Categorie archief: Natuurbehoud

De Bosbeheervisie Amsterdamse Waterleidingduinen is een bar en boos houtoogstplan

 

De ‘’Bosbeheervisie Amsterdamse Waterleidingduinen 2016 -2027’’ is geen visie, maar een plan. De ‘visie’ riekt naar de adem van de houtteler. Wat ons betreft, Herstel Inheems Duin, een slechte adem. Die niet thuishoort in het natuurbos waar de natuurbeschermer de baas moet zijn.

Natuurbeschermingsbos kent geen houtteelt

De kern van het plan, zie bladzijde 17, spreekt boekdelen:
‘’Per hectare staan gemiddeld 30 bomen met een goed stamkwaliteit (rechte, takvrije stam zonder stambeschadiging) die worden aangewezen als toekomstboom. Deze bomen worden vrijgesteld bij dunning zodat deze zo snel mogelijk een dikke stam krijgen en geoogst kunnen worden.’’

Zo’n ‘toekomstboom’ moet flink groeien, wedijverende buurbomen worden daartoe bijtijds omgezaagd.
Maar dan blijft er naast deze smalle houtteeltvakjes hoegenaamd bar weinig ruimte over voor een natuurlijke bosontwikkeling.

De ‘Bosbeheervisie’ stelt verder dat er per hectare ruimte is voor vijf zogenaamde ‘habitatbomen’, dat zijn bomen die wel stokoud mogen worden en op natuurlijke wijze mogen afsterven. De verhouding 5 habitatbomen op 30 houtteeltbomen zegt genoeg over de  onnavolgbare wereldvreemde manier waarmee de hoofdstedelijke natuurbeheerder het duinbos wenst te  gaan beheren, een Natura 2000-gebied dat onder strenge Europese natuurbeschermingsrichtlijnen valt!
Die 35 bomen hebben per hectare ieder een ruimte beschikbaar van 17 bij 17 meter. De vijf habitatbomen krijgen een schamele 14 procent van het bos toebedeeld. 14 Procent van het bos voldoet aan de Natura 2000-doelstelling! Daarbij te bedenken dat we met een versnipperd natuurbos tussen houtakkers in te maken hebben.

Natuurlijk is houtteelt in een beschermd natuurreservaat taboe. Maar de stadse koopman en D66-wethouder, de heer Udo Kock in Amsterdam, denkt daar anders over.  Hij heeft gewoon maling aan de wet. Op dit moment (midden Juli 2017) is bekend dat hij de commissieleden heeft uitgenodigd om de Waterleidingduinen met een bezoek te vereren. Op die rondleiding zal hij, ongetwijfeld samen met directeur natuurbeheer de heer Ed Cousin die er alom  om bekend staat weinig te zijn geïnteresseerd in de natuur!-proberen de raadsleden te overtuigen van het nut van houtproduktie. De dikke holle bomen waar vleermuizen in huisden en die al lang zijn omgekapt omdat ze te dicht bij het wandelpad of naast de dure rasters  stonden, zullen tijdens de excursie vast niet worden aangedaan. In september beraadt de commissie zich, en daarna neemt de raad een beslissing over het bosplan.

Overigens verkeert de houtteelt in Nederland sinds de jaren zestig in de rode cijfers.
Komen de 45 raadsleden niet tot bezinning en wijzen zij dit anti-natuurbehoudsplan niet naar de vuilnisbak, dan is een rechtszaak onontkoombaar. De rechter zal oordelen dat houtteelt niet thuishoort in een door Natura 2000-regels beschermd natuurgebied. Omdat dit  nu eenmaal tot aantasting van de zogeheten ‘natuurlijke kenmerken’ van het bos leidt.

Misschien dat de raad met een krappe meerderheid het plan verwerpt.  Zal het gaan als in december 1904, toen het Naardermeer, onze eerste natuurmonument, net niet door de Amsterdammers tot vuilnisstortplaats werd aangewezen?

