Categorie archief: Dood hout

De Bosbeheervisie Amsterdamse Waterleidingduinen is een bar en boos houtoogstplan

 

De ‘’Bosbeheervisie Amsterdamse Waterleidingduinen 2016 -2027’’ is geen visie, maar een plan. De ‘visie’ riekt naar de adem van de houtteler. Wat ons betreft, Herstel Inheems Duin, een slechte adem. Die niet thuishoort in het natuurbos waar de natuurbeschermer de baas moet zijn.

Natuurbeschermingsbos kent geen houtteelt

De kern van het plan, zie bladzijde 17, spreekt boekdelen:
‘’Per hectare staan gemiddeld 30 bomen met een goed stamkwaliteit (rechte, takvrije stam zonder stambeschadiging) die worden aangewezen als toekomstboom. Deze bomen worden vrijgesteld bij dunning zodat deze zo snel mogelijk een dikke stam krijgen en geoogst kunnen worden.’’

Zo’n ‘toekomstboom’ moet flink groeien, wedijverende buurbomen worden daartoe bijtijds omgezaagd.
Maar dan blijft er naast deze smalle houtteeltvakjes hoegenaamd bar weinig ruimte over voor een natuurlijke bosontwikkeling.

De ‘Bosbeheervisie’ stelt verder dat er per hectare ruimte is voor vijf zogenaamde ‘habitatbomen’, dat zijn bomen die wel stokoud mogen worden en op natuurlijke wijze mogen afsterven. De verhouding 5 habitatbomen op 30 houtteeltbomen zegt genoeg over de  onnavolgbare wereldvreemde manier waarmee de hoofdstedelijke natuurbeheerder het duinbos wenst te  gaan beheren, een Natura 2000-gebied dat onder strenge Europese natuurbeschermingsrichtlijnen valt!
Die 35 bomen hebben per hectare ieder een ruimte beschikbaar van 17 bij 17 meter. De vijf habitatbomen krijgen een schamele 14 procent van het bos toebedeeld. 14 Procent van het bos voldoet aan de Natura 2000-doelstelling! Daarbij te bedenken dat we met een versnipperd natuurbos tussen houtakkers in te maken hebben.

Natuurlijk is houtteelt in een beschermd natuurreservaat taboe. Maar de stadse koopman en D66-wethouder, de heer Udo Kock in Amsterdam, denkt daar anders over.  Hij heeft gewoon maling aan de wet. Op dit moment (midden Juli 2017) is bekend dat hij de commissieleden heeft uitgenodigd om de Waterleidingduinen met een bezoek te vereren. Op die rondleiding zal hij, ongetwijfeld samen met directeur natuurbeheer de heer Ed Cousin die er alom  om bekend staat weinig te zijn geïnteresseerd in de natuur!-proberen de raadsleden te overtuigen van het nut van houtproduktie. De dikke holle bomen waar vleermuizen in huisden en die al lang zijn omgekapt omdat ze te dicht bij het wandelpad of naast de dure rasters  stonden, zullen tijdens de excursie vast niet worden aangedaan. In september beraadt de commissie zich, en daarna neemt de raad een beslissing over het bosplan.

Overigens verkeert de houtteelt in Nederland sinds de jaren zestig in de rode cijfers.
Komen de 45 raadsleden niet tot bezinning en wijzen zij dit anti-natuurbehoudsplan niet naar de vuilnisbak, dan is een rechtszaak onontkoombaar. De rechter zal oordelen dat houtteelt niet thuishoort in een door Natura 2000-regels beschermd natuurgebied. Omdat dit  nu eenmaal tot aantasting van de zogeheten ‘natuurlijke kenmerken’ van het bos leidt.

Misschien dat de raad met een krappe meerderheid het plan verwerpt.  Zal het gaan als in december 1904, toen het Naardermeer, onze eerste natuurmonument, net niet door de Amsterdammers tot vuilnisstortplaats werd aangewezen?

De natuurlijkheid van het bos moet voorop staan

Een boom loopt niet uit het bos weg, dat is een hard natuurlijk gegeven. De natuurbeheerder moet dus consequent alle bomen laten staan of de reeds omgevallen bomen laten liggen, anders tast hij de ‘natuurlijke kwaliteit’ (juridische term) aan en is hij in overtreding met de natuurbeschermingswet, casu quo Natura 2000.
Dus met opzet bomen uit het bos wegslepen zoals dit per abuis in de Bosvisie is aangekondigd (‘op duurzame wijze hout produceren’), -dat gaat gewoon niet door.

Het afvoeren van bomen is het afvoeren van schaarse mineralen. Onder andere kalk. Voor de reeds door uitloging verarmde duinzandgronden betekent houtoogst een verdere aantasting van een ‘natuurlijke kenmerk’: die van de oorspronkelijke bodemgesteldheid. Dat zou een volgende overtreding in het kader van Natura 2000 wezen. Amsterdam moet zich niet steeds willen blootstellen aan onnodige vervolging.

Als open plekken gewenst zijn, ter bevordering van de biologische verrijking, kan dit bereikt worden door een groepje bomen te ringen. In het boek Natuurtechnisch bosbeheer stelt de auteur dr G. Londo ten aanzien van het dunnen vast:

‘’Het ringen is de belangrijkste dunningsmaatregel bij bossen met de hoofddoelstelling natuurbehoud wanneer er geen factoren aanwezig zijn die kappen noodzakelijk maken.’’

