er ook voldoende ruimte en voedsel overblijven voor een levensvatbare reeënpopulatie bijvoorbeeld.’’ (blz. 20)

Helaas, het FBP ondernam zelfs geen schuchtere poging tot onderbouwing van een streefstand van 600-800 Damherten waarbij de schade aan flora en fauna op een acceptabel niveau ligt.

Een gedegen argumentatie is daarentegen van cruciaal belang en het is merkwaardig dat GS doet alsof die onderbouwing bestaat.

Met een streefstand van 600 tot 800 Damherten is terugkeer van het Ree in een levensvatbare populatie buitengewoon onzeker. Om te voldoen aan een gunstige instandhouding is daarnaast terugkeer van een volwaardig en functionerend duinbos vereist. Ook dan is er voor veel minder Damherten plaats dan de nu voorgestelde 600 tot 800 exemplaren, zoals hierboven aan de hand van literatuur wordt aangetoond.

Evenmin rept het FBP van een noodzakelijk herstelperiode onder het regime van een zeer lage graasdruk.
Voor terugkeer van de Ligusterstruiken, het behoud van de Kruipwilgstruwelen en de bloemen en de insecten die zich eveneens moeten herstellen van de overbegrazing door Damherten, is het beter om het zekere voor het onzekere te nemen: streven naar de lage dichtheden die de Vereniging het Edelhert al aangaf, dichtheden die wij hierboven van een fundament voorzagen door middel van opgaven uit de literatuur.

Het rapport van het OBN-deskundigenteam ‘Damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen, hun invloed op het duinlandschap en de kwaliteit van enkele habitats’, mei 2013, stelt dat een lage dichtheid al gevolgen heeft voor het duinbos:

‘’Het droge duinbos wordt intensief door de herten gebruikt. Dit is duidelijk te zien op plaatsen waar rond 2000 exclosures zijn gemaakt. In deze exclosures is sprake van een beter ontwikkelde struiklaag dan daarbuiten. Hierbij moet worden opgemerkt dat dit verschil waarschijnlijk een gevolg is van de langjarige aanwezigheid van damherten. De rasters zijn immers al 13 jaar geleden geplaatst. Als het ontbreken van een struiklaag alleen een gevolg zou  zijn van de intensieve begrazing van de laatste jaren, dan zouden buiten de exclosures nog de restanten aanwezig moeten zijn van afgevreten struiken en jonge bomen. In de bosgedeelten die tijdens het veldbezoek zijn bezocht was dat niet of nauwelijks het geval. Dit betekent dat de bosverjonging en de  struiklaag waarschijnlijk al bij lagere dichtheden van damherten verdwijnen.’’
(OBN, blz. 22)

Herten verzamelen zich in het duinbos:
Volgens de Zoogdiervereniging komt het damhert ‘’vooral voor in lichte loofbossen en gemengde bossen’’ ‘’Overdag rusten ze en herkauwen ze in de ondergroei van het bos of op een afgelegen grasland’’.
Dr J. Mourik, voormalig beleidsadviseur ecologie bij Waternet en thans sprekend namens de KNNV afdeling Haarlem en de Dagvlinderwerkgroep Zuid-Kennemerland illustreert met cijfers deze voorkeur voor het bos, in het artikel ‘Bloemplanten en dagvlinders in de verdrukking door toename van Damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen’, De Levende Natuur, juli 2015.

‘’In de AWD liepen de aantallen in 2014 uiteen van 25 dieren per 100 ha in het open landschap van de zeeduinen en het zuidwesten tot 200 dieren per 100 ha in bos- en struweelrijke binnen- en middenduinen (Aldershof, 2014).’’ (blz. 185, 186).

Omdat Damherten geneigd zijn zich in bossen te concentreren dient hiermee voor de berekening van een gemiddelde dichtheid voor het gehéle duingebied rekening te worden gehouden. Een gemiddelde dichtheid van 4 Damherten zoals Vereniging het Edelhert voorstaat betekent geenszins dat de gemiddelde dichtheid in de bossen hetzelfde zal zijn; deze ligt gezien het citaat maar liefst achtvoudig hoger. Conclusie:
Om het gemiddelde van 4 Damherten in het duinbos te bereiken dient de gemiddelde streefstand voor de gehele AWD vele malen lager te liggen.

Wellicht zal na veel ervaring voor de hele AWD een totaal van hooguit enige tientallen dieren wenselijk blijken te zijn, teneinde het duinbos naar de oude toestand te herstellen en te laten functioneren in zijn kenmerkende boseigenschappen zoals ondergroei en boomverjonging. Daarbij is hier nog geen rekening gehouden met de vraat door een herstellende populatie Reeën; dat herstel betekent op zich al een nog lagere dichtheid van Damherten.

Een beginnende nulstand verdient zelfs de voorkeur als we zouden uitgaan van het voorzorgsprincipe.

Het is ongerijmd dat het FBP voor verschillende dichtheden heeft gekozen:
Het streven voor de AWD is 600 tot 800 Damherten. Bij een aantal van 800 wordt de gemiddelde dichtheid 23,5 Damherten per 100 ha. Voor het nog steeds struweel- en bosrijkere (dus gunstiger Damhertenleefgebied) NPZK is het streven 200 Damherten; gemiddeld 5,3 per 100 ha. Dit opmerkelijk grote verschil in dichtheid is een direct knelpunt bij de aangekondigde openstelling van de natuurbruggen voor de fauna. Initieel zullen de hongerende dieren bovendien uit de AWD wegtrekken naar het veel gunstiger leefgebied (voedsel, dekking) van het NPZK, met als gevolg een (te) hoge dichtheid daar. Of de natuurbruggen zullen voor altijd voor herten gesloten moeten blijven, maar dat kan toch niet de bedoeling van faunapassages zijn?

Conclusie:
Het aantal dieren moet integraal worden afgestemd op de laagste draagkracht, zodat de AW duinen zich van de overbegrazing kunnen herstellen en de Damherten de kans krijgen zich evenwichtig over het hele leefgebied tussen IJmuiden en Noordwijk te verspreiden.