De natuurlijkheid van het bos moet voorop staan

Een boom loopt niet uit het bos weg, dat is een hard natuurlijk gegeven. De natuurbeheerder moet dus consequent alle bomen laten staan of de reeds omgevallen bomen laten liggen, anders tast hij de ‘natuurlijke kwaliteit’ (juridische term) aan en is hij in overtreding met de natuurbeschermingswet, casu quo Natura 2000.
Dus met opzet bomen uit het bos wegslepen zoals dit per abuis in de Bosvisie is aangekondigd (‘op duurzame wijze hout produceren’), -dat gaat gewoon niet door.

Het afvoeren van bomen is het afvoeren van schaarse mineralen. Onder andere kalk. Voor de reeds door uitloging verarmde duinzandgronden betekent houtoogst een verdere aantasting van een ‘natuurlijke kenmerk’: die van de oorspronkelijke bodemgesteldheid. Dat zou een volgende overtreding in het kader van Natura 2000 wezen. Amsterdam moet zich niet steeds willen blootstellen aan onnodige vervolging.

Als open plekken gewenst zijn, ter bevordering van de biologische verrijking, kan dit bereikt worden door een groepje bomen te ringen. In het boek Natuurtechnisch bosbeheer stelt de auteur dr G. Londo ten aanzien van het dunnen vast:

‘’Het ringen is de belangrijkste dunningsmaatregel bij bossen met de hoofddoelstelling natuurbehoud wanneer er geen factoren aanwezig zijn die kappen noodzakelijk maken.’’

De winst van ringen is meervoudig:

a.  tijdens het proces van afsterven, dat volgt op het ringen van bomen, valt er steeds meer licht op de bodem; daardoor kan het bos zich gaan verjongen;
b.  staand dood hout is van levensbelang voor vleermuizen, spechten, larven, doodhoutpaddenstoelen, en zo voort.
c.  staand dood hout verteert langzaam, de voedingstoffen keren langzaam terug in de bodem; een plotselinge toevoer van mineralen en daardoor risico op lekkage (uitspoeling) naar de ondergrond wordt vermeden.
d.  het bosmilieu wordt aanzienlijk minder verstoord dan bij kappen en uitslepen van hout.

Van de bomen in de Nederlandse bossen -die merendeels houtteeltkundig beheerd worden-, kan verteld worden dat zij over grote oppervlakten vaak van dezelfde leeftijd zijn (en altijd halfwas volgroeid; oude bomen zijn zeldzaam). De weinige bossen die in ons land onder het natuurbehoud vallen mogen de natuur dienen en niet de houtproductie.

Gelijkjarigheid in de bospercelen van de houtteler is troef. Het natuurbos wordt daarentegen gekenmerkt door een kleinschalig en grillig mozaïek van open plekken, jonge boomfase en oudere boomgroepen, stokoude bomen en bomen die in de vervalfase verkeren. Kortom alle leeftijden door elkaar.

Boomverjonging vindt meestal plaats op de open plekken. Deze ontstaan doordat de storm gaten in het kronendak slaat of doordat bomen van ouderdom sterven. Het plotse licht op de bodem zet boomzaden aan tot ontkieming. Of de ‘wachters’ -boompjes die er reeds staan maar door gebrek aan licht in groeimogelijkheid tot dusver zijn beknot-, profiteren van het licht en schieten opeens snel de hoogte in.

Door bosomvorming doorbreekt de natuurbosbeheerder de gelijkjarigheid. Laat men dit na, dan herhalen de al aanwezige fasen van het bos zich gedurende eeuwen in het zelfde onveranderlijke tempo. Henk Koop berekende dat het ‘eeuwen’ duurt voordat het bos -bij een volkomen spontane ontwikkeling-, zich uit die gelijkjarigheid omhoog heeft getrokken naar een meer natuurlijk ritme van structurele en temporele afwisseling.

Omdat de duinbossen vrij jong zijn zal ook de biologisch interessante vervalfase van grote bomengroepen nog heel lang op zich laten wachten. Door groepjes, relatief nog jonge bomen te ringen, haalt men die vervalfase in de tijd gezien naar voren.