De winst van ringen is meervoudig:

a.  tijdens het proces van afsterven, dat volgt op het ringen van bomen, valt er steeds meer licht op de bodem; daardoor kan het bos zich gaan verjongen;
b.  staand dood hout is van levensbelang voor vleermuizen, spechten, larven, doodhoutpaddenstoelen, en zo voort.
c.  staand dood hout verteert langzaam, de voedingstoffen keren langzaam terug in de bodem; een plotselinge toevoer van mineralen en daardoor risico op lekkage (uitspoeling) naar de ondergrond wordt vermeden.
d.  het bosmilieu wordt aanzienlijk minder verstoord dan bij kappen en uitslepen van hout.

Van de bomen in de Nederlandse bossen -die merendeels houtteeltkundig beheerd worden-, kan verteld worden dat zij over grote oppervlakten vaak van dezelfde leeftijd zijn (en altijd halfwas volgroeid; oude bomen zijn zeldzaam). De weinige bossen die in ons land onder het natuurbehoud vallen mogen de natuur dienen en niet de houtproductie.

Gelijkjarigheid in de bospercelen van de houtteler is troef. Het natuurbos wordt daarentegen gekenmerkt door een kleinschalig en grillig mozaïek van open plekken, jonge boomfase en oudere boomgroepen, stokoude bomen en bomen die in de vervalfase verkeren. Kortom alle leeftijden door elkaar.

Boomverjonging vindt meestal plaats op de open plekken. Deze ontstaan doordat de storm gaten in het kronendak slaat of doordat bomen van ouderdom sterven. Het plotse licht op de bodem zet boomzaden aan tot ontkieming. Of de ‘wachters’ -boompjes die er reeds staan maar door gebrek aan licht in groeimogelijkheid tot dusver zijn beknot-, profiteren van het licht en schieten opeens snel de hoogte in.

Door bosomvorming doorbreekt de natuurbosbeheerder de gelijkjarigheid. Laat men dit na, dan herhalen de al aanwezige fasen van het bos zich gedurende eeuwen in het zelfde onveranderlijke tempo. Henk Koop berekende dat het ‘eeuwen’ duurt voordat het bos -bij een volkomen spontane ontwikkeling-, zich uit die gelijkjarigheid omhoog heeft getrokken naar een meer natuurlijk ritme van structurele en temporele afwisseling.

Omdat de duinbossen vrij jong zijn zal ook de biologisch interessante vervalfase van grote bomengroepen nog heel lang op zich laten wachten. Door groepjes, relatief nog jonge bomen te ringen, haalt men die vervalfase in de tijd gezien naar voren.

In het nog vrij jonge duinbos van de Waterleidingduinen is verjonging anderzijds nog niet direct aan de orde. De meeste bomen die er staan hebben nog vele tientallen jaren leven, zo niet eeuwen voor de boeg. Door nu al kunstmatig te gaan verjongen bouw je een te gering leeftijdsverschil op met de overblijvende, dus nog jonge bomen.

We zullen op deze plaats de reeds genoemde dr ir Henk Koop aanhalen. Hij schudde in de jaren 80 en 90 het Nederlandse bosbouwwereldje op met de publicatie van een aantal klassiek geworden artikelen over de omvorming van cultuurbos naar natuurbos. Waternet verzuimde zijn naam te noemen. Koop staat niet vermeld in de literatuurlijst van de Bosbeheervisie. Het uitgummen van de man die als eerste Nederlander op wetenschappelijke grondslag streefde naar een natuurlijk bosbeheer, is tekenend voor de afgang als natuurbosbeheerder, een rol die Waternet slecht speelt.

Henk Koop: ‘’Ongewenste grootschalige aftakelingen kunnen worden voorkomen door een inleidend beheer te voeren dat de kunstmatige homogeniteit doorbreekt. Aftakelingsgolven worden daarbij uit fase gehaald en een meer natuurlijk ritme van aftakeling en verjonging wordt op gang gebracht.’’

Een andere criticus van de Bosbeheervisie, de stichting Duinbehoud, vond in een reactie dat zes jaar omvormingsbeheer wel voldoende moet zijn. Een tikkeltje aan de optimistische kant. Duinbehoud vergat de regels die gelden bij het tegenwoordige omvormingsbeheer.

Koop: ‘’Heeft men op grond van de homogene uitgangsstructuur besloten tot omvorming, dan is het verschil tussen de huidige leeftijd en de geschatte fysiologische maximumleeftijd van de opstand de daarvoor resterende tijd. Over deze perioden moeten de verschillende lichtingen worden verdeeld. Hoe dichter men het einde van deze periode nadert, des te meer doen zich al spontane aftakelingsprocessen voor.’’

Die maximumleeftijd voor de Zomereik op de vrij arme duinzandgrond mogen we misschien schatten op een paar eeuwen. Op een veel langere periode dan de luttele zes jaar die onze nevenstichting ervoor wil uittrekken zal de bosomvorming beslag moeten leggen.