Het Damhert is een verdringende exoot en moet daarom bestreden worden:
Het Damhert is lang geleden door de Romeinen naar ons land gehaald. Vanwege de natuurbescherming is het ongewenst dat een exoot inheemse soorten verdringt. Duidelijk is dat de inheemse Ree verdween als gevolg van sociale stress en de voedselconcurrentie met het Damhert. Het Biodiversiteitsverdrag verplicht in artikel 8 indien ‘passend en mogelijk’ tot uitroeiing van invasieve exoten. Een FBP dat de natuurbeschermingsconventies c.q. internationale verdragen serieus neemt beveelt een streefstand aan van nul Damherten. De provincie wil het verdrag niet uitvoeren en geeft geen uitvoering aan het Verdrag.

Het afschotplan in het FBP roept afzonderlijke ergernis op:
Dat is over liefst 5 jaar uitgesmeerd. Een hoge stand van duizenden dieren wordt in de eerstkomende jaren kennelijk toelaatbaar geacht. Niet in één keer terug willen gaan naar de gewenste doelstand betekent onnodig extra aanwas toelaten en navenant extra afschot, terwijl de reeds gedecimeerde natuurwaarden geen verdere aderlating verdragen. Uitgesteld afschot zet de natuurwaarde extra onder druk.

Mourik concludeerde reeds in De Levende Natuur:
‘’Aan een snelle en forse reductie van de begrazing en dus de dichtheid is niet te ontkomen, ook voor het welzijn van de Damherten zelf.’’

Wij bepleiten daarom het afschot in de AWD in één jaar tijds te realiseren.
En wel naar een voorlopige streefstand van 50 Damherten, of minder.

Voor Stichting Herstel Inheems Duin,
K. Piël

Literatuur
(1) Ripple W.J., Beschta R.L. (2012) Large predators limit herbivore densities in northern forest ecosystems. Eur J Wildl Res.
http://ir.library.oregonstate.edu/xmlui/bitstream/handle/1957/28411/Large%20Predators%202-15-12%20figures%20interleaved.pdf

FreeNature wil het Kraansvlak kapotmaken

 

 

Hordes publiek, beladen met camera's, verjagen de dieren en maken van een natuurlandschap een safari-pretpark. No way.
Hordes publiek, beladen met camera’s, verjagen de dieren en mogen van een natuurlandschap een safari-pretpark maken? No way.

 

FreeNature is een stichting die zich heeft toegelegd op het uitzetten van aaibare graasdieren in de Nederlandse natuur, zoals Schotse koeien, want dat verhoogt de recreatieve waarde. Helaas heeft dit recreatieschap zijn oog laten vallen op ons mooie Kraansvlak, een van de laatste rustgebieden in de duinstreek.

Het Kraansvlak is gelegen westelijk van Haarlem en maakt deel uit van het Nationaal Park Zuid Kennemerland. In dit afgelegen doodstille duin zouden bezoekers alleen mondjesmaat en onder leiding van de boswachter mogen komen, want het Kraansvlak is zowat het enig overgebleven rustgebied in de duinen.

Dus spaarzaam te houden excursies, ook om natuurlijk te kijken naar de Wisenten die er al enige jaren rondlopen. Dat is dan al een concessie; voorheen kende het natuurgebied een absolute rust: de toegang was voor iedereen gesloten. Omdat die aaibare bizonbeesten er lopen, moet het gebied nu voor jan en alleman opengesteld worden? Wat denkt die stichting wel.

Natuurbeschermers kom hiertegen in opstand! Met uw steun wil stichting Herstel Inheems Duin procederen tegen PWN die het gebied beheert, mocht het zover komen. Het is verdorie een streng beschermd Natura2000-gebied. De gemeente Bloemendaal wil er al een voetpad doorheen hebben. Maar gaf een gemeente ooit om natuurbehoud? Retorische vraag.

kraansvlak images
Massatoerisme verhoogt niet het gevoel voor wildernis en de natuur zelf is minder natuur

Het mag niet zo zijn, dat de schaarse natuur die hier nog gevrijwaard is gebleven van menselijke drukte verdwijnt. Ik zou willen zeggen: Leave nature free van stichting FreeNature. Die wil enkel de mens tegemoetkomen in zijn verstorende recreatiedrang. Met natuurbehoud heeft het niets van doen.
En alsof je al niet overal mag fietsen, wandelen en struinen in de wijde omgeving van het Kraansvlak!
Behoud dit laatste rustgebied. Voor de schuwe vogelsoorten die stille broedplaatsen nodig hebben.   Voor de stilte, dat wezenlijke, maar onderschatte kenmerk van natuur.

In Vakblad Natuur Bos Landschap, novembernummer, schrijft de onverlaat Fokko Erhart van deze recreatiestichting dat ‘de vraag naar toegankelijke natuur toeneemt’.  Als de vraag naar vakantiebungalowtjes toeneemt gaan we dan ook de natuur volbouwen? Het doel van natuurbehoud is niet in de eerste plaats om in de menselijke consumptiebehoeften te voorzien.

K. Piël,
St. Herstel Inheems Duin 

Als het kalf verdronken is…

 

 

Dagblad Trouw.1 september 2015. Aandacht voor de natuur in de Amsterdamse Waterleidingduinen.
Dagblad Trouw, 1 september 2015. Aandacht voor de natuur in de Amsterdamse Waterleidingduinen.

 

Het dagblad Trouw besteedt veel aandacht aan de natuur, buitenproportioneel zelfs voor een Nederlandse krant.
Op 1 september wordt uitvoerig verslag  gedaan van de schade die de talrijke Damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen de laatste jaren hebben veroorzaakt.

Het is bij mijn weten niet eerder voorgekomen dat een landelijk dagblad daar zo uitvoerig op inging, terwijl de problematiek van de natuurschade toch al vele jaren bestaat.

Aan de basis van de reportage in Trouw staat vast en zeker het excellente artikel dat biochemicus en doctor in de biologie Joop Mourik schreef voor het gezaghebbende natuurtijdschrift De Levende Natuur ( 116e jaargang alweer).