In het nog vrij jonge duinbos van de Waterleidingduinen is verjonging anderzijds nog niet direct aan de orde. De meeste bomen die er staan hebben nog vele tientallen jaren leven, zo niet eeuwen voor de boeg. Door nu al kunstmatig te gaan verjongen bouw je een te gering leeftijdsverschil op met de overblijvende, dus nog jonge bomen.

We zullen op deze plaats de reeds genoemde dr ir Henk Koop aanhalen. Hij schudde in de jaren 80 en 90 het Nederlandse bosbouwwereldje op met de publicatie van een aantal klassiek geworden artikelen over de omvorming van cultuurbos naar natuurbos. Waternet verzuimde zijn naam te noemen. Koop staat niet vermeld in de literatuurlijst van de Bosbeheervisie. Het uitgummen van de man die als eerste Nederlander op wetenschappelijke grondslag streefde naar een natuurlijk bosbeheer, is tekenend voor de afgang als natuurbosbeheerder, een rol die Waternet slecht speelt.

Henk Koop: ‘’Ongewenste grootschalige aftakelingen kunnen worden voorkomen door een inleidend beheer te voeren dat de kunstmatige homogeniteit doorbreekt. Aftakelingsgolven worden daarbij uit fase gehaald en een meer natuurlijk ritme van aftakeling en verjonging wordt op gang gebracht.’’

Een andere criticus van de Bosbeheervisie, de stichting Duinbehoud, vond in een reactie dat zes jaar omvormingsbeheer wel voldoende moet zijn. Een tikkeltje aan de optimistische kant. Duinbehoud vergat de regels die gelden bij het tegenwoordige omvormingsbeheer.

Koop: ‘’Heeft men op grond van de homogene uitgangsstructuur besloten tot omvorming, dan is het verschil tussen de huidige leeftijd en de geschatte fysiologische maximumleeftijd van de opstand de daarvoor resterende tijd. Over deze perioden moeten de verschillende lichtingen worden verdeeld. Hoe dichter men het einde van deze periode nadert, des te meer doen zich al spontane aftakelingsprocessen voor.’’

Die maximumleeftijd voor de Zomereik op de vrij arme duinzandgrond mogen we misschien schatten op een paar eeuwen. Op een veel langere periode dan de luttele zes jaar die onze nevenstichting ervoor wil uittrekken zal de bosomvorming beslag moeten leggen.

De bossen na zes jaar aan het spontane verloop van de natuur overlaten betekent het langdurig voortbestaan van één en dezelfde bosfase. Biologische rijkdom komt weliswaar op den duur vanzelf aanwaaien, maar dan laat de ongelijkjarige toestand met zijn structurele en biologische veelzijdigheid erg lang op zich wachten.
Door ingrijpen kan je het proces aanzienlijk versnellen, komt de biologische variatie snel naderbij. De noodzaak om nú al in het duinbos in te grijpen is er niet, het duinbos is daarvoor te jong. De omvormer neemt geduldige zijn tijd: tot wel een eeuw of meer na het heden is hij werkzaam. Het kortstondige denk- en doenwerk van Duinbehoud staat hem niet aan.

Maar het zijn toch de latere mensengeneraties die beslissen of men al voldoende biologische bosrijkdom in huis heeft, om te besluiten de natuur van het bos haar gang te laten gaan. Alleen de exoten buiten de deur houden: opkomende plantjes hiervan uittrekken, dat is de enige inbreuk op het dan spontane verloop.

De Damherten

De Bosvisie acht de noodzaak aanwezig om de bosverjonging tegen de hertenvraat te beschermen door uit te rasteren. En hier valt Waternet pardoes door de mand.

De Bosvisie is geldig tot en met 2027. Waternet geeft met die rasters aan dat Damherten tot in het jaar 2027 een gevaar vormen voor het zich verjongend duinbos. De doelstand van 800 dieren die in 2020 volgens het faunaplan moet zijn gerealiseerd, is in de daarop volgende jaren, te weten 2020-2027, kennelijk niet laag genoeg om alle habitattypen, in dit geval de bosverjongingsfase, te vrijwaren van overbegrazing.