De bossen na zes jaar aan het spontane verloop van de natuur overlaten betekent het langdurig voortbestaan van één en dezelfde bosfase. Biologische rijkdom komt weliswaar op den duur vanzelf aanwaaien, maar dan laat de ongelijkjarige toestand met zijn structurele en biologische veelzijdigheid erg lang op zich wachten.
Door ingrijpen kan je het proces aanzienlijk versnellen, komt de biologische variatie snel naderbij. De noodzaak om nú al in het duinbos in te grijpen is er niet, het duinbos is daarvoor te jong. De omvormer neemt geduldige zijn tijd: tot wel een eeuw of meer na het heden is hij werkzaam. Het kortstondige denk- en doenwerk van Duinbehoud staat hem niet aan.

Maar het zijn toch de latere mensengeneraties die beslissen of men al voldoende biologische bosrijkdom in huis heeft, om te besluiten de natuur van het bos haar gang te laten gaan. Alleen de exoten buiten de deur houden: opkomende plantjes hiervan uittrekken, dat is de enige inbreuk op het dan spontane verloop.

De Damherten

De Bosvisie acht de noodzaak aanwezig om de bosverjonging tegen de hertenvraat te beschermen door uit te rasteren. En hier valt Waternet pardoes door de mand.

De Bosvisie is geldig tot en met 2027. Waternet geeft met die rasters aan dat Damherten tot in het jaar 2027 een gevaar vormen voor het zich verjongend duinbos. De doelstand van 800 dieren die in 2020 volgens het faunaplan moet zijn gerealiseerd, is in de daarop volgende jaren, te weten 2020-2027, kennelijk niet laag genoeg om alle habitattypen, in dit geval de bosverjongingsfase, te vrijwaren van overbegrazing.

In het nationaal park Zuid Kennemerland, driehonderd hectare groter dan de Waterleidingduinen, is de doelstand 200 Damherten. Waarom daar zo laag en in de AWD zo hoog, terwijl de vegetaties grote overeenkomsten vertonen?

Het is een publiek geheim dat de PvdA-wethouder destijds dit hoge aantal wenste, om het gebied aantrekkelijk te houden voor de recreant. Wat voor de toeristenhoofdstad een magische lokkertje is, de ontelbare coffeeshops, dat zijn de talloze Damherten voor het Amsterdamse duineigendom. Hoge bezoekersaantallen werken verslavend. Politici stellen recreatieve normen , de wet stelt natuurbehoudsecologische. En vandaar ook de juridische processen, nodig om door politici geplande fietspaden enz. tegen te houden. Straks is weer de bosbouw aan de beurt.

In de echte natuur van het noordelijk halfrond was de dichtheid van Damherten hooguit enkele dieren per honderd hectare (= 1 vierkante kilometer). De lage dichtheid wordt in hoge mate bepaald door predatoren als Wolven, Bruine beren en Lynxen (en de Poema in Noord-Amerika). In afwezigheid van die natuurlijke predatoren kan de beheerder toch evengoed een bos ontwikkelen dat qua vegetatiestructuur en biologische rijkdom grotendeels overeenkomt met het natuurlijke bos. Zolang je de grote invloed van de hertenvraat op de structuur van het bos maar weet te temperen. Wat eenvoudig is door de hertenstand op die verantwoorde, natuurlijke lage dichtheid te brengen.

Die stand ligt bij 78 Damherten.  Jaarlijks hoeven slechts ongeveer 22 dieren te worden afgeschoten, zijnde de netto-aanwas. (Of de dieren worden weggevangen en naar een hertenkamp overgebracht. De zeer betrokken dierenschermers die te hoop lopen tegen de ‘moordzuchtige mens’ willen de kosten vast wel voor hun rekening nemen.)

Dat getal van 78 rekenden wij uit aan de hand van de, voornamelijk internationale literatuur over het onderwerp. We komen uit op een dichtheid van 2,3 Damherten per 100 hectare  bosgebied. De natuurlijke stand voor de Waterleidingduinen, groot 3400 hectare, schommelt dan rond de 78 Damherten. Dit moet dan wel een absoluut maximum voor de Waterleidingduinen zijn. De herten trekken immers steeds weer naar de binnenduinbossen, waar ze zich concentreren tot een dichtheid die al snel hoger ligt dan de lage dichtheden die onder genoemde natuurlijke omstandigheden van het bos worden aangetroffen. Zouden de maximumaantallen in het iets grotere NPZK ook circa 80 dieren zijn, dan kom je opgeteld uit op ca. 160 Damherten voor het hele Natura 2000-gebied Kennemerland Zuid. En dat is tevens het minimumaantal waarbij je net niet met de wet in aanvaring komt. De wet vereist een voldoende grote en gevarieerde genenpool van het Damhert, en die is 150 herten.

Gewone Esdoorn

De Gewone esdoorn is bij ons geen uitheemse soort. De Nederlandse Ecologische Flora stelt:

‘’Het is aannemelijk dat Gewone esdoorn ons land ook zonder hulp van de mens wel via de rivierdalen zou hebben bereikt. Tegenwoordig sluit het Noordwest-Europese verspreidingsgebied ‘naadloos’’ op het Midden-Europese aan, en de Gewone esdoorn verjongt zich op grotere schaal dan het merendeel van de loofbomen die hier al voor de jaartelling groeiden.’’

De Gewone esdoorn zie je midden tussen de duindoorns opkomen, en die gaat in zijn schaduw dood. Houd de Gewone esdoorn dus uit de buurt als de instandhouding van het -internationaal zeldzame- habitattype Duindoornstruweel verplicht is gesteld. Inmiddels tot boompje uitgegroeide exemplaren elimineer je door ze te ringen.