Zijn bevindingen stemmen niet vrolijk. Mourik stelde ze op aan de hand van talloze waarnemingen die systematisch door hem en vele andere natuuronderzoekers zijn bijgehouden en op grond van de verschillende onderzoekpublicaties die de laatste jaren het licht zagen. Mourik eindigt zijn wetenschappelijke verslag in De Levende Natuur over de AW-duinen met de aanbeveling:

‘’Aan een snelle en forse reductie van de begrazing en dus de dichtheid is niet te ontkomen, ook voor het welzijn van de Damherten zelf.’’

En Monica Wesseling tekende gisteren in haar reportage voor Trouw uit de mond van Mourik op:

‘’Het is vijf voor Twaalf. Als er nu niet wordt ingegrepen, is er geen weg terug. Dan raak je planten en insecten definitief kwijt.’’

Helaas, voor Mourik en eenieder die de natuur van de duinen onder de rook van Haarlem een warm hart toedraagt, voor een natuurherstel is een sta in de weg de heer Leo van Breukelen, beleidsmaker bij Waternet. Terwijl Mourik het heeft over ‘vijf voor twaalf’, verklaart van Breukelen in Trouw doodgemoedereerd:

’’Al te bruusk ingrijpen is niet nodig en bovendien voor hert en maatschappelijk draagvlak niet best. Dus trekken we er vijf jaar voor uit.’’

Het doemscenario dat ecoloog Mourik schetst, zal dus bewaarheid worden. In die vijf minuten die Mourik voor de redding van de natuur geeft, daar wil Van Breukelen vijf lange trage jaren over doen.

Van Breukelen redeneert: Langzaam aan dan breek het lijntje niet, denk vooral toch aan het maatschappelijk draagvlak!

Tijdens een bijeenkomst dit voorjaar van vrijwilligers bij Waternet koos echter vrijwel iedereen voor afschot. De meeste Nederlanders hebben alle begrip voor aantalsregulatie als dat goed is voor de natuur. Dat zwakke draagvlak, waar Van Breukelen zo vreselijk over inzit, is gezocht, vergezocht.
Het valt reuze mee.
Ik denk eerder dat er veel maatschappelijk draagvlak is om een onheilspellende beleidsmaker als Leo van Breukelen met een reuzezwaai over het stalen hekwerk dat langs de Aw duinen loopt te gooien, met een papieren gebiedsverbod voor het leven er achteraan.

Deze man weet drommels goed, dat de zaadvoorraad van de nu vele al verdwenen bloemen niet lang houdbaar is. De kiemkracht neemt af, verdwijnt. Naar het tamelijk geïsoleerde natuurgebied keren de insecten die afhankelijk zijn van deze bloemen ook slechts moeizaam terug, -als het niet allemaal te laat is. Duurzaamheid is ver te zoeken bij Waternet.

Het herstel van het wettelijk beschermde duinbos, van de kruid- en struiklaag daarin, vergt het bereiken van zeer lage aantallen Damherten, en dat duldt geen uitstel.

Damherten neigen de bossen in te trekken; ook bij algemeen laag aangehouden aantallen tref je in de bossen relatief hógere aantallen aan. Mourik noemt in zijn artikel bestaande dichtheden van liefst 200 dieren per vierkante kilometer bos en struweel. Dat is écht een hertenkamp.

Ik begreep van Mourik al eerder, dat hij liefst de dichtheid zó veel wil verlagen totdat het herstel in alle habitats is opgetreden. Maar dat lijkt me logisch. De gemeentelijke opzet  is de populatie terug te brengen naar 600 tot 800 dieren. Nog te veel.

In 2001 verscheen een artikel in het blad DUIN. Toen al werd een grote invloed verwacht van de hertenbegrazing op jonge eik en verschillende struiksoorten. Die verwachting is ruimschoots waargemaakt; Kardinaalsmuts en Lijsterbes en Vlier en Liguster en Kruipwilg zijn al bijna verdwenen.
Maar het officiële onderzoek naar de schade door het Damhert begon pas vele jaren nadien op gang te komen: in 2013, bij een stand die vér boven de duizend Damherten lag. Lieten de beheerders steken vallen door in een te laat stadium onderzoek te doen naar de schade aan de flora en de fauna?

Ik haal die oude berichten even aan om aan te tonen dat de beheerders niet kunnen zeggen dat de hertenramp als een onverwachte tsunami over hen heen is gekomen. Er was registratieapparatuur beschikbaar, maar deze werd gewoon niet ingezet.

Natura 2000 gebied, vakkundig door politici gesloopt
De AW duinen worden op een vreemde manier aangestuurd. Neem alleen weer Van Breukelen. Dit is wat ik noem een ‘spontanist’; hij wenst de natuur haar gang te laten gaan, dat wil zeggen: niet ingrijpen. Maar dát moet we juist net niet hebben, daar waar de druk van de diersentimentalisten om niét in te grijpen al immens groot is.

Zij houden iedereen voor dat de natuurlijke kwaliteiten van dit Natura 2000-gebied, dat nu eenmaal door middel van regulier onderhoud in stand moet worden gehouden (wat zelfs bij de wet is geregeld), niet opwegen tegen het principe van niet-ingrijpen: de ‘zelfregulatie’. Wie gelooft niet dat die opstelling een rationalisatie is van hun hardgrondige afkeer van de jager met zijn ‘moordlust’?
De natuur spontaan laten verlopen houdt immers in dat geen jacht kan worden toegestaan. Jager exit.

Dierenbeschermers betrap je zelden op wat diepere interesse in de natuur dan de gemiddelde burger; hun aandacht is geconcentreerd op de aaibare diersoorten, de vachtdragers, de bambies.
Vlinders zijn wel mooi, maar minder aaibaar; over insecten hebben ze eigenlijk geen mening. Bijgevolg: de insecten van de Aw duinen hebben het zwaar te verduren.

Hun wens naar zelfregulatie lijkt oppervlakkig tot stand te zijn gekomen en is in elk geval niet gefundeerd op principes van het natuurbehoud. Zelfregulatie, volgens mij is het zelfbedrog.

Wat is overpopulatie?
In NRC-Handelsblad van 11 augustus 2001 verklaarde Van Breukelen:
“Wat is overpopulatie? Het is een term die alleen buiten de duinen opgaat. In de duinen storen de herten elkaar niet in het minst.’’