In het nationaal park Zuid Kennemerland, driehonderd hectare groter dan de Waterleidingduinen, is de doelstand 200 Damherten. Waarom daar zo laag en in de AWD zo hoog, terwijl de vegetaties grote overeenkomsten vertonen?

Het is een publiek geheim dat de PvdA-wethouder destijds dit hoge aantal wenste, om het gebied aantrekkelijk te houden voor de recreant. Wat voor de toeristenhoofdstad een magische lokkertje is, de ontelbare coffeeshops, dat zijn de talloze Damherten voor het Amsterdamse duineigendom. Hoge bezoekersaantallen werken verslavend. Politici stellen recreatieve normen , de wet stelt natuurbehoudsecologische. En vandaar ook de juridische processen, nodig om door politici geplande fietspaden enz. tegen te houden. Straks is weer de bosbouw aan de beurt.

In de echte natuur van het noordelijk halfrond was de dichtheid van Damherten hooguit enkele dieren per honderd hectare (= 1 vierkante kilometer). De lage dichtheid wordt in hoge mate bepaald door predatoren als Wolven, Bruine beren en Lynxen (en de Poema in Noord-Amerika). In afwezigheid van die natuurlijke predatoren kan de beheerder toch evengoed een bos ontwikkelen dat qua vegetatiestructuur en biologische rijkdom grotendeels overeenkomt met het natuurlijke bos. Zolang je de grote invloed van de hertenvraat op de structuur van het bos maar weet te temperen. Wat eenvoudig is door de hertenstand op die verantwoorde, natuurlijke lage dichtheid te brengen.

Die stand ligt bij 78 Damherten.  Jaarlijks hoeven slechts ongeveer 22 dieren te worden afgeschoten, zijnde de netto-aanwas. (Of de dieren worden weggevangen en naar een hertenkamp overgebracht. De zeer betrokken dierenschermers die te hoop lopen tegen de ‘moordzuchtige mens’ willen de kosten vast wel voor hun rekening nemen.)

Dat getal van 78 rekenden wij uit aan de hand van de, voornamelijk internationale literatuur over het onderwerp. We komen uit op een dichtheid van 2,3 Damherten per 100 hectare  bosgebied. De natuurlijke stand voor de Waterleidingduinen, groot 3400 hectare, schommelt dan rond de 78 Damherten. Dit moet dan wel een absoluut maximum voor de Waterleidingduinen zijn. De herten trekken immers steeds weer naar de binnenduinbossen, waar ze zich concentreren tot een dichtheid die al snel hoger ligt dan de lage dichtheden die onder genoemde natuurlijke omstandigheden van het bos worden aangetroffen. Zouden de maximumaantallen in het iets grotere NPZK ook circa 80 dieren zijn, dan kom je opgeteld uit op ca. 160 Damherten voor het hele Natura 2000-gebied Kennemerland Zuid. En dat is tevens het minimumaantal waarbij je net niet met de wet in aanvaring komt. De wet vereist een voldoende grote en gevarieerde genenpool van het Damhert, en die is 150 herten.

Gewone Esdoorn

De Gewone esdoorn is bij ons geen uitheemse soort. De Nederlandse Ecologische Flora stelt:

‘’Het is aannemelijk dat Gewone esdoorn ons land ook zonder hulp van de mens wel via de rivierdalen zou hebben bereikt. Tegenwoordig sluit het Noordwest-Europese verspreidingsgebied ‘naadloos’’ op het Midden-Europese aan, en de Gewone esdoorn verjongt zich op grotere schaal dan het merendeel van de loofbomen die hier al voor de jaartelling groeiden.’’

De Gewone esdoorn zie je midden tussen de duindoorns opkomen, en die gaat in zijn schaduw dood. Houd de Gewone esdoorn dus uit de buurt als de instandhouding van het -internationaal zeldzame- habitattype Duindoornstruweel verplicht is gesteld. Inmiddels tot boompje uitgegroeide exemplaren elimineer je door ze te ringen.