Merkwaardig genoeg gaat de Bosvisie niet in op een andere heikele kwestie: die van het voortbestaan van het Zomereikenbos. Dat bos loopt groot gevaar te verdwijnen als gevolg van de verdringing door de Gewone esdoorn. Esdoorns priemen in een razendsnelle jeugdgroei dwars door de kroon van de Zomereik heen. Ook de lichtbehoeftige eik legt het subiet af tegen de schaduw die de Gewone esdoorn over hem werpt.

De Gewone esdoorn lijkt een climaxsoort te zijn, maar het oudere esdoornbos is biologisch interessant genoeg. De bladeren van de Gewone esdoorn nemen kalk op, de kalk wordt door de wortels uit de diepere grondlagen gezogen, door bladval in de herfst wordt de bosbodem met kalk verrijkt. Aldus werkt de Gewone esdoorn de verzuring tegen. Eiken- en Beukenblad verzuren de bodem. Ook de Beuk is een climaxsoort, die verdringt eveneens het Zomereikenbos. Maar veel zie je hem niet. De Beuk is wel aangeplant in de AW-duinen.

De spontane opeenvolging van boomsoorten, ook wel de successiereeks genaamd, zou elke natuurbosbeheerder met respect gadeslaan. Maar kies je behalve voor een natuurlijke bossuccessie tevens ook voor het behoud van algemene bosbiodiversiteit –d.w.z. richt je je op het behoud van verschillende ecosystemen en bijhorende soortenrijkdom-, dan moet je wel eikenbossen aanwijzen die gevrijwaard blijven van invasie en overheersing door de Gewone esdoorn. In die eikenbossen zal te alle tijden bestrijding van Esdoorns moeten plaatsvinden, -door het uitsteken van jonge exemplaren of het ringen van oudere. Het beheersdoel is dus tweeërlei: zowel het behoud van de bestaande eikenbossen als een spontane ontwikkeling naar esdoornbos.

En weer buitengewoon vreemd, dat in de Bosbeheervisie deze belangrijke boskwestie niet aan de orde is gesteld! Maar logisch, heeft dat niet te maken met het voornemen van de houtteelt en het houtoogsten? Dat levert een geheel ander, continu door mensenhand gestuurd bos op. Een cultuurbos.

Adelaarsvaren

Het oprukken van de velden Adelaarsvaren in de Waterleidingduinen mag een zorg zijn, het was voor de beheerder geen aanleiding om er een notitie aan te wijden.

De Adelaarsaren gedijt door de stikstofverbindingen, afkomstig van verkeer, industrie en landbouw. Stikstof is natuurlijke voeding voor de plant. Maar er daalt een te grote hoeveelheden op onze natuurgebieden neer. Ook zouden de oplopende jaartemperaturen de wildgroei van de Adelaarsvaren veroorzaken.

Wilde zwijnen zijn in staat met hun gewroet de dichte wortelmat van de varens te doorbreken. Maar het Evertzwijn is in de duinen uitgestorven. Onder een dichter wordend kronendak sterft de varen in het bos weliswaar af, en door maaibeheer is de varen goed weg te krijgen in die open delen waar uitbreiding dan wel herstel van het bos gewenst is.

De duinen zijn grotendeels van nature door bos bedekt.

Houden zo! Maar de neiging bestaat om terwille van een recreatief gevarieerd landschap stukken bos te kappen en er stuifvlakten van te maken, zoals op de Berg van Mikwel. Wij vinden dat al de bossen in het oostelijk deel van de AWD gewoon bos(landschap) moet blijven.

Bescherm het bos langs de paden. Gooi er eens paden uit.

In de duinbossen van de Waterleidingduinen ontdek je paden die niet op de wandelkaart staan. Deze zijn in de loop van de tijd vanzelf ontstaan: struiners willen voor de afwisseling wel eens een nieuwe route belopen. Nieuwe paden ontstaan ook doordat de beheerder de laatste jaren bezig is geweest alle, ja álle rustgebieden in het oostelijk deel op te heffen. Er waren er al zo weinig. Zoals recent de Berg van Mikwel: foetsie. Een breed en druk belopen pad ontstond waar eerst geen mens kwam.

We vragen ons af of voor deze bestemmingswijziging, voor deze Vondelparkzucht,  door de provincie een vergunning is afgegeven. Voorts zijn we van mening dat de bossen uitsluitend toegankelijk mogen zijn over wandelpaden. Voor de rust van de fauna, het intact laten van de bodem(tegen het kaallopen), moet het struinen verboden worden. Vanaf de vele paden is meer dan genoeg te zien. Gelukkig hebben de meeste mensen geen behoefte om van het pad af te gaan. Die enkeling is de klos.

Alsof door reuzehanden een fijnmazig visnet aan wandelpaden over de Waterleidingduinen is geworpen, van een groot aaneengesloten, intact bos is geen sprake. De mogelijkheid om de natuur in dit opzicht beter tot haar recht te laten komen zou uitvoering geven aan de verbeteropgave van Natura 2000. De ontsnippering van het duinbos komt een eind in de richting als de officieuze paden worden opgeheven, plus enige officiële. Het terreinbeheer is nu wel erg toegespitst op recreatiebeheer.
In een echt natuurlijk bos komen nooit mensen. Maar recreatie taboe verklaren is gekkenwerk, zeker in een Randstad waar velen de natuur, de ruimte en de rust nodig hebben om een beetje op adem te komen.

