Categorie archief: NPZK

De Bosbeheervisie Amsterdamse Waterleidingduinen is een bar en boos houtoogstplan

 

De ‘’Bosbeheervisie Amsterdamse Waterleidingduinen 2016 -2027’’ is geen visie, maar een plan. De ‘visie’ riekt naar de adem van de houtteler. Wat ons betreft, Herstel Inheems Duin, een slechte adem. Die niet thuishoort in het natuurbos waar de natuurbeschermer de baas moet zijn.

Natuurbeschermingsbos kent geen houtteelt

De kern van het plan, zie bladzijde 17, spreekt boekdelen:
‘’Per hectare staan gemiddeld 30 bomen met een goed stamkwaliteit (rechte, takvrije stam zonder stambeschadiging) die worden aangewezen als toekomstboom. Deze bomen worden vrijgesteld bij dunning zodat deze zo snel mogelijk een dikke stam krijgen en geoogst kunnen worden.’’

Zo’n ‘toekomstboom’ moet flink groeien, wedijverende buurbomen worden daartoe bijtijds omgezaagd.
Maar dan blijft er naast deze smalle houtteeltvakjes hoegenaamd bar weinig ruimte over voor een natuurlijke bosontwikkeling.

De ‘Bosbeheervisie’ stelt verder dat er per hectare ruimte is voor vijf zogenaamde ‘habitatbomen’, dat zijn bomen die wel stokoud mogen worden en op natuurlijke wijze mogen afsterven. De verhouding 5 habitatbomen op 30 houtteeltbomen zegt genoeg over de  onnavolgbare wereldvreemde manier waarmee de hoofdstedelijke natuurbeheerder het duinbos wenst te  gaan beheren, een Natura 2000-gebied dat onder strenge Europese natuurbeschermingsrichtlijnen valt!
Die 35 bomen hebben per hectare ieder een ruimte beschikbaar van 17 bij 17 meter. De vijf habitatbomen krijgen een schamele 14 procent van het bos toebedeeld. 14 Procent van het bos voldoet aan de Natura 2000-doelstelling! Daarbij te bedenken dat we met een versnipperd natuurbos tussen houtakkers in te maken hebben.

Natuurlijk is houtteelt in een beschermd natuurreservaat taboe. Maar de stadse koopman en D66-wethouder, de heer Udo Kock in Amsterdam, denkt daar anders over.  Hij heeft gewoon maling aan de wet. Op dit moment (midden Juli 2017) is bekend dat hij de commissieleden heeft uitgenodigd om de Waterleidingduinen met een bezoek te vereren. Op die rondleiding zal hij, ongetwijfeld samen met directeur natuurbeheer de heer Ed Cousin die er alom  om bekend staat weinig te zijn geïnteresseerd in de natuur!-proberen de raadsleden te overtuigen van het nut van houtproduktie. De dikke holle bomen waar vleermuizen in huisden en die al lang zijn omgekapt omdat ze te dicht bij het wandelpad of naast de dure rasters  stonden, zullen tijdens de excursie vast niet worden aangedaan. In september beraadt de commissie zich, en daarna neemt de raad een beslissing over het bosplan.

Overigens verkeert de houtteelt in Nederland sinds de jaren zestig in de rode cijfers.
Komen de 45 raadsleden niet tot bezinning en wijzen zij dit anti-natuurbehoudsplan niet naar de vuilnisbak, dan is een rechtszaak onontkoombaar. De rechter zal oordelen dat houtteelt niet thuishoort in een door Natura 2000-regels beschermd natuurgebied. Omdat dit  nu eenmaal tot aantasting van de zogeheten ‘natuurlijke kenmerken’ van het bos leidt.

Misschien dat de raad met een krappe meerderheid het plan verwerpt.  Zal het gaan als in december 1904, toen het Naardermeer, onze eerste natuurmonument, net niet door de Amsterdammers tot vuilnisstortplaats werd aangewezen?

De natuurlijkheid van het bos moet voorop staan

Een boom loopt niet uit het bos weg, dat is een hard natuurlijk gegeven. De natuurbeheerder moet dus consequent alle bomen laten staan of de reeds omgevallen bomen laten liggen, anders tast hij de ‘natuurlijke kwaliteit’ (juridische term) aan en is hij in overtreding met de natuurbeschermingswet, casu quo Natura 2000.
Dus met opzet bomen uit het bos wegslepen zoals dit per abuis in de Bosvisie is aangekondigd (‘op duurzame wijze hout produceren’), -dat gaat gewoon niet door.

Het afvoeren van bomen is het afvoeren van schaarse mineralen. Onder andere kalk. Voor de reeds door uitloging verarmde duinzandgronden betekent houtoogst een verdere aantasting van een ‘natuurlijke kenmerk’: die van de oorspronkelijke bodemgesteldheid. Dat zou een volgende overtreding in het kader van Natura 2000 wezen. Amsterdam moet zich niet steeds willen blootstellen aan onnodige vervolging.

Als open plekken gewenst zijn, ter bevordering van de biologische verrijking, kan dit bereikt worden door een groepje bomen te ringen. In het boek Natuurtechnisch bosbeheer stelt de auteur dr G. Londo ten aanzien van het dunnen vast:

‘’Het ringen is de belangrijkste dunningsmaatregel bij bossen met de hoofddoelstelling natuurbehoud wanneer er geen factoren aanwezig zijn die kappen noodzakelijk maken.’’

De winst van ringen is meervoudig:

a.  tijdens het proces van afsterven, dat volgt op het ringen van bomen, valt er steeds meer licht op de bodem; daardoor kan het bos zich gaan verjongen;
b.  staand dood hout is van levensbelang voor vleermuizen, spechten, larven, doodhoutpaddenstoelen, en zo voort.
c.  staand dood hout verteert langzaam, de voedingstoffen keren langzaam terug in de bodem; een plotselinge toevoer van mineralen en daardoor risico op lekkage (uitspoeling) naar de ondergrond wordt vermeden.
d.  het bosmilieu wordt aanzienlijk minder verstoord dan bij kappen en uitslepen van hout.

Van de bomen in de Nederlandse bossen -die merendeels houtteeltkundig beheerd worden-, kan verteld worden dat zij over grote oppervlakten vaak van dezelfde leeftijd zijn (en altijd halfwas volgroeid; oude bomen zijn zeldzaam). De weinige bossen die in ons land onder het natuurbehoud vallen mogen de natuur dienen en niet de houtproductie.

Gelijkjarigheid in de bospercelen van de houtteler is troef. Het natuurbos wordt daarentegen gekenmerkt door een kleinschalig en grillig mozaïek van open plekken, jonge boomfase en oudere boomgroepen, stokoude bomen en bomen die in de vervalfase verkeren. Kortom alle leeftijden door elkaar.

Boomverjonging vindt meestal plaats op de open plekken. Deze ontstaan doordat de storm gaten in het kronendak slaat of doordat bomen van ouderdom sterven. Het plotse licht op de bodem zet boomzaden aan tot ontkieming. Of de ‘wachters’ -boompjes die er reeds staan maar door gebrek aan licht in groeimogelijkheid tot dusver zijn beknot-, profiteren van het licht en schieten opeens snel de hoogte in.

Door bosomvorming doorbreekt de natuurbosbeheerder de gelijkjarigheid. Laat men dit na, dan herhalen de al aanwezige fasen van het bos zich gedurende eeuwen in het zelfde onveranderlijke tempo. Henk Koop berekende dat het ‘eeuwen’ duurt voordat het bos -bij een volkomen spontane ontwikkeling-, zich uit die gelijkjarigheid omhoog heeft getrokken naar een meer natuurlijk ritme van structurele en temporele afwisseling.

Omdat de duinbossen vrij jong zijn zal ook de biologisch interessante vervalfase van grote bomengroepen nog heel lang op zich laten wachten. Door groepjes, relatief nog jonge bomen te ringen, haalt men die vervalfase in de tijd gezien naar voren.

In het nog vrij jonge duinbos van de Waterleidingduinen is verjonging anderzijds nog niet direct aan de orde. De meeste bomen die er staan hebben nog vele tientallen jaren leven, zo niet eeuwen voor de boeg. Door nu al kunstmatig te gaan verjongen bouw je een te gering leeftijdsverschil op met de overblijvende, dus nog jonge bomen.

We zullen op deze plaats de reeds genoemde dr ir Henk Koop aanhalen. Hij schudde in de jaren 80 en 90 het Nederlandse bosbouwwereldje op met de publicatie van een aantal klassiek geworden artikelen over de omvorming van cultuurbos naar natuurbos. Waternet verzuimde zijn naam te noemen. Koop staat niet vermeld in de literatuurlijst van de Bosbeheervisie. Het uitgummen van de man die als eerste Nederlander op wetenschappelijke grondslag streefde naar een natuurlijk bosbeheer, is tekenend voor de afgang als natuurbosbeheerder, een rol die Waternet slecht speelt.

Henk Koop: ‘’Ongewenste grootschalige aftakelingen kunnen worden voorkomen door een inleidend beheer te voeren dat de kunstmatige homogeniteit doorbreekt. Aftakelingsgolven worden daarbij uit fase gehaald en een meer natuurlijk ritme van aftakeling en verjonging wordt op gang gebracht.’’

Een andere criticus van de Bosbeheervisie, de stichting Duinbehoud, vond in een reactie dat zes jaar omvormingsbeheer wel voldoende moet zijn. Een tikkeltje aan de optimistische kant. Duinbehoud vergat de regels die gelden bij het tegenwoordige omvormingsbeheer.