Merkwaardig genoeg gaat de Bosvisie niet in op een andere heikele kwestie: die van het voortbestaan van het Zomereikenbos. Dat bos loopt groot gevaar te verdwijnen als gevolg van de verdringing door de Gewone esdoorn. Esdoorns priemen in een razendsnelle jeugdgroei dwars door de kroon van de Zomereik heen. Ook de lichtbehoeftige eik legt het subiet af tegen de schaduw die de Gewone esdoorn over hem werpt.

De Gewone esdoorn lijkt een climaxsoort te zijn, maar het oudere esdoornbos is biologisch interessant genoeg. De bladeren van de Gewone esdoorn nemen kalk op, de kalk wordt door de wortels uit de diepere grondlagen gezogen, door bladval in de herfst wordt de bosbodem met kalk verrijkt. Aldus werkt de Gewone esdoorn de verzuring tegen. Eiken- en Beukenblad verzuren de bodem. Ook de Beuk is een climaxsoort, die verdringt eveneens het Zomereikenbos. Maar veel zie je hem niet. De Beuk is wel aangeplant in de AW-duinen.

De spontane opeenvolging van boomsoorten, ook wel de successiereeks genaamd, zou elke natuurbosbeheerder met respect gadeslaan. Maar kies je behalve voor een natuurlijke bossuccessie tevens ook voor het behoud van algemene bosbiodiversiteit –d.w.z. richt je je op het behoud van verschillende ecosystemen en bijhorende soortenrijkdom-, dan moet je wel eikenbossen aanwijzen die gevrijwaard blijven van invasie en overheersing door de Gewone esdoorn. In die eikenbossen zal te alle tijden bestrijding van Esdoorns moeten plaatsvinden, -door het uitsteken van jonge exemplaren of het ringen van oudere. Het beheersdoel is dus tweeërlei: zowel het behoud van de bestaande eikenbossen als een spontane ontwikkeling naar esdoornbos.

En weer buitengewoon vreemd, dat in de Bosbeheervisie deze belangrijke boskwestie niet aan de orde is gesteld! Maar logisch, heeft dat niet te maken met het voornemen van de houtteelt en het houtoogsten? Dat levert een geheel ander, continu door mensenhand gestuurd bos op. Een cultuurbos.

Adelaarsvaren

Het oprukken van de velden Adelaarsvaren in de Waterleidingduinen mag een zorg zijn, het was voor de beheerder geen aanleiding om er een notitie aan te wijden.

De Adelaarsaren gedijt door de stikstofverbindingen, afkomstig van verkeer, industrie en landbouw. Stikstof is natuurlijke voeding voor de plant. Maar er daalt een te grote hoeveelheden op onze natuurgebieden neer. Ook zouden de oplopende jaartemperaturen de wildgroei van de Adelaarsvaren veroorzaken.

Wilde zwijnen zijn in staat met hun gewroet de dichte wortelmat van de varens te doorbreken. Maar het Evertzwijn is in de duinen uitgestorven. Onder een dichter wordend kronendak sterft de varen in het bos weliswaar af, en door maaibeheer is de varen goed weg te krijgen in die open delen waar uitbreiding dan wel herstel van het bos gewenst is.

De duinen zijn grotendeels van nature door bos bedekt.

Houden zo! Maar de neiging bestaat om terwille van een recreatief gevarieerd landschap stukken bos te kappen en er stuifvlakten van te maken, zoals op de Berg van Mikwel. Wij vinden dat al de bossen in het oostelijk deel van de AWD gewoon bos(landschap) moet blijven.

Bescherm het bos langs de paden. Gooi er eens paden uit.

In de duinbossen van de Waterleidingduinen ontdek je paden die niet op de wandelkaart staan. Deze zijn in de loop van de tijd vanzelf ontstaan: struiners willen voor de afwisseling wel eens een nieuwe route belopen. Nieuwe paden ontstaan ook doordat de beheerder de laatste jaren bezig is geweest alle, ja álle rustgebieden in het oostelijk deel op te heffen. Er waren er al zo weinig. Zoals recent de Berg van Mikwel: foetsie. Een breed en druk belopen pad ontstond waar eerst geen mens kwam.