Op deze aspecten van de recreatie gaat de Bosvisie niet in. Hoewel de menselijke druk bepalend is voor de kwaliteit van de natuurwaarden.

Ook het bos pal naast de paden is beschermde natuur!

Daarnaast koestert Waternet het plan om de paden eens keurig op te schonen. Bomen die naar men vreest wel eens om zouden kunnen vallen, moeten om. Dit is zonder meer aantasting van natuurwaarde.

HID wil benadrukken dat ook de bosranden onder de natuurbeschermingswet vallen. Ook bomen die doodgaan dienen, misschien nog meer dan tijdens hun leven, de natuur. ’Dood hout doet leven’, luidt het vitale gezegde. Kevers, spechten, dood houtzwammen, en zo voort, het is al genoemd. Ruim een derde van alle biodiversiteit en naar schatting 50 procent van de totale bosfauna is afhankelijk van dood hout. Een dode boom kan nog vele jaren overeind staan. Staande dode bomen vervullen als speciale categorie dood hout –naast die van de liggende stammen- een cruciale rol in het natuurlijk beheerde Hollandse duinbos.

Amsterdam wil opofferen voor de recreant. In zijn overspannen streven naar veiligheid worden bomen omgezaagd in een strook van mogelijk wel twintig meter links en twintig meter rechts van de bospaden.

Die stroken bos langs de vele paden waarmee de duinbossen zijn doorsneden tikken bij elkaar aardig op. We zullen de totale oppervlakte nog eens exact uitrekenen. Maar voorlopig lijkt het erop dat Waternet enige tientallen procenten van het toch al versnipperde maar beschermde duinbos wil ontdoen van het belangrijke staande dode hout, om maar te voldoen aan de vermeende veiligheidseisen van de passant.

Is dat terecht? Stel, een dode boom valt binnen twintig jaar om, nadat hij is afgestorven. Dat omvallen gebeurt bij voorkeur tijdens een storm, het omkiepen duurt enige seconden. Dan zou er net een wandelaar onderdoor gaan?

Amsterdam sluit de bossen bij storm en ontij maar netjes af. Een laantje met veel staand dood hout wordt eenvoudigweg afgesloten. Of de wandelaar wordt stevig ontraden er te gaan wandelen. Of hij/zij doet dat op geheel eigen risico. U bent gewaarschuwd! De natuur heeft voorrang, niet de noodzaak dat élk bospad te alle tijden toegankelijk moet zijn.

Het ‘struinen’ in de bossen moet worden verboden, we zeiden het al. De Houtsnip is een doelsoort van de Habitatrichtlijn. De daarin vervatte herstelopgave verplicht Amsterdam de stand van de nu verstoorde Houtsnip omhoog te brengen. Natuurlijk zullen ook andere bosvogelsoorten profiteren van de rust in het bos.

Het ligt niet in de lijn van de verwachting dat Waternet, of de Amsterdamse raad die tot nu toe weinig om de natuurbescherming gaf, tegemoet zal komen aan de wensen van de natuurbescherming. Zij willen op de eerste plaats het natuurgebied voor het toerisme op de kaart zetten, alsof het hier ging om het Vondelpark. Illustratief voor de misplaatste aandacht voor de recreatie in een beschermde natuurgebied is de overdreven hoeveelheid foto’s van recreanten in het voorlichtingsblad Struinen.

Maar de rechter gelukkig wel. Want het is nog steeds een beschermd natuurgebied!

Conclusie

Deze zogenaamde Bosbeheervisie Amsterdamse Waterleidingduinen 2016-2027 kan zo in de kringloopbak van GroenLinks. Het plan leidt geenszins tot een natuurlijk bosbeheer dat tevens recht doet aan de Natura 2000-doelstelling.

Het voorstel tot het telen van hout in een beschermd natuurgebied is een diepe belediging voor de natuurbescherming. Wethouder Udo Kock moet eens een directie aanstellen die gevoel heeft voor de natuur en die met kennis van zaken te werk gaat.

In de Bosbeheervisie is de beschrijving van de bosomvorming naar een natuurlijker duinbos ver onder de maat. De visie is overbezorgd voor de veiligheid van de recreatie. Daaraan wordt tenminste één wezenskenmerk van het natuurlijke bos -het staand dood hout-, opgeofferd.

Waternet en de gemeente Amsterdam gaven in het verleden al ruimschoots blijk van veronachtzaming. We noemen de prunusplaag die zich niet in die volle omvang had hoeven en mogen ontwikkelen, waardoor uiteindelijk in het kader van een moeizame bestrijding hele landschappen op de schop gingen. De onkunde en desinteresse van de beleidsmakers resulteerde voorts in een plaag van Damherten die het einde betekende voor verschillende biotopen, en de vele planten- en insectensoorten en tenslotte vogelsoorten die er voorkwamen.

Nu moeten de bossen het gaan ontgelden, want er moet zo nodig hout worden geproduceerd en geoogst. Wat een ramp dat onverschillige gemeentepolitici een natuurgebied mogen beheren, de eens unieke en soortenrijke Waterleidingduinen.