Wat bij hem hier ontbrak, is ‘n woordje over de hertenschade. Maar in hetzelfde NRC artikel liet toenmalige hoofd natuurbeheer, Rik Schoon, zich al ontvallen:
’Zevenhonderd herten is eigenlijk al te veel’’.
Naar Schoons maatstaven gerekend zou het huidige streven van 600 á 800 dus al een hoge stand wezen. En dat is het ook.

In het AWD’s voorlichtingsblad Struinen, herfst 2001, schreef Van Breukelen:

‘’Moeten we overgaan tot afschot? In theorie zou dat wel kunnen maar dat strookt niet met het vigerende Amsterdamse faunabeleid en ook niet met onze wens om spontane processen een kans te geven.’’

Cruciaal is dat ‘onze wens’. Dat is dus niet meer of minder dan de wens van Waternet. Wat de vraag doet rijzen of Waternet een invloed ten goede op de Amsterdamse raad had kunnen uitoefenen, -in de zin van aantalsregulatie-, als die spontaan gewilde natuur bij de beheerder zelf geen rol had gespeeld . Misschien was bij de Amsterdamse politici beheersjacht een aanvaardbaarder onderwerp van gesprek geweest wanneer Waternet overtuigender had aangedrongen op ingrijpen, op regulatie.

Anderzijds kan je Van Breukelen als vakmatig natuurbeheerder niets verwijten, áls het zo is dat hij in de functie van pion namens de Amsterdamse politiek bij Waternet zou zijn geparachuteerd. In dat geval is hij niets anders dan een woordvoerder van de gemeenteraad, een stroman.

Binnen de politieke grachtengordel heerst het anti-jachtsentiment. Er is  weinig belangstelling voor het buitenleven. Laat staan het natuurbeheer, laat staan verantwoord natuur, laat staan het toelaten van het primaat van de natuurbeheerder als vakman.
De jonge politieke carrièremaker wil daarentegen wel volop genieten van zijn zeggenschap over wat ver buiten zijn normale bereik valt. Hij laat zich kiezen voor de stad en zijn problematiek, maar een snufje zeewind in het natuurgebied onder aanvoering van de natuurbeheerder, haha dat is mijnheer Van Breukelen, doet ‘m op zijn tijd geen kwaad.

Zo komt het dat in ons hoogontwikkelde kennisland een internationaal belangrijk natuurgebied, van hoogstaand Natura 2000-gehalte, ‘vakkundig’ naar de biologische ondergang wordt geholpen. Keurig op democratische wijze. Maar overigens volkomen illegaal. Immers de regel uit de Nbwet, de ’gunstige staat van instandhouding’, is er ernstig overtreden.

Geen fabrieksdirecteur hoeft te accepteren dat een gemeenteraad voorschrijft welke onderdelen van zijn machines aan vervanging toe zijn. Maar de Amsterdamse Waterleidingduinen moeten voor lief nemen dat de kostbare natuurlijke inboedel vrijwel in zijn geheel bij het hoofdstedelijk gemeentelijk huisvuil werd gezet.

Ervoor in de plaats kwam niets anders dan een invasieve exoot, het Damhert. Dat laatste is op zichzelf een ernstige schending van het Verdrag inzake Biologische Diversiteit, artikel 8h.
Ga dat eens in Amsterdam uitleggen. Je bent kansloos. kp

 

 

 

 

 

 

Ook de Vlierstruwelen zijn naar de knoppen, Amsterdam!

 

 

 

In de lijzijde van de Zeereep bevond zich een unieke plantengemeenschap van rijke mosgroei op de Vlieren
In de lijzijde van de Zeereep bevond zich een unieke plantengemeenschap van rijke mosgroei op Vlieren. De  skeletten zijn het resultaat van jaren wanbeheer door  de Amsterdamse gemeenteraad. Ook de bloeiende Vlieren op de voorgrond gaan eraan; de jacht op de Damherten zal  namelijk nog jaren op zich laten wachten.

 

Meer dan drieduizend Damherten zijn bezig de Amsterdamse Waterleidingduinen tot op de bodem kaal te vreten. Ieder weldenkend mens zou zeggen; doe er iets aan! kom uit je luie pluchen zetel!
Nee, Amsterdamse raadsleden zijn niet bereid er ook maar iets aan te doen.

Alle energie wordt gestoken in politieke debatten, in ‘zorgvuldige’ afwegingskaders, in het dierenleed dat voorkomen moet worden.
Iedereen kent dat eindeloos politiek zeveren om de hete brei heen, om maar geen lieve aaibare dieren te hoeven doden.

De linkse politieke partijen in Mokum hebben allang partij gekozen tégen de intens gemene plezierjager, die rotschoft en baarlijke duivel in dat groene jasje, die zijn eigen vlees wil oogsten, die weigert zoals een fatsoenlijk burger betaamt een slagerij van binnen te zien; ze hebben allang partij gekozen vóór de zielig ogende, diep en diep droevige bambie.

Van verantwoord natuurbeheer hebben de raadsleden geen kaas gegeten. Ze zijn niet op de hoogte van de door de Nbwet vereiste ‘gunstige staat van instandhouding’, die voor dit Natura 2000-reservaat vigerend is. Of ze zijn wél op de hoogte, maar het interesseert ze gewoon niet.

Toch komt wethouder Udo Kock (‘n D66-er) een beetje in beweging. Hij moet wel. Onder druk van natuurbeheerders in de omgeving en van de provincie, die de handhavende instantie is, stuurt hij voorzichtig aan op beheerjacht. Maar tijdens de 580ste keer die de raadscommissie onlangs –op 25 juni- aan het onderwerp wijdde, wezen de partijen elk afschotplan af, opnieuw.
De D66-woordvoeder vond dat de herten, ingeladen in vrachtwagens, maar op transport moesten worden gesteld naar de jachtvelden van Roemenië. Hier, bij ons in de Waterleidingduinen, mag geen bambiebloed aan onze handen gaan kleven!! Nimby in de Stopera.

Alleen VVD en CDA kozen de kant van het onvervalst natuurbeheer, zij willen de jagers ruim baan geven. De linkse kerk, die zijn mond altijd vol heeft van natuur- en milieubeleid, valt hard door de mand.