Koop: ‘’Heeft men op grond van de homogene uitgangsstructuur besloten tot omvorming, dan is het verschil tussen de huidige leeftijd en de geschatte fysiologische maximumleeftijd van de opstand de daarvoor resterende tijd. Over deze perioden moeten de verschillende lichtingen worden verdeeld. Hoe dichter men het einde van deze periode nadert, des te meer doen zich al spontane aftakelingsprocessen voor.’’

Die maximumleeftijd voor de Zomereik op de vrij arme duinzandgrond mogen we misschien schatten op een paar eeuwen. Op een veel langere periode dan de luttele zes jaar die onze nevenstichting ervoor wil uittrekken zal de bosomvorming beslag moeten leggen.

De bossen na zes jaar aan het spontane verloop van de natuur overlaten betekent het langdurig voortbestaan van één en dezelfde bosfase. Biologische rijkdom komt weliswaar op den duur vanzelf aanwaaien, maar dan laat de ongelijkjarige toestand met zijn structurele en biologische veelzijdigheid erg lang op zich wachten.
Door ingrijpen kan je het proces aanzienlijk versnellen, komt de biologische variatie snel naderbij. De noodzaak om nú al in het duinbos in te grijpen is er niet, het duinbos is daarvoor te jong. De omvormer neemt geduldige zijn tijd: tot wel een eeuw of meer na het heden is hij werkzaam. Het kortstondige denk- en doenwerk van Duinbehoud staat hem niet aan.

Maar het zijn toch de latere mensengeneraties die beslissen of men al voldoende biologische bosrijkdom in huis heeft, om te besluiten de natuur van het bos haar gang te laten gaan. Alleen de exoten buiten de deur houden: opkomende plantjes hiervan uittrekken, dat is de enige inbreuk op het dan spontane verloop.

De Damherten

De Bosvisie acht de noodzaak aanwezig om de bosverjonging tegen de hertenvraat te beschermen door uit te rasteren. En hier valt Waternet pardoes door de mand.

De Bosvisie is geldig tot en met 2027. Waternet geeft met die rasters aan dat Damherten tot in het jaar 2027 een gevaar vormen voor het zich verjongend duinbos. De doelstand van 800 dieren die in 2020 volgens het faunaplan moet zijn gerealiseerd, is in de daarop volgende jaren, te weten 2020-2027, kennelijk niet laag genoeg om alle habitattypen, in dit geval de bosverjongingsfase, te vrijwaren van overbegrazing.

In het nationaal park Zuid Kennemerland, driehonderd hectare groter dan de Waterleidingduinen, is de doelstand 200 Damherten. Waarom daar zo laag en in de AWD zo hoog, terwijl de vegetaties grote overeenkomsten vertonen?

Het is een publiek geheim dat de PvdA-wethouder destijds dit hoge aantal wenste, om het gebied aantrekkelijk te houden voor de recreant. Wat voor de toeristenhoofdstad een magische lokkertje is, de ontelbare coffeeshops, dat zijn de talloze Damherten voor het Amsterdamse duineigendom. Hoge bezoekersaantallen werken verslavend. Politici stellen recreatieve normen , de wet stelt natuurbehoudsecologische. En vandaar ook de juridische processen, nodig om door politici geplande fietspaden enz. tegen te houden. Straks is weer de bosbouw aan de beurt.

In de echte natuur van het noordelijk halfrond was de dichtheid van Damherten hooguit enkele dieren per honderd hectare (= 1 vierkante kilometer). De lage dichtheid wordt in hoge mate bepaald door predatoren als Wolven, Bruine beren en Lynxen (en de Poema in Noord-Amerika). In afwezigheid van die natuurlijke predatoren kan de beheerder toch evengoed een bos ontwikkelen dat qua vegetatiestructuur en biologische rijkdom grotendeels overeenkomt met het natuurlijke bos. Zolang je de grote invloed van de hertenvraat op de structuur van het bos maar weet te temperen. Wat eenvoudig is door de hertenstand op die verantwoorde, natuurlijke lage dichtheid te brengen.

Die stand ligt bij 78 Damherten.  Jaarlijks hoeven slechts ongeveer 22 dieren te worden afgeschoten, zijnde de netto-aanwas. (Of de dieren worden weggevangen en naar een hertenkamp overgebracht. De zeer betrokken dierenschermers die te hoop lopen tegen de ‘moordzuchtige mens’ willen de kosten vast wel voor hun rekening nemen.)

Dat getal van 78 rekenden wij uit aan de hand van de, voornamelijk internationale literatuur over het onderwerp. We komen uit op een dichtheid van 2,3 Damherten per 100 hectare  bosgebied. De natuurlijke stand voor de Waterleidingduinen, groot 3400 hectare, schommelt dan rond de 78 Damherten. Dit moet dan wel een absoluut maximum voor de Waterleidingduinen zijn. De herten trekken immers steeds weer naar de binnenduinbossen, waar ze zich concentreren tot een dichtheid die al snel hoger ligt dan de lage dichtheden die onder genoemde natuurlijke omstandigheden van het bos worden aangetroffen. Zouden de maximumaantallen in het iets grotere NPZK ook circa 80 dieren zijn, dan kom je opgeteld uit op ca. 160 Damherten voor het hele Natura 2000-gebied Kennemerland Zuid. En dat is tevens het minimumaantal waarbij je net niet met de wet in aanvaring komt. De wet vereist een voldoende grote en gevarieerde genenpool van het Damhert, en die is 150 herten.

Gewone Esdoorn

De Gewone esdoorn is bij ons geen uitheemse soort. De Nederlandse Ecologische Flora stelt:

‘’Het is aannemelijk dat Gewone esdoorn ons land ook zonder hulp van de mens wel via de rivierdalen zou hebben bereikt. Tegenwoordig sluit het Noordwest-Europese verspreidingsgebied ‘naadloos’’ op het Midden-Europese aan, en de Gewone esdoorn verjongt zich op grotere schaal dan het merendeel van de loofbomen die hier al voor de jaartelling groeiden.’’

De Gewone esdoorn zie je midden tussen de duindoorns opkomen, en die gaat in zijn schaduw dood. Houd de Gewone esdoorn dus uit de buurt als de instandhouding van het -internationaal zeldzame- habitattype Duindoornstruweel verplicht is gesteld. Inmiddels tot boompje uitgegroeide exemplaren elimineer je door ze te ringen.

Merkwaardig genoeg gaat de Bosvisie niet in op een andere heikele kwestie: die van het voortbestaan van het Zomereikenbos. Dat bos loopt groot gevaar te verdwijnen als gevolg van de verdringing door de Gewone esdoorn. Esdoorns priemen in een razendsnelle jeugdgroei dwars door de kroon van de Zomereik heen. Ook de lichtbehoeftige eik legt het subiet af tegen de schaduw die de Gewone esdoorn over hem werpt.

De Gewone esdoorn lijkt een climaxsoort te zijn, maar het oudere esdoornbos is biologisch interessant genoeg. De bladeren van de Gewone esdoorn nemen kalk op, de kalk wordt door de wortels uit de diepere grondlagen gezogen, door bladval in de herfst wordt de bosbodem met kalk verrijkt. Aldus werkt de Gewone esdoorn de verzuring tegen. Eiken- en Beukenblad verzuren de bodem. Ook de Beuk is een climaxsoort, die verdringt eveneens het Zomereikenbos. Maar veel zie je hem niet. De Beuk is wel aangeplant in de AW-duinen.

De spontane opeenvolging van boomsoorten, ook wel de successiereeks genaamd, zou elke natuurbosbeheerder met respect gadeslaan. Maar kies je behalve voor een natuurlijke bossuccessie tevens ook voor het behoud van algemene bosbiodiversiteit –d.w.z. richt je je op het behoud van verschillende ecosystemen en bijhorende soortenrijkdom-, dan moet je wel eikenbossen aanwijzen die gevrijwaard blijven van invasie en overheersing door de Gewone esdoorn. In die eikenbossen zal te alle tijden bestrijding van Esdoorns moeten plaatsvinden, -door het uitsteken van jonge exemplaren of het ringen van oudere. Het beheersdoel is dus tweeërlei: zowel het behoud van de bestaande eikenbossen als een spontane ontwikkeling naar esdoornbos.

En weer buitengewoon vreemd, dat in de Bosbeheervisie deze belangrijke boskwestie niet aan de orde is gesteld! Maar logisch, heeft dat niet te maken met het voornemen van de houtteelt en het houtoogsten? Dat levert een geheel ander, continu door mensenhand gestuurd bos op. Een cultuurbos.

Adelaarsvaren

Het oprukken van de velden Adelaarsvaren in de Waterleidingduinen mag een zorg zijn, het was voor de beheerder geen aanleiding om er een notitie aan te wijden.

De Adelaarsaren gedijt door de stikstofverbindingen, afkomstig van verkeer, industrie en landbouw. Stikstof is natuurlijke voeding voor de plant. Maar er daalt een te grote hoeveelheden op onze natuurgebieden neer. Ook zouden de oplopende jaartemperaturen de wildgroei van de Adelaarsvaren veroorzaken.

Wilde zwijnen zijn in staat met hun gewroet de dichte wortelmat van de varens te doorbreken. Maar het Evertzwijn is in de duinen uitgestorven. Onder een dichter wordend kronendak sterft de varen in het bos weliswaar af, en door maaibeheer is de varen goed weg te krijgen in die open delen waar uitbreiding dan wel herstel van het bos gewenst is.

De duinen zijn grotendeels van nature door bos bedekt.

Houden zo! Maar de neiging bestaat om terwille van een recreatief gevarieerd landschap stukken bos te kappen en er stuifvlakten van te maken, zoals op de Berg van Mikwel. Wij vinden dat al de bossen in het oostelijk deel van de AWD gewoon bos(landschap) moet blijven.