Literatuur

Heybroek, H.M.,1984. Bosbeheer ten behoeve van natuurwaarden. In: Nederlands Bosbouwtijdschrift 56 (9/10): 229-239

Jansen, Patrick & Mark van Benthem, 2008. Bosbeheer en biodiversiteit [i.s.m. Stichting Probos en Het Geldersch Landschap]

Koop, H., 1981. De schaal van spontane ontwikkeling in het bos. In: Nederlands Bosbouwtijdschrift 53(3): 82-90

Koop, H., 1986. Omvormingsbeheer naar natuurlijk bos: een paradox? In: Nederlands Bosbouwtijdschrift 58(1/2): 2-11

Lenders, A.J.W., Juni 2016. Beheer van Adelaarsvaren in Nationaal Park De Meinweg. In: Natuurhistorisch Maandblad

Londo, G., 1991. Natuurtechnisch bosbeheer. Natuurbeheer in Nederland, deel 4 [Handboek Rijksinstituut voor Natuurbeheer]

Ouden, Jan den, Bart Muys, Frits Mohren & Kris Verheyen (Red.), 2011. Bosecologie en Bosbeheer. Leuven/Den Haag

Ripple, W.J. & R.L. Beschta, 2012. Large predators limit herbivore densities in northern forest ecoystems. Eur. J. Wildl. Res.

Weeda, E.J., R. Westra, Ch. Westra & T. Westra. 1999. Nederlandse Oecologische Flora, Wilde planten en hun relaties. Hilversum/Haarlem

 

 

 

 

 

 

 

 

Waarom eiken omzagen en niet geringd?

DSC_0399
Het eikebosje aan de Pannelanderweg. Is het hout soms bestemd voor de bouw van hutten. In een beschermd natuurmonument?

 

     Wat bezielt een natuurbeheerder om midden in een bos bomen te gaan zagen? Dit bos, een eikenbos in de Amsterdamse Waterleidingduinen -zie de foto’s- is immers geen productiebos, het is een op en top beschermd natuurbos!
Nu ja, dat moet het althans voorstellen. De beheerder zou de natuurlijke processen er voorrang moeten geven, eerder dan ze af te breken.

De Zomereiken staan hier vermoedelijk op arme zandgrond, sommige bomen ogen nogal spichtig. Misschien was dát de reden voor het AWD-beheer om enkele bomen te vellen: was men beducht dat het bos zou afsterven als er niet gauw gedund zou worden. In elk geval is het een geëigende methode: dunnen –het hier en daar weghalen van bomen om de overblijvers zowel ondergronds meer wortelruimte te verschaffen als bovengronds meer lucht te geven.
Zodat de boom wat in de breedte kan uitgroeien, een vollere kroon krijgt. Meer bladeren betekent meer fotosynthese, dus meer assimilaten, suikers die voor de wortels beschikbaar komen. Deze kunnen meer werk aan, water en zouten omhoog pompen. Kortom de boom vaart er wel bij.

DSC_0398

Natuurlijk dunt een bos zichzelf uit als je niets doet. Dat zag je de laatste jaren ook in dit eikenbosje aan de Pannelanderweg. Maar als de beheerder het nodig vond om de zelfdunning een handje te helpen, dan was er wel een ander manier om de gewenste bomen te laten afsterven.

Namelijk door ze te ringen, dat wil zeggen een reep uit de bast rondom de stam te zagen of te hakken. De boom sterft af, want de suikers bereiken de wortels niet meer.
Een staande dode boom is goed voor organismen die een specifiek belang hebben bij verterend hout dat zich boven de grond verheft. Bepaalde zwammen of insecten. En spechten die er graag holten in uithakken.

Waarom zijn dus die bomen omgezaagd in plaats van geringd?
Liggend dood hout komt gelukkig vrij veel voor, aan staand dood hout is eerder gebrek.

Tweede klacht: waarom werden die omgezaagde bomen in mootjes gehakt, zoals is gebeurd? Het is beter dat de omgevallen boom een constant vochtgehalte bevat; en korte stammen drogen eerder uit, aan de kopse kant. Dat doorzagen in stukken slaat nergens op. Bovendien bestaat het gevaar dat vaders met zonen de hanteerbare stammen wegslepen om verder aan de hut te bouwen.

DSC_0396 In mootjs gezaagd Eikebos panneland. Van 0396 tot 0403 panneland

Of was dat soms de bedoeling? In elk geval komt het liggend hout bij de hut overeind te staan, dat is dan nog een voordeel. Bij die hutten steken dikke takken en stammen schuin rechtop. Een zeer grote hut zie je even aan de overkant van het eikenbos op een open veld, dat is een voormalige akker, zie de eerste foto.  Die hut staat evenwel in de volle zon, en dat is dan weer een nadeel voor het dode hout, dat aan uitdroging blootstaat.

Overal zie je de laatste jaren dergelijke hutten in de beschermde duinbossen verschijnen. De grond er omheen is kaalgelopen. Wat blijft er nog over van een natuurlijk bosaanzicht? Ja, en in hoeverre worden de natuurbeschermingsregels geschonden?

Je kan kinderen beter laten aanrommelen in de bossen en bosjes van de gemeentelijke plantsoenendiensten. Dat is dichter bij huis en altijd bereikbaar. Niet alleen op zondag als Pa een uurtje vrijmaakt om de duinen te bezoeken. kp

 

 

 

 

Er is maar ‘iets meer’ schade dan u denkt, suffe burger.