In het laatste gemeentedocument, van 27 mei 2015, ‘’Damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen, een overzicht’’, komt het college hoe dan ook  met een rake opsomming van de enorme schade die de overpopulatie Damherten inmiddels hebben aangericht. Aan de kruidenrijke duingraslanden. Aan de duinbossen waardoor de struiklaag van inheemse Vogelkers en de Lijsterbes  vrijwel ontbreekt, wat een negatief effect heeft op de broedvogels. Aan vrijwel alle zeldzame plantensoorten. Ook al aan de algemeen voorkomende bloemplanten, die echter cruciaal zijn als waard- of nectarplant voor tal van insectensoorten. De vlinders Oranjetip, Gehakkelde aurelia en Landkaartje zijn sterk achteruitgegaan of zelfs verdwenen…

De ecologische kaalslag wordt door de natuurbeheerder Waternet en door de wethouder ruimschoots erkend en ook consequent voor het voetlicht gebracht in dit jongste gemeentedocument. De onderzoeken die de schade aantonen waren dan ook onloochenbaar en onmiskenbaar.

Helaas ontbreekt er een verwijzing naar een onderzoeksrapport dat nog geschreven moet worden, een onderzoek dat officieel ook nog moet worden verricht.

Het betreft de kaalslag onder de Vlierstruwelen die zich pal achter de eerste duinenrij bevindt, in de lijzijde van Nederlands eerste hoge duinrichel. De floristen steken de loftrompet over deze vegetatievorm. In de Nederlandse Oecologische Flora, deel 3, lezen we op bladzijde 266:
“Hoe speelt Vlier het klaar om als enige hogere houtgewas zo vlak aan Zee een kreupelbos te vormen’’? […]
’’Net als in een echt oerbos moet de botanische rijkdom en verscheidenheid in deze Vlierbosjes op stammetjes en zware zijtakken worden gezocht. Een groep van enkele tientallen Vlieren kan, als ze een aansluitend kreupelbos vormen, al gauw zo’n twintig verschillende epifieten herbergen.’’

De Oecologische Flora gaat uitgebreid in op die soorten mossen , over het Boomsnavelmos, en op de Gekroesde haarmuts die in de kuststreek strikt aan Vlier gebonden is.

Zeer te spreken waren ook de schrijvers van het boekwerk ‘Hieroglyfen van het Zand’, uit 1999, geschreven door Mark van Til en Joop Mourik, beide ecologen en werkzaam in de AWD (de laatste auteur is thans met pensioen).

Zij schreven, blz. 112:
’’[…] het Vlierstruweel met Fijne kervel en Winterpostelein geniet grote bekendheid bij mossenliefhebbers. De bast van stakige takken is rijkelijk begroeid met allerlei blad- en korstmossen, waarvan sommige elders in Nederland zeldzaam zijn of zelfs ontbreken. Je kunt er bijvoorbeeld Boomvorkje, Vliermos, Broedkorrelkroesmos, Gewoon zijdemos en Iepemos aantreffen. Makkelijk dan deze mosjes is de algemene Judasoor te herkennen.’’

 

Praat Amsterdam over de ruine die zij aanricht in de natuur? Geen word erover in de laatste beleidsnota.
Kaalslag onder de Vlieren. Het invasieve Damhert sloeg toe, de gemeenteraad van Amsterdam kijkt de andere kant op.  Praat Amsterdam over de ruine die zij aanricht in de natuur? Geen woord erover in de laatste beleidsnota.

Helaas, van die ‘’tientallen Vieren’’, die een aansluitend struweel vormden zodat aan de bestaansvoorwaarden van die interessante mossenflora werd voldaan, is thans geen spaan heel gebleven. De foto’s spreken boekdelen. Het unieke struweel is naar mijn schatting voor 70 procent aangetast, afstervend of al dood.
En dit aaneengesloten kreupelhout is te gronde gericht door de vele Damherten, door hun schillen van de bast waardoor de Vlierstruik afsterft, of door vertrapping van de jonge Vlieren.

De laatste jaren heb ik de politieke grachtengordeldieren vele uren aaneen horen praten over de problematiek van het Damhert. Nimmer sprak men zijn of haar bezorgdheid uit over de instandhouding van de biodiversiteit of over de hertenschade in de AWD, eens één van de rijkste natuurgebieden van ons land.

De domme eenzijdige locale politieke kletspraat bleef beperkt tot de kommer en kwel van het dierenleed, het alsjeblieft zo zorgvuldig mogelijk wegvangen als-het-niet-anders-kan, het dier mag zeker ook niet het slachtoffer worden van een onverdiend verdienmodel, enzovoort. Waarna de vergaderpauze aanbrak en het raadslid gretig de runderkroket en de bitterbal naar binnen werkte. kp

 

 

 

 

 

 

Een schitterend protest tegen een zieke toestand!

Geachte lezer,
Onderstaande opinie is van Paul Bouwmeester.
De twee nogal klein uitgevallen kopietjes zijn in werkelijkheid schilderijen, van de wildschilder Hans Bulder.
Paul deed een verzoek om zijn protest op dit blog te plaatsen.
Nou, graag gedaan!

Paul is zelf geen jager, maar overigens van jongs af aan betrokken bij de natuur en het wild. Aan het bekende opinieblog Joop.nl leverde hij eerder vier bijdragen, die elk stortvloedjes aan reacties opleverden.

Lees daarom:
http://www.joop.nl/opinies/bio/auteur/paul_bouwmeester/

En bekijk zijn website JachtArgumenten:
http://www.jachtargumenten.nl/

kp

 

Een schitterend protest tegen een zieke toestand!

Bulder 1

De getalenteerde wildschilder Hans Bulder stelt in dit schilderij op treffende wijze de huidige realiteit in de Oostvaarderplassen aan de kaak. Dit schilderij – zelf noemt hij zijn stijl hedendaags-realistisch – kan men een trieste spotprent noemen, waarin duidelijk de symboliek rond de St.Hubertus-legende is overgenomen.

Hans Bulder, een van de beste kenners van wilde dieren in Nederland, laat geëmotioneerd weten:
“Aan het beeld dat ik geschetst heb op doek is niets overdreven te vinden. Ik ken de Oostvaardersplassen alleen maar zó. Het edelhert probeert nog op zijn voordeligst te poseren maar zijn trots is toch bijna geknakt door zijn uitgemergelde lijf. Zo heb ik er velen zien lopen door de jaren heen. Schofterig gewoon om zulke prachtige dieren op deze manier hun trots af te nemen en ze zo de dood in jagen.”