Bescherm het bos langs de paden. Gooi er eens paden uit.

In de duinbossen van de Waterleidingduinen ontdek je paden die niet op de wandelkaart staan. Deze zijn in de loop van de tijd vanzelf ontstaan: struiners willen voor de afwisseling wel eens een nieuwe route belopen. Nieuwe paden ontstaan ook doordat de beheerder de laatste jaren bezig is geweest alle, ja álle rustgebieden in het oostelijk deel op te heffen. Er waren er al zo weinig. Zoals recent de Berg van Mikwel: foetsie. Een breed en druk belopen pad ontstond waar eerst geen mens kwam.

We vragen ons af of voor deze bestemmingswijziging, voor deze Vondelparkzucht,  door de provincie een vergunning is afgegeven. Voorts zijn we van mening dat de bossen uitsluitend toegankelijk mogen zijn over wandelpaden. Voor de rust van de fauna, het intact laten van de bodem(tegen het kaallopen), moet het struinen verboden worden. Vanaf de vele paden is meer dan genoeg te zien. Gelukkig hebben de meeste mensen geen behoefte om van het pad af te gaan. Die enkeling is de klos.

Alsof door reuzehanden een fijnmazig visnet aan wandelpaden over de Waterleidingduinen is geworpen, van een groot aaneengesloten, intact bos is geen sprake. De mogelijkheid om de natuur in dit opzicht beter tot haar recht te laten komen zou uitvoering geven aan de verbeteropgave van Natura 2000. De ontsnippering van het duinbos komt een eind in de richting als de officieuze paden worden opgeheven, plus enige officiële. Het terreinbeheer is nu wel erg toegespitst op recreatiebeheer.
In een echt natuurlijk bos komen nooit mensen. Maar recreatie taboe verklaren is gekkenwerk, zeker in een Randstad waar velen de natuur, de ruimte en de rust nodig hebben om een beetje op adem te komen.

Op deze aspecten van de recreatie gaat de Bosvisie niet in. Hoewel de menselijke druk bepalend is voor de kwaliteit van de natuurwaarden.

Ook het bos pal naast de paden is beschermde natuur!

Daarnaast koestert Waternet het plan om de paden eens keurig op te schonen. Bomen die naar men vreest wel eens om zouden kunnen vallen, moeten om. Dit is zonder meer aantasting van natuurwaarde.

HID wil benadrukken dat ook de bosranden onder de natuurbeschermingswet vallen. Ook bomen die doodgaan dienen, misschien nog meer dan tijdens hun leven, de natuur. ’Dood hout doet leven’, luidt het vitale gezegde. Kevers, spechten, dood houtzwammen, en zo voort, het is al genoemd. Ruim een derde van alle biodiversiteit en naar schatting 50 procent van de totale bosfauna is afhankelijk van dood hout. Een dode boom kan nog vele jaren overeind staan. Staande dode bomen vervullen als speciale categorie dood hout –naast die van de liggende stammen- een cruciale rol in het natuurlijk beheerde Hollandse duinbos.

Amsterdam wil opofferen voor de recreant. In zijn overspannen streven naar veiligheid worden bomen omgezaagd in een strook van mogelijk wel twintig meter links en twintig meter rechts van de bospaden.

Die stroken bos langs de vele paden waarmee de duinbossen zijn doorsneden tikken bij elkaar aardig op. We zullen de totale oppervlakte nog eens exact uitrekenen. Maar voorlopig lijkt het erop dat Waternet enige tientallen procenten van het toch al versnipperde maar beschermde duinbos wil ontdoen van het belangrijke staande dode hout, om maar te voldoen aan de vermeende veiligheidseisen van de passant.

Is dat terecht? Stel, een dode boom valt binnen twintig jaar om, nadat hij is afgestorven. Dat omvallen gebeurt bij voorkeur tijdens een storm, het omkiepen duurt enige seconden. Dan zou er net een wandelaar onderdoor gaan?

Amsterdam sluit de bossen bij storm en ontij maar netjes af. Een laantje met veel staand dood hout wordt eenvoudigweg afgesloten. Of de wandelaar wordt stevig ontraden er te gaan wandelen. Of hij/zij doet dat op geheel eigen risico. U bent gewaarschuwd! De natuur heeft voorrang, niet de noodzaak dat élk bospad te alle tijden toegankelijk moet zijn.

Het ‘struinen’ in de bossen moet worden verboden, we zeiden het al. De Houtsnip is een doelsoort van de Habitatrichtlijn. De daarin vervatte herstelopgave verplicht Amsterdam de stand van de nu verstoorde Houtsnip omhoog te brengen. Natuurlijk zullen ook andere bosvogelsoorten profiteren van de rust in het bos.

Het ligt niet in de lijn van de verwachting dat Waternet, of de Amsterdamse raad die tot nu toe weinig om de natuurbescherming gaf, tegemoet zal komen aan de wensen van de natuurbescherming. Zij willen op de eerste plaats het natuurgebied voor het toerisme op de kaart zetten, alsof het hier ging om het Vondelpark. Illustratief voor de misplaatste aandacht voor de recreatie in een beschermde natuurgebied is de overdreven hoeveelheid foto’s van recreanten in het voorlichtingsblad Struinen.

Maar de rechter gelukkig wel. Want het is nog steeds een beschermd natuurgebied!

Conclusie

Deze zogenaamde Bosbeheervisie Amsterdamse Waterleidingduinen 2016-2027 kan zo in de kringloopbak van GroenLinks. Het plan leidt geenszins tot een natuurlijk bosbeheer dat tevens recht doet aan de Natura 2000-doelstelling.

Het voorstel tot het telen van hout in een beschermd natuurgebied is een diepe belediging voor de natuurbescherming. Wethouder Udo Kock moet eens een directie aanstellen die gevoel heeft voor de natuur en die met kennis van zaken te werk gaat.

In de Bosbeheervisie is de beschrijving van de bosomvorming naar een natuurlijker duinbos ver onder de maat. De visie is overbezorgd voor de veiligheid van de recreatie. Daaraan wordt tenminste één wezenskenmerk van het natuurlijke bos -het staand dood hout-, opgeofferd.

Waternet en de gemeente Amsterdam gaven in het verleden al ruimschoots blijk van veronachtzaming. We noemen de prunusplaag die zich niet in die volle omvang had hoeven en mogen ontwikkelen, waardoor uiteindelijk in het kader van een moeizame bestrijding hele landschappen op de schop gingen. De onkunde en desinteresse van de beleidsmakers resulteerde voorts in een plaag van Damherten die het einde betekende voor verschillende biotopen, en de vele planten- en insectensoorten en tenslotte vogelsoorten die er voorkwamen.

Nu moeten de bossen het gaan ontgelden, want er moet zo nodig hout worden geproduceerd en geoogst. Wat een ramp dat onverschillige gemeentepolitici een natuurgebied mogen beheren, de eens unieke en soortenrijke Waterleidingduinen.

Literatuur

Heybroek, H.M.,1984. Bosbeheer ten behoeve van natuurwaarden. In: Nederlands Bosbouwtijdschrift 56 (9/10): 229-239

Jansen, Patrick & Mark van Benthem, 2008. Bosbeheer en biodiversiteit [i.s.m. Stichting Probos en Het Geldersch Landschap]

Koop, H., 1981. De schaal van spontane ontwikkeling in het bos. In: Nederlands Bosbouwtijdschrift 53(3): 82-90

Koop, H., 1986. Omvormingsbeheer naar natuurlijk bos: een paradox? In: Nederlands Bosbouwtijdschrift 58(1/2): 2-11

Lenders, A.J.W., Juni 2016. Beheer van Adelaarsvaren in Nationaal Park De Meinweg. In: Natuurhistorisch Maandblad

Londo, G., 1991. Natuurtechnisch bosbeheer. Natuurbeheer in Nederland, deel 4 [Handboek Rijksinstituut voor Natuurbeheer]

Ouden, Jan den, Bart Muys, Frits Mohren & Kris Verheyen (Red.), 2011. Bosecologie en Bosbeheer. Leuven/Den Haag

Ripple, W.J. & R.L. Beschta, 2012. Large predators limit herbivore densities in northern forest ecoystems. Eur. J. Wildl. Res.

Weeda, E.J., R. Westra, Ch. Westra & T. Westra. 1999. Nederlandse Oecologische Flora, Wilde planten en hun relaties. Hilversum/Haarlem

 

 

 

 

 

 

 

 

Wie hebben het afschot van 5000 Damherten op hun geweten? De dierenbeschermers.

Protest op de Dam tegen het afschot van Damherten. Wil de PvdD er 5000 kruizen neerzetten, en een spandoek met vetgekakt een schuldbekentenis.
De Partij voor de Dieren protesteerde op de Dam tegen het afschot van Damherten. Wil de PvdD er 5000 kruizen neerzetten? En een spandoek met vetgekalkt een schuldbekentenis?

 

Wat bezielt de Partij voor de Dieren om politieke propagandapraatjes te verkopen ten gunste van hordes Damherten die moeten doorgroeien tot in de hemel?
De hertenplaag van bijna Bijbelse proporties heeft het rijkgeschakeerde duinlandschap al tot  op de bodem kaalgevreten.
Dat fraaie resultaat noemen de dierenbeschermers heel geleerd ‘zelfregulatie’.

Wat de sektarische dierenpartij ook niet deert: de onbelemmerde populatiegroei zal eens leiden tot ernstige voedseltekorten, ten koste van het dierenwelzijn. Eenmaal voedselgebrek, let op, dan achten de dierenbeschermers het weer op z’n plaats dat de verzwakte dieren een genadeschot krijgen toegediend,  om ze uit hun lijden te verlossen. Eerst verzwakken en vervolgens doodschieten.