 

Udo Kock (D66), econoom, voert tegenwoordig bij gebrek aan biologen de ecologie aan in de Amsterdamse Waterleidingduinen.
Udo Kock (D66), economisch rekenmeester, voert tegenwoordig, kennelijk door gebrek aan biologen, het natuurbeheer en de  ecologie aan in de Amsterdamse Waterleidingduinen.

 

Hoelang nog duurt de misleidende informatie om de kap van honderden bomen in een natuurbos te verdoezelen ?

Naar aanleiding van klachten over het omzagen van een reeks dode bomen in het Bos van Oase in de Amsterdamse Waterleidingduinen en de vragen die rezen in de raadscommissie Financiën, verscheen d.d. 26 maart een brief van wethouder Kock.
Ondergetekende ontving voorts een antwoord van hoofd natuurbeheer van de Amsterdamse Waterleidingduinen, de heer Ed Cousin uit Vogelenzang. Op beide brieven is stevige kritiek mogelijk die ik de lezer niet wil onthouden.

De wethouder schrijft:
‘’Aan uitheemse houtsoorten zoals Amerikaanse vogelkers (prunus ook wel bospest genaamd) zijn relatief weinig organismen gebonden.’’.

Het boek ‘Amerikaanse vogelkers’ (1) noemt 92 soorten geleedpotigen die als afbraakorganismen op de uitheemse prunus dienst doen; dit betreft vermoedelijk niet-soort specifieke organismen. De verterende Amerikaanse vogelkers bindt o.a. 59 keversoorten,de eik liefst 490 soorten, en de Gewone esdoorn 151 niet-soort specifieke kevers. Dat laatste getal komt aardig in de buurt van de 92 soorten van de Am. vogelkers: (Bosecologie en bosbeheer (2), blz. 432).

Enige relativering van de aan dood hout gebonden geleedpotigen is dus weliswaar op zijn plaats, maar dat neemt niet weg dat er in onze bossen nog zó weinig dood houtmassa te vinden is, dat elke dode stam die gered wordt mooi is meegenomen. Terecht twittert @beheerAWD op 29 november jl. dan ook: ‘’uiteraard streven wij naar veel staand dood hout’’. Maar houden zij zich eraan?

Naast insecten is dood hout ook van groot belang voor zwammen. “De meeste houtpaddenstoelen leven van dood hout (saprofyten).’’
(2, blz. 429).

Het boek ‘Amerikaanse vogelkers’ toont een foto van een dode Amerikaanse prunusstam met spechtengat. Vogels zoeken op staand dood hout zowel nestgelegenheid als voedsel. Dat dergelijke bomen door de beheerder deze winter bij honderden tegelijk werden omgezaagd, is daarom godgeklaagd.

Door toevallige coalitievorming is een financiële rekenmeester, Udo Kock, tevens de politieke bovenmeester van het natuurbeheer geworden. Zo zit dat in Nederland. De wethouder schrijft:

‘’De woekerende prunus wordt ook bestreden om de oorspronkelijke duinbegroeiing te herstellen. Waternet streeft er bij de bestrijding van prunus naar de bodem te verschralen door de prunusbomen na het vellen te verwijderen en daarmee tevens de kans op terugkeer van de prunus te verminderen.’’

Dit klopt helemaal waar het de restauratie van de duingraslanden betreft. Die zijn gebaat bij een meer schrale bodem. Maar wethouder, om u bij de les te houden: het ging over het duinbos, en nergens anders over!

De ring is even boven het zaagvlak zichtbaar. Dit omkappen van een spechtenboom is gewoon onzorgvuldig bosbeheer. De wethouder zegt echter: 'we beheren zorgvuldig'
De ring is even boven het zaagvlak zichtbaar. Dit omkappen van een spechtenboom is gewoon onzorgvuldig bosbeheer. De wethouder zegt echter: ‘we beheren zorgvuldig’

Over niet geringe oppervlakten bos worden in de AWD levende bomen geveld en uit het bos gesleept. Waarschijnlijk verdwijnen die in de kachel van de medewerkers of de vrijwilligers. Door het verwijderen van die stammen onttrek je de noodzakelijke voedingstoffen aan het bos. In het leerboek ‘Bosecologie en bosbeheer’ staat:

‘’De oogst van hout zorgt eveneens voor het verwijderen van nutriënten uit het ecosysteem.’’ […] Maar op zure, nutriëntenarme bodems kan bodemverzuring worden versneld door het wegnemen van een groot deel van de door de vegetatie opgenomen basische kationen.’’ (2, blz. 414).

De bodem van het Bos van Oase is tenminste oppervlakkig verzuurd, zoals dat op zandgronden vaak het geval is. Die bomen hadden het bos niet uit gemogen! Ze hadden trouwens geringd dienen te worden teneinde over meer staand dood hout te beschikken. Derhalve dubbel gemiste kans. Eens te meer blijkt dat de wethouder ecologisch niet alles op een rijtje heeft staan. Het is dan ook een ramp dat het beheer van een Natura 2000-gebied door onvoldoende vakkennis wordt begeleid. Het natuurbeheer valt zeer ten onrechte in handen van een econoom en niet van een ecoloog, waar dat van nature toch zo thuishoort.