Deze toestand wordt – met name deze weken –  door Staatssecretaris Dijksma schaamteloos gecontinueerd, met de steun van het grootste deel van onze politiek.  Dit ondanks terzake zeer kundige adviezen van instellingen zoals o.a. de Vereniging Het Edelhert.

De realiteit in de Oostvaarderplassen, kortweg OVP genoemd, is nog steeds niet aan elke Nederlander bekend mede dank zij de mooie, maar sterk gekleurde film De Nieuwe Wildernis.

Waar gaat het om ?
Ons aller Staatsbosbeheer (SBB) heeft ooit besloten in de OVP de natuur haar gang te laten gaan. Bij gebrek aan grote roofdieren betekende dit een explosie van (uitgezette) grote hoefdieren met een volledig kaalgevreten en ontbost gebied als gevolg. Duizenden dieren zijn gecrepeerd van de honger. De laatste jaren grijpt men in door middel van afschot van dieren die het niet gaan halen. Die dus al half verhongerd zijn. Dit noemt men eufemistisch ‘vroeg reactief’ beheer.

Als voorbeeld dienen hier de sterftecijfers van december 2014 t/m maart 2015 (Bron SBB):
Edelhert 782
Heckrund 46
Konikpaard 292
En deze sterfte is hierna nog zeker een maand doorgegaan!

Op de achtergrond van het schilderij zien we als een van de consequenties van het beleid, hoe de kadavers ter destructie worden afgevoerd.

Bulder 2

Hoe heeft dit zover kunnen komen? Dit is gekomen omdat we onder regie van de dierenlobbies het respect voor het dier hebben ingeruild voor sentimenten voor het dier. Omdat we de bescherming van een diersoort hebben ingeruild voor de bescherming van het individuele dier. Dezelfde partijen die zeggen te strijden tegen dierenleed, houden zich ondertussen oorverdovend stil.

Maar het gaat nog verder.
In plaats van een sanering van de OVP wil men nu het aangrenzende Hollandse Hout openstellen voor deze overmaat aan hoefdieren, met als gevolg een verder explosie van aantallen en de vernietiging van het Hollandse Hout.

In de Amsterdamse Waterleidingduinen is een vergelijkbare vernietiging aan de gang door de onwil van de gemeenteraad om de populatie damherten binnen de perken te houden.
En zo zijn er meer vergelijkbare processen aan de gang, waarvan de gevolgen echter wat moeilijker waar te nemen zijn.

 Wat moet er gebeuren? De enige oplossing is dat SBB als verantwoordelijke voor deze misstand de populatie edelherten terugbrengt tot een fractie van het huidige aantal en ze daarop handhaaft door middel van fatsoenlijk beheer. Hetzelfde voor de zg. wilde paarden en heckrunderen, of misschien is het beter dit huisvee volledig te verwijderen. Binnen enkele jaren kan het gebied dan weer het prachtige natuurgebied worden, dat het ooit was. Een paar paden erdoor voor de echte natuurliefhebber (alleen wandelen) en voilá!

Maar elke praktische oplossing zal de emoties in ons land hoog doen oplopen – en dat is precies waar de politiek bang voor is.

Paul Bouwmeester, april 2015

 

 

Stichting Duinbehoud, Vogelwerkgroep Zuid-Kennemerland, KNNV Haarlem, het IVN: welke club komt nog op voor het natuurbehoud?

 

aantal_damherten_28_04_639x382 awd

De rijke natuur van de Amsterdamse waterleidingduinen dreigt te bezwijken onder tal en last van de toenemende populatie Damherten. Onderzoeken tonen aan dat de biodiversiteit ernstig achtergaat en de conclusie van het laatste rapport Parels van de Duinen 2014,  vorig jaar september verschenen, luidde dan ook: begin op korte termijn met de aantalsreductie van de Damherten!

De oplettende natuurliefhebber die het gebied regelmatig bezoekt zal de veranderingen al langer zijn opgevallen. De wandelaar zag een verbazingwekkende verarming van de ondergroei in de bossen. De duinbossen worden hol, en de kaarsrechte vraatlijn op borsthoogte is zelfs niet meer te zien doordat ook de jongere bomen worden geschild en doodgaan, met de onderste takken die die vraatlijn aangaven.

’Bloemrijke graslanden zijn volledig kaalgevreten’’, liet hoofd Bronnen en Natuur Eduard Cousin op 5 september 2013 weten in een Amsterdamse commissievergadering.
Overigens pas nadat de toenmalige wethouder Carolien Gehrels  (PvdA) door de CDA-er Diederik Boomsma onder druk werd gezet om eens eindelijk voor de dag te komen met de reeds verkregen cijfers en om verdergaand onderzoek te plegen.

Ook kon je met eigen ogen zien, dat de kruidenrijke graslanden steeds meer veranderden in een kort geschoren grasmat. De aparte duinnatuur verandert in een hertenkamp.

foto 37-2 copy
De gaaskooi even opgelicht om te laten zien dat kruidengroei zonder bambie mogelijk is.

Wat deed de beheerder in het verleden fout dat het zover mocht komen? Nu ja, ambtelijke laksheid, desinteresse en vooral niet luisteren naar die paar ecologen die ooit in dienst waren genomen om duurzaam wetenschappelijk advies te geven.

Maar waarom houden de volgende ‘maatschappelijke organisaties’ die zich op het terrein van het natuurbehoud bewegen zich zo angstvallig op de vlakte: de KNNV- afdeling Haarlem & omgeving, het IVN Nederland en de Vogelwerkgroep Zuid-Kennemerland?
De stichting Duinbehoud sprak zich wel uit, maar bagatelliseert de hertenschade.

Het cynisme ten aanzien van het natuurbeheer heeft mpgelijk te maken met de bambificatie van de maatschappij. Het dier mag geen haar worden gekrenkt. Diersentimentaliteit zit een nuchtere beoordeling van de ecologische staat waarin onze natuurterreinen verkeren danig in de weg.