Zieke dieren plegen zich echter terug te trekken in schuilhoekjes. Dat is het duinstruweel, waar je ze niet gauw terugvindt. De jager-boswachter die belast is met het afschot staat voor een schier hopeloze zaak. Die ene boswachter van dienst, die ene op duizenden hectare, hij zal  toevallig achter in het duin er zijn om het ondraaglijke lijden bijtijds een halt toe te roepen? Het beleid van ‘reactief afschieten’ zal jammerlijk falen.

Door het verzet van de dierenbeschermers tegen elke vorm van jacht, ook beheersjacht, tellen de Amsterdamse Waterleidingduinen (AWD) nu zo’n 3800 Damherten. Deze exoten hebben alle inheemse Reeën verdrongen.
In het Nationaal Park Zuid-Kennemerland (NPZK) telde men voorjaar 2015: 734 Damherten. Daar slaagden de dierenbeschermers door procederen er steeds in de jachtvergunningen op te schorten. De beheerder hield vroeger de stand vrij netjes op 200 dieren.

Om toch te voldoen aan de ‘gunstige staat van instandhouding’, een eis van de natuurbeschermingswet, heeft de provincie na lang treuzelen erin toegestemd om in dit Natura 2000-gebied, Kennemerland-Zuid, waartoe NPZK en AWD behoren, de herten door middel van bejaging te reguleren.

De natuurbeheerders kregen wel van de provinciale handhaver ruim de tijd om de herten tot een voor de natuur hanteerbare balans terug te brengen. Het afschotplan is uitgespreid over liefst vijf jaar; de Damherten zullen hierdoor maar langzaam in tal en last afnemen, te langzaam, want hoog blijft voorlopig de jaarlijkse aanwas, en ook dat surplus moet worden afgeschoten.

Door niet in één keer de aantallen terug te willen brengen naar de gewenste doelstanden zullen er uiteindelijk véél meer dieren moeten worden afgeschoten . Weliswaar levert dat extra biologisch keurvlees op. Maar de keuze voor een trage uitvoering van een hoe dan ook noodzakelijk afschotplan is bepaald geen overwinning te noemen voor de dierenbeschermers. Die willen uiteraard dat er zo min mogelijk herten worden gedood, liefst helemaal geen.

Omdat de dierenbescherming drommels goed weet dat aan afschot niet valt te ontkomen -omwille van de dwang die uitgaat van de natuurbeschermingswet, waarvan ze terdege op de hoogte zijn-, hebben zij nu heel wat te verantwoorden.

Hoe verantwoorden dierenbeschermers hun ‘massamoord’?

Waren zij immers jaren geleden, toen de stand zich nog op een laag peil bevond, akkoord gegaan met een afschot dat overeenkwam met de jaarlijkse aanwas, dan hoefde er thans niet zoveel afgeschoten te worden. Hoeveel?

Laten we dat eens uitrekenen. We gaan een som maken die voor de heer Bram van Liere, provinciaal statenlid van Noord-Holland en de heer Johnas van Lammeren, raadslid te Amsterdam, beide van de Partij voor de Dieren en strijders voor de dierenrechten, te behappen is en stof tot nadenken moge geven.

In de AWD bedroeg de stand bij de telling in voorjaar 2015: 3000 Damherten . Elk jaar worden er dieren geboren en sterven er dieren; dat resulteert in een jaarlijks netto aanwas van 27 procent. Thans, februari 2016, zullen in de AWD ongeveer 3800 Damherten rondlopen. Nu voorziet het Faunabeheerplan hier in een totaal afschot van circa 3870 exemplaren, teneinde na vijf jaar de doelstand te bereiken van 700 Damherten (Faunabeheerplan, Damherten in het Noord- en Zuid-Hollandse duingebied, 2016-2020, blz. 91).
In het NPZK worden in deze vijf jaar 1950 dieren geschoten om op een doelstand van 200 te komen.
Totaal worden in AWD en NPZK geschoten 3870+1950=5820 Damherten.

Omdat de dierenbeschermers aankondigden te gaan procederen, kon de eerste afschotronde, deze winter, al meteen afgeblazen worden. Dat betekent dat de reeds omvangrijke kuddes bambies zich nog een jaar langer kunnen uitbreiden aleer het eerste schot in een stille duinvallei weerklinkt. Het betekent dat er nog veel méér moet worden afgeschoten dan het voorliggende plan wil.

Laat de dierenbescherming daarom niet klagen dat er sprake is van ‘massamoord’. De massadoding hebben ze door hun irrationele, louter ideologisch bewogen en starre opstelling aan zichzelf te danken. Huichelarij kent zijn grenzen. Ook politici moeten het niet al te bont maken, al zijn we veel van ze gewend.

Als de dierenliefhebber de natuurbeheerder gewoon zijn vakwerk liet doen, was er nu geen sprake geweest van uit de hand gelopen populaties Damherten die de natuur kaalvreten en vertrappen. Als de natuurbeheerders het voor het zeggen hadden gehad, dan bedroeg het afschot sinds jaar en dag enkel de netto jaarlijkse aanwas. Die trouwens amper genoeg vlees oplevert om een arme stadswijk van voldoende voedselbankvoedsel te voorzien (en we brengen de lezer in herinnering: al heel lang bestaat er vraag naar overheerlijk damhertenbiefstukkenvlees; ook de hogere standen worden geconfronteerd  met schrijnend maatschappelijke tekorten).

Bij de doelstanden van het door de provincie onlangs goedgekeurde Faunabeheerplan 2016-2020 bedraagt het jaarlijks afschot in de toekomst voor de NPZK 45 dieren, bij de AWD 156, zegge totaal 200 dieren. In vijf jaar regulier beheer is dat opgeteld 1000 dieren. Nogmaals, dat is het afschot bij een gunstige staat van instandhouding. Maar nu moeten wegens achterstallig onderhoud eerst nog bijna zes keer zoveel beesten worden doodgeschoten, -alleen maar om die doelstanden te halen.

Jawel, dankzij het verzet van de bambiidolaten worden er onnodig 5820-1000=bijna 5000 Damherten doodgeschoten! Dat lijkt, gezien hun eigen opvatting daarover, meer dierenbeularij dan dierenliefde. Want: doodschieten=dierenleed. (Echter, als de kogel welgemikt is dan wordt er toch niet geleden?)

Volgens onze stichting is de provinciale doelstand evenwel nóg te hoog. Zie onze zienswijze, enige berichten terug te lezen op dit blog.
Die luidt kort samengevat: pas bij een doelstand van 160 Damherten, voor AWD en NPZK sámen, zal het duinbos zich kunnen herstellen.

En volgens het Verdrag inzake Biologische Diversiteit (CBD) dient het Damhert als invasieve exoot ‘indien passend en mogelijk’ te worden uitgeroeid. kp

 

 

Zienswijze op het beheersplan van Damherten in de AWD

 

ZIENSWIJZE op de aantalsreductie van Damherten in Natura 2000 Kennemerland-Zuid volgens de ontwerpbesluiten van GS provincie Noord-Holland,

door Stichting Herstel Inheems Duin,  4 jan 2016.

Het Ontwerpbesluit ”Natuurbeschermingswet 1998 gebruik ontheffingen Flora- en faunawet: populatiebeheer Damherten N2000-gebied Kennemerland-Zuid”,  november 2015, van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland behelst het verlenen van een vergunning aan Faunabeheereenheid Noord-Holland (FBE) voor het populatiebeheer van de Damherten. Als voorwaarden, voorschriften en beperkingen voor dat beheer verwijst GS naar de Passende beoordeling (Pb). Deze is door Bureau Waardenburg vervaardigd.

Concreet dient de Pb vast te stellen of de door de FBE voorgenomen aantalsreductie van de Damherten, zoals vermeld in haar rapport ‘Faunabeheerplan, damherten in het Noord- en Zuid-Hollandse duingebied, 2016-2020’, wel of geen significante negatieve effecten heeft op de natuurwaarden zoals die beschermd zijn volgens de instandhoudingsdoelen van Natura 2000.

De Pb stelt vast dat door het afschot geen significant negatieve effecten optreden. De Pb merkt daarentegen op:

‘’De handelingen leiden tot een reductie in aantallen dieren en daarmee in de begrazingsdruk door damherten. Dit zal een positief effect hebben op de instandhoudingsdoelen voor grazige vegetaties (grijze duinen), struwelen (kruipwilg) en bossen (binnenduinrandbossen, duinbos droog). Aan het uitblijven van bloei, verdwijnen van plantensoorten, oprollen van struweel en het verdwijnen van een tweede etage met bodemvegetatie in bossen en uitblijven van bosverjonging komt een einde. Ook de neergang in de organismen die van bepaalde voedselbronnen (nectar) of structuren (tweede etage) afhankelijk zijn komt een einde. Instandhoudingsdoelen zijn gediend met een reductie van aantallen damherten. Ook een flink aantal ‘oude doelen’ zijn gediend bij een beperking van de graasduk door damherten: vegetatie, vogels, zoogdieren en landschap.’’ (p. 6)

 Wij stemmen grotendeels in met het bovenstaande. Echter, de Pb gaat akkoord met de aantallen herten die de FBE wil gaan afschieten. Op dit punt wijkt ons standpunt ten stelligste af van het FBP, bijgevolg ook van de Pb alsmede het Ontwerpbesluit dat zijn goedkeuring hecht aan de Pb.