Kock schrijft: ‘’Daar waar vallend dood hout risico’s voor de bezoekers kan opleveren wordt dood hout verwijderd.’’

Commentaar: Er lopen vele (drukke) wandelpaden door de AW-duinbossen, waardoor een substantieel deel zich momenteel niet op geheel natuurlijke wijze kan ontwikkelen en waarmee niet wordt voldaan aan het behalen van de wettelijk vereiste ‘gunstige staat van instandhouding’.

Daar komt nu bij: een staande dode boom zal eens omvallen, die heeft de kans in de richting van het wandelpad om te vallen. Laten we zeggen bomen die tot 15 meter in het bos staan. Mogelijk resteert 60 procent van het AWD-bos dat zich op natuurlijke mag ontwikkelen indien de beheerder veiligheidshalve besluit in deze strook alle dode bomen te vellen.  Dan wordt weer niet voldaan aan de status van wettelijk beschermd natuurmonument, waarvan de aanwijzing uit 1996 vigerend is.

Logisch is, om bij storm de bossen af te sluiten voor het publiek. Overigens zou je de paden tijdelijk moeten afsluiten als er teveel dode bomen langs komen te staan. Het betreffende bosdeel is dan qua rust wat groter, en dat is voor de natuur in haar geheel alleen maar goed.
Voor de rest der gevallen tekent het publiek maar zijn eigen doodvonnis, een natuurreservaat is er niet om de recreërende mensheid van de ondergang te redden. De kans echter dat een boomstam die wel 15 jaar overeind staat net omvalt op het moment dat je erlangs loopt is 5 seconden op 15 jaar. Je wint in dit geval, heb ik berekend wethouder, eerder 15 miljoen in de Staatsloterij.

De brief van de wethouder vindt u hier: http://zoeken.amsterdam.raadsinformatie.nl/cgi-bin/showdoc.cgi/action=view/id=234398/type=pdf/Brief_wethouder_Kock_d.d._26_maart_2015.pdf

De brief d.d. 18 maart die de heer Cousin mij stuurde bevestigt de grote rol die staand en liggend dood hout in het bosecosysteem vervult. Maar hij stapt deerlijk mis waar hij beweert:

‘’Bij de werkzaamheden rondom de Oranjekom zijn iets meer bomen weggehaald dan eigenlijk de bedoeling was maar daarmee is geen sprake van gewijzigde inzichten m.b.t. de waarde van dood hout.’’

Herhaalde bezoeken in het bos geven elke keer opnieuw het beeld te zien van honderden omgezaagde, enige jaren geleden geringde en afgestorven prunusbomen. Minachting voor de specht en minachting voor de waarheid. ‘Iets meer’? Dat is ver bezijden de waarheid, mijnheer Cousin.

De heer Ed Cousin, sinds jaar en dag hopfd natuurbeheer van de AWD
De heer Ed Cousin, hier in zijn jongere jaren, sinds jaar en dag hoofd natuurbeheer van de AWD

Ik geloof niet in een ongeluk. In het Haarlems Dagblad van 11 maart 2011 sprak de heer Immerzeel, collega-beheerder,  zijn weerzin uit over de vele geringde bomen. En sommige bomen waren blauw gemarkeerd. Waarom was dat? Hoe wil men dit verklaren?
De onverkwikkelijke natuuraffaire bracht tot op heden niet aan het licht a. wié de bomen heeft omgezaagd en b. wié daartoe de opdracht gaf.
Wellicht is er een raadslid bereid om opheldering te verschaffen, door even door te vragen? We dringen  hier sterk op aan, immers zolang het niet verrot is moet het onderste hout boven komen drijven.

Tot slot. Wist Amsterdam ervan dat boswachter Heeremans dwars door dit relatief nóg grootste en meest stille duinbos van de AWD een privépad naar zijn woning heeft aangelegd? Alle takken en boomstammen zijn opzij geschoven. Bewaar toch de stilte in dit vrij unieke bos! Geef geen gelegenheid tot recreatiedrukte, zo gevaarlijk dichtbij de ingang!

Opperboswachter Kock en subaltern hoofdboswachter de heer Cousin overtraden de Beheervisie AWD 2011-2022. In de visie staat niets vermeld over het openen van een nieuw bospad. De bossen elders in het duingebied zijn al vergeven van de paden, de natuur begint zo steeds meer te lijken op het Vondelpark.

God, geef de duinen een beheerder die behoedzaam met de natuur omspringt. Raad, zet die mannetjes die knoeien eens op hun plaats.

voor Stichting Herstel Inheems Duin,
K. Piël

Literatuur:
(1) Amerikaanse vogelkers -van bospest tot bosboom. Door Bart Nyssen et al. Zeist, 1013, 160 blz.
(2) Bosecologie en bosbeheer. Door Jan den Ouden, Bart Muys, Frits Mohren en Kris Verheyen (red.), Den Haag/Leuven, 2e druk 2011, 674 blz.
(3) Bosbeheer en biodiversiteit –natuurbehoud, biodiversiteit als beheerdoel, praktisch bosbeheer. Door Patrick Jansen en Mark van Benthem, Utrecht 2008, 214 blz.

Eerdere delen in deze vervolgserie van ‘t dode bomenbos zijn te vinden in  ‘berichten’ van 7 februari , 12 februari, 5 maart en 5 april.