Natuurbeheer is een heus vak en wordt zelfs op universitair niveau onderwezen. Daarom moet men wantrouwig staan tegenover lieden die zo stellig weten hoe een natuurgebied beheerd moet worden. Vooral de mensen van de Partij voor de Dieren munten uit in een roeptoeterij waar een ezel in nog geen eeuwen tegen opbalkt.

Bij de dierenbeschermer staat het dier hoog aangeschreven
Het dier is al bijna verheven boven de menselijke existentie.  Heiligdommen gewijd aan dieren stonden tot nu toe alleen in India en Bhutan. Het zal niet lang duren of ze worden ook in ons  voormalig calvinistische landje plechtig geopend.

Het besef dat eerst het plantenleven dierenleven mogelijk maakt en niet andersom, speelt voor de dierenbeschermer geen grote rol, behalve bij het natuurbeheer.  Daar, zeggen ze, stelt het voedselaanbod grenzen aan de grazende dieren.
De hoofdrol is onder meer natuurlijke omstandigheden echter weggelegd voor de roofdieren. Maar dat deze het zijn die de hertenpopulaties intomen en niet de voorraad voedsel, wordt steevast ontkend. Anders zou dat tot jacht noodzaken, wil je althans de natuurlijke vegetatiestructuren zoveel mogelijk recht doen die passen bij een natuurlijke matige stand van herbivoren .
En als er één taboe is, is het de jacht.

Zo beweerde Johnas van Lammeren van de PvdD in de Amsterdamse raad dat prooidieren de aantallen predatoren bepalen. Een leugentje voor bestwil, het gaat werkelijk niet op voor de bambies in de Amsterdamse waterleidingduinen, wanneer we tenminste weer een natuurlijke situatie met natuurlijke predatoren onder ogen zien; dan was er geen sprake van een bijna kaal gegeten gebied.

Maar het laatste waar de dierenbescherming zich mee bezig wil houden is het behoud van vegetatietypen, zoals de landelijk vrij unieke wilde ligusterstruwelen. Die worden door vraat ernstig in hun voortbestaan bedreigd, lees het rapport ‘Parels van de Duinen 2014′.

Wat is nou het belang van struwelen en die paar vlindertje die daar nectar zoeken!
Het gaat verdorie om het doden van weerloze dieren!
Wat een prachtige vacht!
Ontroerende ogen en kijk die mooie geweien!
-merkt de diersentimentalist verontwaardigd op.

Blinde geloofsijver staat het de dierenbescherming in de weg om nog langer een goed woordje te doen voor het natuurbeheer.

De duinen raken vergeven van de sullige hertjes. Wat natuurlijk is dit toch, roepen alle natuurorganisaties uit.
De duinen raken vergeven van de sullige hertjes. Wat natuurlijk is dit toch, roepen alle natuurorganisaties verblind uit.

Ik vrees dat de bambificatie bij genoemde organisaties al zover is voortgeschreden dat het hun niet mogelijk is om het natuurbehoud nog langer te steunen, men niet langer de werkzaamheden van de beheerder beoordeeld naar wat goed of slecht is voor een verantwoord natuurbeheer.

Zo kwam de Vogelwerkgroep Zuid-Kennemerland, VWZK, ertoe een petitie te laten tekenen die de stichting Faunabescherming organiseerde tegen het afschieten van damherten in de AWD (door 1984 mensen ondertekend, -eerlijk gezegd is dat weinig).
De oproep om te tekenen staat niet meer op hun website, maar dat kan te maken hebben met de einddatum die voor die petitie is verstreken.
Op de VWZK-website vind je helemaal geen standpuntbepaling. Wat treurig stemt: men laat de AWD aan zijn lot over.
Over de teruggang van de zangvogels die in het duinstruweel zo welig broedden is mij van de Vogelwerkgroep geen inventarisatie bekend. VWZK-ers hebben kennelijk geen behoefte op te komen voor de Nachtegaal, als daarmee de zaak van het Damhert gevaar loopt.  Dan verdwijnen de struwelen van Ligusters, Kruipwilgen, Kardinaalsmutsen, Vlieren, Lijsterbessen, Gelderse rozen, allerlei klimrozensoorten, en Inheemse vogelkersen maar. Wij zijn geen Struikwerkgroep.

De stichting Duinbehoud beweert op zijn website dat ‘er geen overtuigend bewijs is voor ecologische schade aan het duingebied als gevolg van begrazing door damherten’.
Die schade is er zeker voor het duinbos. Zo kwam het OBN-deskundigenteam in zijn rapportage in mei 2013 tot de gevolgtrekking dat al vele jaren daarvoor schade aan de struiklaag was aangericht, gezien de afwezigheid van dood hout. Dat aangevroten struikhout was na al die jaren vergaan, terwijl in de exclosures, de met gaas afgescheiden proefvakken, de struiken volop groeiden.

In het blad DUIN, orgaan van de stichting Duinbehoud, waren ecologen in het septembernummer van 2000 reeds van mening dat er niet veel heil te verwachten viel van de damherten, ze schreven:
’Gezien het feit dat de ruigere grassen bovendien weinig voorkomen in het dieet , is er nauwelijks een terugdringend effect te verwachten op het proces van vergrassing. Op enkele sterk geprefereerde soorten zoals Wilde kardinaalsmuts, Meidoorn en (jonge) Zomereik zal de invloed echter wel groot zijn! Dit zijn soorten die nu in zekere mate beeldbepalend zijn voor de AWD en de kalkrijke duinen in het algemeen.”

De Kardinaalsmuts is nu door het bast schillen over grote oppervlakten bijna verdwenen en elke jong opkomend kiemplantje  wordt (zolang de zaadvoorraad strekt!) opgepeuzeld. De sterke aantasting van de Liguster had men destijds niet voorzien, evenals een rits andere soorten.
Tegen de verruiging van het duin -door Duinriet en Zandzegge- moet men evengoed nog steeds schapen en runderen inzetten.

En welke voortschrijdend inzicht nemen we sinds 2000 waar bij de stichting Duinbehoud, eens vermaard om zijn kritische houding? Arnoud van der Meulen schrijft in DUIN, juli 2011:
‘’Duinbehoud heeft grote bezwaren tegen populatiebeheer. In natuurgebieden moeten natuurlijke processen zoveel mogelijk de vrije hand krijgen.’’