Die doelstanden zijn o.i. namelijk veel te hoog gesteld, de aantallen herten die er volgens de streefstand uiteindelijk rondlopen geven geen enkele garantie dat de natuur van de AWD zich zal herstellen op de wijze die in bovenstaand citaat wordt voorgehouden. Het betreft met name de door Natura 2000-regeling beschermde Duinbossen H2180 in de Amsterdamse Waterleidingduinen (AWD). De bossen herstellen zich niet bij een beoogde stand van 600 tot 800 Damherten. Bij een streefstand van nul Damherten is die garantie er wél; althans een langzaam zich herstellende kwetsbare plantengroei loopt geen gevaar door welke hertenvraat dan ook.

Daarom bestrijden wij dit Ontwerpbesluit, dat immers gestoeld is op een Pb die nalaat de evidente negatieve effecten van een te hoge doelstand van 600 tot 800 Damherten te onderkennen.

Dat besluit is niet in het belang van een gunstige staat van instandhouding, waarvoor de provincie als handhavende instantie een grote verantwoordelijkheid draagt. De provincie handhaaft niet adequaat; integendeel, zij ziet lijdelijk toe hoe door een te hoog aanvaarde doelstand van het Damhert in een reeds gedegradeerd Natura 2000-gebied niet aan de instandhoudingseisen kan worden voldaan.

De Pb stelt vast: ‘Het Faunabeheerplan 2016-2020 beoogt de populatie terug te brengen tot een acceptabel niveau, van 800-1000 dieren’.
Echter, op geen enkele wijze wordt dit niveau beargumenteerd op basis van de draagkracht van het duin.

Dit niveau betreft het hele Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid. Omdat de doelstand in het deelgebied Nationaal Park Zuid-Kennemerland 200 dieren bedraagt, zal de doelstand in de Amsterdamse Waterleidingduinen 600-800 dieren bedragen. Een doelstand van 600 Damherten betekent voor de AWD, groot 3400 hectare, een dichtheid aan Damherten van 18 stuks per honderd hectare, de doelstand van 800 betekent 23 herten per 100 ha.

Een lage dichtheid van hoefdieren kenmerkt de natuurlijke ecosystemen:
Zelfs een beoogd minimum van 18 herten in het FBP steekt ver uit boven het aantal dat een bos kan verdragen. Algemeen wordt het aantal Edelherten dat een bos kan hebben, zodanig dat er nog van boomverjonging sprake is, gesteld op circa 4 Edelherten. Deze lage dichtheid onderbouwen wij met de volgende wetenschap.

In het beleidsdocument ‘’Natuur in bossen, Ecosysteemvisie Bos’’, wordt een dichtheid van 2,5 Edelhert per 100 ha aangehouden waarbij ‘’natuurlijke verjonging van het bos mogelijk blijft.’’ (blz. 111)

“Dichtheden van 2 tot 4 grote hoefdieren per 100 ha zijn vanuit het oogpunt van ontwikkeling van spontane, oorspronkelijke bosgemeenschappen op de Veluwe redelijk.’’ (blz. 114)

‘’De referenties liggen in de dunbevolkte gebieden in Scandinavië, voormalig Joegoslavië en Rusland. Hier zijn natuurlijk dichtheden van (minder dan) 1 hoefdier per 100 ha (Mayer en Neumann 1981). […] ‘’De in Nederland gangbare dichtheden van 4 tot meer dan 10 hoefdieren per 100 ha bos (edelhert, wild zwijn en ree) zijn echter aan de hoge kant (Hazebroek en Groot Bruinderink 1994).’’ (blz. 108)

In het Nationale Park De Hoge Veluwe is de streefstand 200 edelherten. De leidende gedachte hierbij is een balans te vinden tussen de dier- en plantensoorten (De Nederlandse Jager 9/2013). 200 Edelherten betekent alhier een dichtheid van 4,4 Edelherten/km, wat al enigszins overeenkomt met een natuurlijke dichtheid en een bos als een zichzelf instandhoudend ecosysteem.

De door Stichting Probos gesteunde uitgave ‘Bosbeheer en biodiversiteit’ stelt vast: ‘’ De ontwikkeling van naald- naar een meer gevarieerd loofbos wordt vrijwel altijd sterk belemmerd en lijkt alleen mogelijk bij minder dan drie edelherten of pony’s óf minder dan vijf reeën per 100 hectare.’’ (blz. 165)

Gill en Morgan gaan in hun artikel ‘The effects of varying deer density on natural regeneration in woodlands in lowland Britain ’ (Forestry Vol 83 no 1, 2010) uit van 4 tot 8 herten per 100 ha teneinde voldoende boomzaailingen een overlevingskans te bieden. Het volgende geldt weliswaar voor dennenbos: ‘’In the Scottish Highlands, deer browsing has long been known tot hamper regeneration of native pinewoods (Watson, 1983). A number of investigations have led to recommendations that deer densities need to reduced to between 4 and 8 deer km2 to enable sufficient seedlings to survive (Holloway, 1967; Beaumont et al., 1995; Miller et al., 1998; Scott et al., 2000).’’

De natuurbeheerder kan streven naar een zo rijk mogelijke flora en fauna alsmede streven naar aantallen hoefdieren die kenmerkend zijn voor meer natuurlijke ecosystemen.
Dr. Cis van Vuure in ‘De Oeros, het spoor terug’ (rapport 186 WUR):

‘’Zo was vroeger in Europa niet alleen de dichtheid van elanden lager dan in de huidige gecultiveerde bossen, dit geldt ook voor edelherten (2-10 per 1000 ha; Fröhlich 1955, Meister 1969) en reeën (1-3 per 100 ha; Schwend 1950, Meister 1969). Hetzelfde geldt voor Noord-Amerika, waar de dichtheden van het witstaarthert (Odocoileus virginianus) vroeger lager waren dan tegenwoordig, namelijk 2-4 per 100 ha tegen nu rond de 10 per 100 ha (Noord-Wisconsin, Verenigde Staten) (Alverson e.a. 1988). Ook daar heeft de mens voor een groter voedselaanbod in het bos gezorgd, waarvan dit hert profiteerde.’’ (blz. 247)

De dichtheden van herten in de meer oorspronkelijke natuurgebieden zijn laag . Wolven, beren en lynxen eisten hun tol. Ripple en Beschta concluderen in een uitgebreide literatuurstudie (1) dat de hertendichtheden in systemen zonder wolven ongeveer zes keer hoger zijn dan systemen met wolven: ‘’2,6 vs. 15.5 DE/km2’’

DE staat voor ‘deer’. Ripple en Beschta stellen: deer = 1 DE, Caribou = 2 DE, Elk = 3 DE.
De Noord-Amerikaanse Elk (Nederlands: Wapitihert) weegt aanzienlijk zwaarder dan ons Europees Edelhert en neemt meer voedsel tot zich. Ongeveer geldt: 1 Edelhert = ¾ Elk = ¾ x 3 DE = 2,25 DE.

Voor een dichtheid in een natuurlijke omgeving telt derhalve 2,6/2,25 Edelherten = 1,15 Edelherten per 100 hectare (=1 km2), -aldus wijzen de door Ripple en Beschta onderzochte 42 studies uit.

De nota ‘Voorstel voor landelijk beleid ten aanzien van Damherten’, uitgebracht door Vereniging het Edelhert (VEH), stelt qua voedselopname 1 Edelhert equivalent aan 2 Damherten (blz. 26).

Hiermee rekening houdend komen er onder meer natuurlijke omstandigheden 2 x 1,15 Damherten = 2,3 Damherten per 100 hectare voor. In de AWD zou dit wezen: 34 x 2,3 = 78 Damherten.

VEH beveelt evenwel in zijn beleidsnota voor de duingebieden bijna een dubbele hoeveelheid aan van 4 Damherten per 100 ha (blz. 28). Borduren we voort op deze beleidsaanbeveling dan bieden de 3400 hectare grote AWD ruimte aan 4 x 34= 136 Damherten. Dat is echter het dubbele aantal herten dat op grond van de hierboven geciteerde Amerikaanse literatuurstudie over natuurlijke gebieden aangeeft

Voor alles moeten de Amsterdamse Waterleidingduinen een kans krijgen zich te herstellen, te beginnen bij een stand van nul Damherten. Een langzaam herstellende plantengroei mag op geen enkele wijze hinder ondervinden van zelfs maar de laagste dichtheid aan Damherten.

FBP hanteert verkeerde cijfers, GS aapt na:
Als het FBP de Duitse studie die het citeerde nu eens als leidraad nam voor zijn na te streven dichtheid in deelgebied de AWD? Naar analogie van een streefstand voor het NPZK van 320 Damherten (=10 x 32) geldt dan voor de AWD 340 dieren (=10×34). Dat is tenminste al veel lager dan de voorgestelde 600-800 Damherten.
Citaat:

‘’Een Duitse studie uit 2002 komt uit op een – gezien de wintervoedselsituatie en bescherming van de houtproductie en natuurwaarden – maximale dichtheid van 7 damherten per 100 hectare. Het onderzoek vond plaats in een gebied in Brandenburg/Duitsland van meer dan 1 miljoen hectare, vrij eenzijdig open bosgebied: naaldhout op zandgrond, met ondergroei van grassen en adelaarsvaren – een relatief arm biotoop. De wintervoedselvoorraad is met name de beperkende factor. De uitkomst van deze studie komt in grote lijnen overeen met de conclusies van Uekermann. Op basis hiervan geldt voor een gebied zoals NPZK (arme grond; leefgebied circa 3.265 hectare) dat een evenwichtige damhertenpopulatie dient te bestaan uit (ruim) minder dan 10 dieren per 100 hectare (ruim minder dan 320 dieren), om zichzelf in stand te houden en altijd voldoende voer te kunnen vinden zonder de aanwezige vegetatie blijvend te beschadigen. Deze maximale dichtheid gaat ook nog eens uit van het niet aanwezig zijn van reeën en grote grazers. In NPZK zetten de beheerders grote grazers in als belangrijke beheersmaatregel en is er (nog) een populatie reeën aanwezig.’’ (FBP blz. 54)

Die ’(ruim) minder dan 10’ Damherten is gewenst indien men serieus rekening houdt met het wél aanwezig zijn van de runderen en Reeën in het NPZK. Het achterwege blijven van een onderzoek naar deze nog veel lagere aantallen Damherten is een omissie in het FBP. De Pb had op deze omissie mogen wijzen en GS hadden hier moeten ingrijpen.

Wanneer wél rekening wordt gehouden met die overige grote plantenetende fauna, is er in NPZK zeker véél minder plaats dan 320 damherten. Omdat er rasters op de NPZK-grens ontbreken nam men uit veiligheidsoverwegingen evenwel genoegen met een lagere streefstand van 200 Damherten. Dat aantal komt weliswaar in de buurt van de door Vereniging het Edelhert geadviseerde 4 Damherten per 100 ha. En in elk geval is het ook ‘’veel minder’’ dan 320, -een aantal Damherten dat ontoelaatbaar zou concurreren met de Reeën en runderen en paarden, een aantal ook dat minder zekerheid biedt aan een rijkgeschakeerde vegetatie en aan de kleine fauna-elementen, zoals insecten.

In de communicatie wordt steeds gesproken over een vrije doorgang voor de herten over de natuurbrug(gen). De verschillend gekozen doelstanden van Damherten in enerzijds de AWD en anderzijds het NPZK zullen door spontane migratie over de natuurbruggen vermoedelijk globaal naar eenzelfde concentratie bewegen. Het valt daarom niet in te zien waarom die doelstanden zo hemelsbreed verschillend zijn gekozen.

Logisch is te kiezen voor de laagste dichtheid. Temeer daar beide deelgebieden eenzelfde graasdruk verdragen. Alterra stelde vast: ’De vegetatietypen en de flora verschillen niet tussen beide deelgebieden.’ (Alterra-rapport 1198. E.A. Grift et al. ‘Ontsnippering Zuid-Kennemerland’, blz. 34)

Het is ook om die laatste reden niet te begrijpen waarom het FBP inzake het NPZK een Duits rapport aanhaalt dat wijst op het behoud van een soort van ecologisch evenwicht, maar zich voor de AWD beperkt tot een dominantie der Damherten.

Het FBP stelt zonder meer dat de AWD 600 Damherten kunnen herbergen. Het is een getal dat nergens wordt toegelicht. Zelfs de door FBP aangehaalde nota van Alterra ‘Hoeveel damherten en reeën kunnen leven in de Amsterdamse Waterleidingduinen op basis van het natuurlijke voedselaanbod’, april 2013, levert geen goed cijfermateriaal dat als basis kan dienen voor een populatie van 600 Damherten.

Het FBP zegt over dit rapport:
‘’Alterra heeft de draagkracht van de AWD bepaald op basis van een erkende methode en berekend dat een gezonde populatie van circa 600 damherten duurzaam moet kunnen leven op het natuurlijk voedselaanbod in de AWD. De berekening houdt ook rekening met dierenwelzijn: bij dit aantal is er geen concurrentie om voedsel en zullen dieren ook veel minder geneigd zijn naar de omgeving te trekken. De methode berust op het schatten van het voedselaanbod in de nawinter, de energetische bottleneck voor de damhertpopulatie.’’ (blz. 55)

Alterra berekent op basis van de energiebehoefte van een gemiddeld Ree en een gemiddeld Damhert voor hoeveel dieren voedsel beschikbaar was. De uitkomst was Damhert 407 en Ree 369 stuks. Ook werd een schatting gemaakt van de aantallen damherten wanneer het Ree volledig van het toneel verdween (zoals inmiddels is geschied):
Uitgaande van een ree van 15-20 kg heeft een ree voor zijn onderhoudsmetabolisme dus 5 tot 6 MJ/dag nodig. Een damhert van 50-60 kg 14MJ/dag. 1 damhert is dus in dit opzicht het equivalent van 2 – 3 reeën. Er zou dus plaats zijn voor 407,2 + (368,7/2-3) = 530,1 – 591,6 stuks damherten. Omdat het dieet van ree en damhert verschillend is en deze vertaalslag daar geen rekening mee houdt, beschouwen we deze uitkomst als een zeer globale bandbreedte.’’ (blz. 11)

Volgens deze berekening is er bij een geheel verdwenen populatie Reeën plaats voor 600 Damherten. Als er wel Reeën aanwezig zijn dan is er plaats voor 407 damherten, – wanneer er althans 369 Reeën zouden leven.

De stellingname in het FBP dat er in Waterleidingduinen bij een gelijktijdig herstel van de Reeënstand plaats is voor 600 Damherten is ondeugdelijk; deze streefstand is veel te hoog.

GS neemt de verkeerde voorstelling van zaken niettemin klakkeloos over.

Het tweede Ontwerpbesluit van GS, ‘’Flora- en faunawet besluit 49 (2015); Ontheffing ex artikel 68, beheer binnen leefgebied damhert’’, geeft eveneens abusievelijk goedkeuring aan een gebrekkig FBP:
‘’Voor deelgebied AWD geeft u een gewenste streefstand van 600 tot 800 dieren. Uw FBP Damhert onderbouwt deze streefstand als een stand waarbij schade aan flora en fauna in het gebied op een acceptabel niveau ligt. Met deze stand zal er ook voldoende ruimte en voedsel overblijven voor een levensvatbare reeënpopulatie bijvoorbeeld.’’ (blz. 20)

Helaas, het FBP ondernam zelfs geen schuchtere poging tot onderbouwing van een streefstand van 600-800 Damherten waarbij de schade aan flora en fauna op een acceptabel niveau ligt.

Een gedegen argumentatie is daarentegen van cruciaal belang en het is merkwaardig dat GS doet alsof die onderbouwing bestaat.

Met een streefstand van 600 tot 800 Damherten is terugkeer van het Ree in een levensvatbare populatie buitengewoon onzeker. Om te voldoen aan een gunstige instandhouding is daarnaast terugkeer van een volwaardig en functionerend duinbos vereist. Ook dan is er voor veel minder Damherten plaats dan de nu voorgestelde 600 tot 800 exemplaren, zoals hierboven aan de hand van literatuur wordt aangetoond.

Evenmin rept het FBP van een noodzakelijk herstelperiode onder het regime van een zeer lage graasdruk.
Voor terugkeer van de Ligusterstruiken, het behoud van de Kruipwilgstruwelen en de bloemen en de insecten die zich eveneens moeten herstellen van de overbegrazing door Damherten, is het beter om het zekere voor het onzekere te nemen: streven naar de lage dichtheden die de Vereniging het Edelhert al aangaf, dichtheden die wij hierboven van een fundament voorzagen door middel van opgaven uit de literatuur.

Het rapport van het OBN-deskundigenteam ‘Damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen, hun invloed op het duinlandschap en de kwaliteit van enkele habitats’, mei 2013, stelt dat een lage dichtheid al gevolgen heeft voor het duinbos:

‘’Het droge duinbos wordt intensief door de herten gebruikt. Dit is duidelijk te zien op plaatsen waar rond 2000 exclosures zijn gemaakt. In deze exclosures is sprake van een beter ontwikkelde struiklaag dan daarbuiten. Hierbij moet worden opgemerkt dat dit verschil waarschijnlijk een gevolg is van de langjarige aanwezigheid van damherten. De rasters zijn immers al 13 jaar geleden geplaatst. Als het ontbreken van een struiklaag alleen een gevolg zou  zijn van de intensieve begrazing van de laatste jaren, dan zouden buiten de exclosures nog de restanten aanwezig moeten zijn van afgevreten struiken en jonge bomen. In de bosgedeelten die tijdens het veldbezoek zijn bezocht was dat niet of nauwelijks het geval. Dit betekent dat de bosverjonging en de  struiklaag waarschijnlijk al bij lagere dichtheden van damherten verdwijnen.’’
(OBN, blz. 22)

Herten verzamelen zich in het duinbos:
Volgens de Zoogdiervereniging komt het damhert ‘’vooral voor in lichte loofbossen en gemengde bossen’’ ‘’Overdag rusten ze en herkauwen ze in de ondergroei van het bos of op een afgelegen grasland’’.
Dr J. Mourik, voormalig beleidsadviseur ecologie bij Waternet en thans sprekend namens de KNNV afdeling Haarlem en de Dagvlinderwerkgroep Zuid-Kennemerland illustreert met cijfers deze voorkeur voor het bos, in het artikel ‘Bloemplanten en dagvlinders in de verdrukking door toename van Damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen’, De Levende Natuur, juli 2015.

‘’In de AWD liepen de aantallen in 2014 uiteen van 25 dieren per 100 ha in het open landschap van de zeeduinen en het zuidwesten tot 200 dieren per 100 ha in bos- en struweelrijke binnen- en middenduinen (Aldershof, 2014).’’ (blz. 185, 186).

Omdat Damherten geneigd zijn zich in bossen te concentreren dient hiermee voor de berekening van een gemiddelde dichtheid voor het gehéle duingebied rekening te worden gehouden. Een gemiddelde dichtheid van 4 Damherten zoals Vereniging het Edelhert voorstaat betekent geenszins dat de gemiddelde dichtheid in de bossen hetzelfde zal zijn; deze ligt gezien het citaat maar liefst achtvoudig hoger. Conclusie:
Om het gemiddelde van 4 Damherten in het duinbos te bereiken dient de gemiddelde streefstand voor de gehele AWD vele malen lager te liggen.