Beter bewijs dat deze natuurvereniging bemand is door goedwillende amateurs is er niet. In een natuurlijk Europa kom je uit op zeer lage dichtheden van herten. Wolven, Lynxen maar misschien nog meer Bruine beren, hielden ––en wanneer we opnieuw natuurlijkheid nastreven óf biodiversiteit: hóuden— de aantallen hertachtigen zeer laag.  Omvangrijke literatuur toont dit ten overvloede aan.
Mogelijk een paar herten per honderd hectare, en dan geldt voor de hele AWD: 140 Damherten.

Dat is ook wat deskundigen van Vereniging het Edelhert de duinbeheerders aanbevelen. Vier Damherten per 100 ha. Echt natuurbehoud treffen we dus aan bij een aan ‘n jagersgilde gelieerd wetenschappelijk instituut. En nergens anders.

Op het moment van schrijven staat op de website van Duinbehoud de roep te lezen om méér onderzoek naar de hertenschade.
Verzoeken om meer onderzoek tref je aan bij organisaties die uitstel van hen niet welgevallige ontwikkelingen wensen, ook al mag de stapel reeds gedane onderzoeken zo hoog zijn geworden dat omvallen dreigt.

Met alle hun slechte aanbevelingen, zoals het tekenen van een petitie die de ondergang van belangrijke natuurwaarden in de AWD alleen maar naderbij brengt en het verwrongen idee van het begrip ‘natuurlijkheid’, bevorderen die natuurclubs bepaald niet het besef van een verantwoord natuurbehoud en natuurbeheer. En wat een beroerde natuureducatie voert hetInstituut voor Natuurbeschermingseducatie, IVN.

Steunt u dus voortaan van harte Stichting Herstel Inheems Duin, HID. We hebben uw steun hard nodig om een eventueel juridische actie te ondernemen tegen natuurbeheerders die aarzelen om aan redelijke aantalsregulatie te doen. kp

Allerlei rapporten, waaronder ‘Parels van de Duinen 2014′, zie downloads onder:
https://www.waternet.nl/projecten/dossier-damherten/actueel/actueel/actief-beheer-damherten/

Stichting Duinbehoud:
http://duinbehoud.nl/nieuws/standpunt-actief-beheer-damhertenpopulatie/

 

 

Waarom eiken omzagen en niet geringd?

DSC_0399
Het eikebosje aan de Pannelanderweg. Is het hout soms bestemd voor de bouw van hutten. In een beschermd natuurmonument?

 

     Wat bezielt een natuurbeheerder om midden in een bos bomen te gaan zagen? Dit bos, een eikenbos in de Amsterdamse Waterleidingduinen -zie de foto’s- is immers geen productiebos, het is een op en top beschermd natuurbos!
Nu ja, dat moet het althans voorstellen. De beheerder zou de natuurlijke processen er voorrang moeten geven, eerder dan ze af te breken.

De Zomereiken staan hier vermoedelijk op arme zandgrond, sommige bomen ogen nogal spichtig. Misschien was dát de reden voor het AWD-beheer om enkele bomen te vellen: was men beducht dat het bos zou afsterven als er niet gauw gedund zou worden. In elk geval is het een geëigende methode: dunnen –het hier en daar weghalen van bomen om de overblijvers zowel ondergronds meer wortelruimte te verschaffen als bovengronds meer lucht te geven.
Zodat de boom wat in de breedte kan uitgroeien, een vollere kroon krijgt. Meer bladeren betekent meer fotosynthese, dus meer assimilaten, suikers die voor de wortels beschikbaar komen. Deze kunnen meer werk aan, water en zouten omhoog pompen. Kortom de boom vaart er wel bij.

DSC_0398

Natuurlijk dunt een bos zichzelf uit als je niets doet. Dat zag je de laatste jaren ook in dit eikenbosje aan de Pannelanderweg. Maar als de beheerder het nodig vond om de zelfdunning een handje te helpen, dan was er wel een ander manier om de gewenste bomen te laten afsterven.

Namelijk door ze te ringen, dat wil zeggen een reep uit de bast rondom de stam te zagen of te hakken. De boom sterft af, want de suikers bereiken de wortels niet meer.
Een staande dode boom is goed voor organismen die een specifiek belang hebben bij verterend hout dat zich boven de grond verheft. Bepaalde zwammen of insecten. En spechten die er graag holten in uithakken.

Waarom zijn dus die bomen omgezaagd in plaats van geringd?
Liggend dood hout komt gelukkig vrij veel voor, aan staand dood hout is eerder gebrek.

Tweede klacht: waarom werden die omgezaagde bomen in mootjes gehakt, zoals is gebeurd? Het is beter dat de omgevallen boom een constant vochtgehalte bevat; en korte stammen drogen eerder uit, aan de kopse kant. Dat doorzagen in stukken slaat nergens op. Bovendien bestaat het gevaar dat vaders met zonen de hanteerbare stammen wegslepen om verder aan de hut te bouwen.

DSC_0396 In mootjs gezaagd Eikebos panneland. Van 0396 tot 0403 panneland

Of was dat soms de bedoeling? In elk geval komt het liggend hout bij de hut overeind te staan, dat is dan nog een voordeel. Bij die hutten steken dikke takken en stammen schuin rechtop. Een zeer grote hut zie je even aan de overkant van het eikenbos op een open veld, dat is een voormalige akker, zie de eerste foto.  Die hut staat evenwel in de volle zon, en dat is dan weer een nadeel voor het dode hout, dat aan uitdroging blootstaat.

Overal zie je de laatste jaren dergelijke hutten in de beschermde duinbossen verschijnen. De grond er omheen is kaalgelopen. Wat blijft er nog over van een natuurlijk bosaanzicht? Ja, en in hoeverre worden de natuurbeschermingsregels geschonden?

Je kan kinderen beter laten aanrommelen in de bossen en bosjes van de gemeentelijke plantsoenendiensten. Dat is dichter bij huis en altijd bereikbaar. Niet alleen op zondag als Pa een uurtje vrijmaakt om de duinen te bezoeken. kp