Wellicht zal na veel ervaring voor de hele AWD een totaal van hooguit enige tientallen dieren wenselijk blijken te zijn, teneinde het duinbos naar de oude toestand te herstellen en te laten functioneren in zijn kenmerkende boseigenschappen zoals ondergroei en boomverjonging. Daarbij is hier nog geen rekening gehouden met de vraat door een herstellende populatie Reeën; dat herstel betekent op zich al een nog lagere dichtheid van Damherten.

Een beginnende nulstand verdient zelfs de voorkeur als we zouden uitgaan van het voorzorgsprincipe.

Het is ongerijmd dat het FBP voor verschillende dichtheden heeft gekozen:
Het streven voor de AWD is 600 tot 800 Damherten. Bij een aantal van 800 wordt de gemiddelde dichtheid 23,5 Damherten per 100 ha. Voor het nog steeds struweel- en bosrijkere (dus gunstiger Damhertenleefgebied) NPZK is het streven 200 Damherten; gemiddeld 5,3 per 100 ha. Dit opmerkelijk grote verschil in dichtheid is een direct knelpunt bij de aangekondigde openstelling van de natuurbruggen voor de fauna. Initieel zullen de hongerende dieren bovendien uit de AWD wegtrekken naar het veel gunstiger leefgebied (voedsel, dekking) van het NPZK, met als gevolg een (te) hoge dichtheid daar. Of de natuurbruggen zullen voor altijd voor herten gesloten moeten blijven, maar dat kan toch niet de bedoeling van faunapassages zijn?

Conclusie:
Het aantal dieren moet integraal worden afgestemd op de laagste draagkracht, zodat de AW duinen zich van de overbegrazing kunnen herstellen en de Damherten de kans krijgen zich evenwichtig over het hele leefgebied tussen IJmuiden en Noordwijk te verspreiden.

Het Damhert is een verdringende exoot en moet daarom bestreden worden:
Het Damhert is lang geleden door de Romeinen naar ons land gehaald. Vanwege de natuurbescherming is het ongewenst dat een exoot inheemse soorten verdringt. Duidelijk is dat de inheemse Ree verdween als gevolg van sociale stress en de voedselconcurrentie met het Damhert. Het Biodiversiteitsverdrag verplicht in artikel 8 indien ‘passend en mogelijk’ tot uitroeiing van invasieve exoten. Een FBP dat de natuurbeschermingsconventies c.q. internationale verdragen serieus neemt beveelt een streefstand aan van nul Damherten. De provincie wil het verdrag niet uitvoeren en geeft geen uitvoering aan het Verdrag.

Het afschotplan in het FBP roept afzonderlijke ergernis op:
Dat is over liefst 5 jaar uitgesmeerd. Een hoge stand van duizenden dieren wordt in de eerstkomende jaren kennelijk toelaatbaar geacht. Niet in één keer terug willen gaan naar de gewenste doelstand betekent onnodig extra aanwas toelaten en navenant extra afschot, terwijl de reeds gedecimeerde natuurwaarden geen verdere aderlating verdragen. Uitgesteld afschot zet de natuurwaarde extra onder druk.

Mourik concludeerde reeds in De Levende Natuur:
‘’Aan een snelle en forse reductie van de begrazing en dus de dichtheid is niet te ontkomen, ook voor het welzijn van de Damherten zelf.’’

Wij bepleiten daarom het afschot in de AWD in één jaar tijds te realiseren.
En wel naar een voorlopige streefstand van 50 Damherten, of minder.

Voor Stichting Herstel Inheems Duin,
K. Piël

Literatuur
(1) Ripple W.J., Beschta R.L. (2012) Large predators limit herbivore densities in northern forest ecosystems. Eur J Wildl Res.
http://ir.library.oregonstate.edu/xmlui/bitstream/handle/1957/28411/Large%20Predators%202-15-12%20figures%20interleaved.pdf

FreeNature wil het Kraansvlak kapotmaken

 

 

Hordes publiek, beladen met camera's, verjagen de dieren en maken van een natuurlandschap een safari-pretpark. No way.
Hordes publiek, beladen met camera’s, verjagen de dieren en mogen van een natuurlandschap een safari-pretpark maken? No way.

 

FreeNature is een stichting die zich heeft toegelegd op het uitzetten van aaibare graasdieren in de Nederlandse natuur, zoals Schotse koeien, want dat verhoogt de recreatieve waarde. Helaas heeft dit recreatieschap zijn oog laten vallen op ons mooie Kraansvlak, een van de laatste rustgebieden in de duinstreek.

Het Kraansvlak is gelegen westelijk van Haarlem en maakt deel uit van het Nationaal Park Zuid Kennemerland. In dit afgelegen doodstille duin zouden bezoekers alleen mondjesmaat en onder leiding van de boswachter mogen komen, want het Kraansvlak is zowat het enig overgebleven rustgebied in de duinen.

Dus spaarzaam te houden excursies, ook om natuurlijk te kijken naar de Wisenten die er al enige jaren rondlopen. Dat is dan al een concessie; voorheen kende het natuurgebied een absolute rust: de toegang was voor iedereen gesloten. Omdat die aaibare bizonbeesten er lopen, moet het gebied nu voor jan en alleman opengesteld worden? Wat denkt die stichting wel.

Natuurbeschermers kom hiertegen in opstand! Met uw steun wil stichting Herstel Inheems Duin procederen tegen PWN die het gebied beheert, mocht het zover komen. Het is verdorie een streng beschermd Natura2000-gebied. De gemeente Bloemendaal wil er al een voetpad doorheen hebben. Maar gaf een gemeente ooit om natuurbehoud? Retorische vraag.

kraansvlak images
Massatoerisme verhoogt niet het gevoel voor wildernis en de natuur zelf is minder natuur

Het mag niet zo zijn, dat de schaarse natuur die hier nog gevrijwaard is gebleven van menselijke drukte verdwijnt. Ik zou willen zeggen: Leave nature free van stichting FreeNature. Die wil enkel de mens tegemoetkomen in zijn verstorende recreatiedrang. Met natuurbehoud heeft het niets van doen.
En alsof je al niet overal mag fietsen, wandelen en struinen in de wijde omgeving van het Kraansvlak!
Behoud dit laatste rustgebied. Voor de schuwe vogelsoorten die stille broedplaatsen nodig hebben.   Voor de stilte, dat wezenlijke, maar onderschatte kenmerk van natuur.

In Vakblad Natuur Bos Landschap, novembernummer, schrijft de onverlaat Fokko Erhart van deze recreatiestichting dat ‘de vraag naar toegankelijke natuur toeneemt’.  Als de vraag naar vakantiebungalowtjes toeneemt gaan we dan ook de natuur volbouwen? Het doel van natuurbehoud is niet in de eerste plaats om in de menselijke consumptiebehoeften te voorzien.

K. Piël,
St. Herstel Inheems Duin 

Het angstige zwijgen van natuurbehoud

nm es
Wist u dat…door de veehouderij van wel 3000 Damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen de Ree daar verdrongen is. Door bambi zijn schuld. Wist u dat Natuurmonumenten zich daar geen snars iets van aantrekt. Nm wou toch natuur beschermen. Onze vereniging durft uit angst voor ledenverlies zijn mond niet open te doen.

 

Het stilzwijgen van onze natuurbehoudsorganisaties inzake het schandaal van de overpopulatie Damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen mag onderhand verbijsterend worden genoemd.

Waar blijft de verantwoordelijkheid van de collega’s natuurbeheerders, die in de krant toch wel gelezen zullen hebben dat er iets aan de hand is?

En waarom wordt er geen stelling genomen tegen al die maatschappelijke organisaties die zich luidruchtig over deze zaak uitlaten, die onvervaard opkomen voor de dierenrechten, die elk afschot als barbaars afdoen, maar die geen oog hebben voor de instorting van de bloemplanten in de duingraslanden en de afhankelijke insectenfauna?

De dierenorganisaties maken aan het verdwijnen van de diverse struiksoorten ook al geen woord vuil. Want dat zijn immers maar planten. Lijsterbessen en zo.

Stichting Faunabescherming, de Partij voor de Dieren, de Stichting Duinbehoud, zij allen willen niets weten van een verantwoord natuurbeheer. Zij hebben het niet over de schade aan de natuur. Zij ontkennen deze botweg wanneer hen de vraag wordt voorgelegd.

”Onderzoek toont aan dat de natuur op dit moment niet achteruitgaat door de damherten”, schrijft leugenaarster, PvdD kleuterleidster, mevrouw dikke douairière M. Thieme in Het Parool van maandag 9-9-2013. In de meimaand daarvoor kwam het eerste onderzoekrapport -dat van het OBN deskundigenteam-, al tot de conclusie: ”De hoge dichtheden van de damherten in de Duinbossen hebben daar een slechte ontwikkeling van de kruid- en struiklaag tot gevolg en leiden tot grootschalig schillen van bomen in bepaalde bostypen.” (blz. 4)  . De vertegenwoordiger van de stichting Faunabescherming, de stokoude bok Harm Niesen, beweert later zelfs dat het ‘uitstekend’ gaat met de Aw duinen.

En helemaal niemand betrekt stelling tegen hun bedrog in commissie, terwijl het natuurbehoud heel goed op de hoogte is van de grote invloed van de dierenlobby in de massamedia, in de Tweede Kamer, in de Amsterdamse Raadszaal . Geen enkel tegengeluid, niet één terreinbeheerder, niet één vakman, niet één vakvrouw laat van zich horen.

Zelfs PWN, dat toch alle belang heeft bij een communaal evenwichtsniveau in de Awd én het NPZK, dus belang bij soortgelijke aantallen die in het NPZK al langer worden aangehouden -200 damherten-; van deze natuurbeheerder verneem je niets.

Ook Natuurmonumenten, de eerste buur aan de noordkant van de nieuwe recroduct over de Zandvoortselaan, wil zijn landgoed Koningshof toch niet op dezelfde wijze kaalgevreten zien zoals gebeurd is in de Awd? Waarom zit die stil, waarom geeft die geen uitleg?

Natuurmonumenten beschikt over zoveel hypermoderne communicatiemogelijkheden, faceboeken, twitters, telegraaf en televisie. Alsof die alleen over koetjes en kalfjes mogen berichten, alleen over de hartelijke meizoentjes uit ’s Graveland die u allemaal zachtjes in het oor toefluisteren: word u alstublieft lid! wij zorgen o zo goed voor alle dieren des velds!

U snapt wel, ik houd me van de domme. Ik weet heus wel, net als u trouwens, dat het de wezenloze angst is dat menig natuurliefhebber hen liever uit de weg gaat. Liever nog eer betuigen aan de voorvechter van de dierenrechten dan deze in een open dialoog te wijzen op een verantwoord natuurbeheer. Dan ze te wijzen op de algemene zaak van het natuurbehoud, die rekening heeft te houden met alle soortengroepen, en niet enkel met een loslopende aaibare vacht, nota bene van exotische huize, het Amsterdamhert.

Ru vreest de dood maar springt dapper op de bres, -voor al het leven denkt hij abusievelijk

Directe aanleiding tot dit schrijven is de opmerking in een Opiniestukje van ene Ru (vast redacteur Wim Ruitenbeek) in het blad Tussen Duin& Dijk, dat ik vanavond uit de brievenbus mocht opvissen, wat een kostelijk tijdschriftje. Hij schrijft, en hij is de zoveelste, vergoelijkend over de bambi’s:

‘’Er zijn te veel vossen, damherten, ganzen, zeggen ze.’’[…] ‘’De reactie van overheden, en helaas ook regelmatig van natuurbeheerders, is steeds dezelfde: er moeten dieren dood. Wij hebben er last van, dus zijn er te veel en moeten ze dood.’’

Ru heeft duidelijk iets met de dood, angst voor de dood misschien. Maar waarom dan de flora en de fauna die in de duinen als gevolg van de kaalvraat door triljarden herten aan het afsterven is doodzwijgen? Wees consequent Ru, en noem alles op wat zoal dood gaat.

Maar het volgende is beslist een verkeerde voorstelling van zaken die Ru geeft, namelijk dat de reactie van de natuurbeheerders ‘steeds dezelfde’ is: ‘er moeten dieren dood’.

Beste Ru. Ze schijten tegenwoordig allemaal verschrikkelijk in hun broek om hun gewone plicht te doen: het geweer opnemen en een eind maken aan de overpopulaties. Dood gaan is juist een groot taboe bij onze natuurbeheerders.

Maar met de hete adem van Harm Niesen in de redactieraad in je nek kijk je wel uit iets anders op te schrijven. Dierenliefhebbers zijn tot moord in staat, zelfs beroemde politici treffen ‘regelmatig’ dit noodlot, dus heb alle begrip voor Ru’s precaire positie.

Wie ook het zwijgen inmiddels is opgelegd, Mark van Til, eveneens lid van de redactieraad. Al heel lang bestudeert hij de vegetatie van de Aw duinen, hij is daar werkzaam en schreef met Joop Mourik het informatieve, grondige boekwerk ‘’Hiëroglyfen van het zand, vegetatie en landschap van de Amsterdamse Waterleidingduinen’’.

Als Ru’s opinie nu maar niet de hele redactie vertegenwoordigt. Het is echter niet de eerste keer dat de rubriek Opinie een negatief oordeel velt over de beheersjacht.  Op Van Til rust nu eigenlijk de dure plicht de volgende keer het huidige standpunt van Waternet weer te geven. De boswachters die de ondankbare aantalsregulatie op zich nemen, kunnen wellicht best een maatschappelijk steuntje in de rug gebruiken. Wie kan dat beter doen dan de man die belang heeft bij een gunstige staat van instandhouding van de vegetatie, zoals de wet trouwens verlangt, de heer van Til, redactieraadslid van Tussen Duin& Dijk?

Al jarenlang worden de Aw duinen geteisterd door een overpopulatie Damherten. De Amsterdamse raad wilde jarenlang niets weten van afschot, het stadsyuppendom had tot vorig jaar geen notie van een evenwichtig natuurbeheer.

Op aandringen van het CDA-er Boomsma (links heeft niets met activistisch natuurbeheer) gaf PvdA-wethouder Gehrels Waternet uiteindelijk opdracht tot een onderzoek naar de schade die de Damherten aanrichten. Dat resulteerde in drie onderzoeksrapporten, waarvan de laatste, vorig jaar zomer vervaardigt, overduidelijk aantoont hoe groot de schade is die de bambies inmiddels aan de karakteristieke nectar houdende bloemplanten van het duin hebben aangericht inclusief de insektenfauna.

Zelfs de directeur natuurbeheer bij Waternet, de heer Ed Cousin, die zich jarenlang op de vlakte hield over de schade–hij is naar men zegt weinig natuurliefhebber-, en die kennelijk daarom de overpopulatie niet wenste te zien aankomen,  roerde zich op een geëigend moment in een commissievergadering te Amsterdam. Hij riep opeens vanuit het niets uit: ‘bloemrijke graslanden zijn volledig kaalgevreten’. Dit heugelijke feit werd door hem vastgesteld op 5 september 2013 en werd opgenomen in de vergadernotulen, die verder niemand leest. Wel konden de Mokumers een paar dagen later in Het Parool de leugens van Thieme lezen.

En geen hond die tegenwicht biedt. Het lijkt wel alsof onze natuurbeschermers welbewust  op massabiodiversiteit uit zijn.

kp

-zie bericht van 5 maart ”De Partij voor de Dieren tracht de Amsterdamse Waterleidingduinen om zeep te helpen”, voor linken naar de genoemde rapporten

-en volg alstublieft mijn twitter  Piël@Prunusjager -tevens ook voor incidentele aankondiging van nieuw blogwerk. Journalisten schrijven hier liever niet over, het is bij hen een en al bijtjes en bloempjes; de krant is op natuurbeheersgebied de dood in de pot

 

Dag, het was een klotedag

000 natuurbrug 1280x 853

Dag,
Gisterenavond voor het eerst over het recroduct gegaan, snel met vouwfiets vanuit mijn prunuswerk. Wat zag ik een immens verkeersplein, een rotonde!  Wat is er een toeristisch verkeersknooppunt verschenen daar aan de Zandvoorstelaan. En alles ten koste van een wettelijk beschermd natuurmonument! De kant van Nieuw Unicum is vooral op de schop gegaan. Het landschap lijkt nu te bestaan uit beklinkerde fietspaden. Die zijn wel vier meter breed, twee vrachtauto’s zouden elkaar nog kunnen passeren.
Met dank aan de geweldige stichting Duinbehoud die altijd gepleit heeft voor deze wantoestand. Of jullie dat willen noteren als optellend bij de cumulatieve negatieve effecten? Ik bedoel niet Duinbehoud, maar de vernietiging van de grote oppervlakte aan natuur en rust, Duinbehoudje zo klein als het is moet je gewoon door de plee trekken. Tot mijn afgrijzen was er een toegangshek, en dat wist ik helemaal niet. Iedereen kan nu direct vanaf de drukke Zandvoortselaan op de stille Stokmansberg komen, die lag altijd zo afgelegen in een uithoek te dromen. Zonering, eens een kostbaar goed in het natuurbeheer, is totaal naar de knoppen.
Mijn dank gaat uit naar Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland, de voortrekker van deze zogenaamde ‘natuurbrug’, die commercieel denkende ‘natuurorganisatie’. Die zo tuk is op recreatiebevordering en natuurbeleving. Die aan de wieg stond van de ‘nieuwe natuur’,  die hier de natuur totaal versplinterend heeft met zijn symbolische natuurbrug. Die net als Duinbehoud van aankloten weet met mooie brokstukjes natuur. Met dus ook veel dank aan Duinbehoud, die wilde dat schokbetonnen geval zo graag hebben. Deze stichting betaalt met de steun van haar donateurs mee aan het behoud van de duinen, vandaar de toepasselijke naam Duinbehoud. Het zijn oplichters.
Verder gefietst. Hek naar Boogkanaal is nu dicht, er is een hangslot omheen gedaan. Ik zal morgen een poging wagen de wethouder te vragen wat nu de status van het beschermd natuurmonument is. Als ik maar niet opnieuw door die arrogante ambtenaar met aardappel in zijn keel wordt afgewimpeld.
Is de sluiting tijdelijk? Is een beschermd natuurmonument volgens de salonsocialisten die in Amsterdam de dienst uit maken een tijdelijke aangelegenheid waar je een beetje mee aan kan rommelen? Mogen er om de electorale rust te bewaren zo vlak voor de raadsverkiezingen even geen honden los worden gelaten? Is dat soms de reden? Ingeslapen duinconsulent Cees van Duinbehoud in Zandvoort weet het antwoord ook niet, natuurlijk niet, hij is stokdoof voor kwesties die vragen oproepen.
Nou, welterusten Duinbehoud, de ballen,
Kees