We vragen ons af of voor deze bestemmingswijziging, voor deze Vondelparkzucht,  door de provincie een vergunning is afgegeven. Voorts zijn we van mening dat de bossen uitsluitend toegankelijk mogen zijn over wandelpaden. Voor de rust van de fauna, het intact laten van de bodem(tegen het kaallopen), moet het struinen verboden worden. Vanaf de vele paden is meer dan genoeg te zien. Gelukkig hebben de meeste mensen geen behoefte om van het pad af te gaan. Die enkeling is de klos.

Alsof door reuzehanden een fijnmazig visnet aan wandelpaden over de Waterleidingduinen is geworpen, van een groot aaneengesloten, intact bos is geen sprake. De mogelijkheid om de natuur in dit opzicht beter tot haar recht te laten komen zou uitvoering geven aan de verbeteropgave van Natura 2000. De ontsnippering van het duinbos komt een eind in de richting als de officieuze paden worden opgeheven, plus enige officiële. Het terreinbeheer is nu wel erg toegespitst op recreatiebeheer.
In een echt natuurlijk bos komen nooit mensen. Maar recreatie taboe verklaren is gekkenwerk, zeker in een Randstad waar velen de natuur, de ruimte en de rust nodig hebben om een beetje op adem te komen.

Op deze aspecten van de recreatie gaat de Bosvisie niet in. Hoewel de menselijke druk bepalend is voor de kwaliteit van de natuurwaarden.

Ook het bos pal naast de paden is beschermde natuur!

Daarnaast koestert Waternet het plan om de paden eens keurig op te schonen. Bomen die naar men vreest wel eens om zouden kunnen vallen, moeten om. Dit is zonder meer aantasting van natuurwaarde.

HID wil benadrukken dat ook de bosranden onder de natuurbeschermingswet vallen. Ook bomen die doodgaan dienen, misschien nog meer dan tijdens hun leven, de natuur. ’Dood hout doet leven’, luidt het vitale gezegde. Kevers, spechten, dood houtzwammen, en zo voort, het is al genoemd. Ruim een derde van alle biodiversiteit en naar schatting 50 procent van de totale bosfauna is afhankelijk van dood hout. Een dode boom kan nog vele jaren overeind staan. Staande dode bomen vervullen als speciale categorie dood hout –naast die van de liggende stammen- een cruciale rol in het natuurlijk beheerde Hollandse duinbos.

Amsterdam wil opofferen voor de recreant. In zijn overspannen streven naar veiligheid worden bomen omgezaagd in een strook van mogelijk wel twintig meter links en twintig meter rechts van de bospaden.

Die stroken bos langs de vele paden waarmee de duinbossen zijn doorsneden tikken bij elkaar aardig op. We zullen de totale oppervlakte nog eens exact uitrekenen. Maar voorlopig lijkt het erop dat Waternet enige tientallen procenten van het toch al versnipperde maar beschermde duinbos wil ontdoen van het belangrijke staande dode hout, om maar te voldoen aan de vermeende veiligheidseisen van de passant.

Is dat terecht? Stel, een dode boom valt binnen twintig jaar om, nadat hij is afgestorven. Dat omvallen gebeurt bij voorkeur tijdens een storm, het omkiepen duurt enige seconden. Dan zou er net een wandelaar onderdoor gaan?

Amsterdam sluit de bossen bij storm en ontij maar netjes af. Een laantje met veel staand dood hout wordt eenvoudigweg afgesloten. Of de wandelaar wordt stevig ontraden er te gaan wandelen. Of hij/zij doet dat op geheel eigen risico. U bent gewaarschuwd! De natuur heeft voorrang, niet de noodzaak dat élk bospad te alle tijden toegankelijk moet zijn.

Het ‘struinen’ in de bossen moet worden verboden, we zeiden het al. De Houtsnip is een doelsoort van de Habitatrichtlijn. De daarin vervatte herstelopgave verplicht Amsterdam de stand van de nu verstoorde Houtsnip omhoog te brengen. Natuurlijk zullen ook andere bosvogelsoorten profiteren van de rust in het bos.

Het ligt niet in de lijn van de verwachting dat Waternet, of de Amsterdamse raad die tot nu toe weinig om de natuurbescherming gaf, tegemoet zal komen aan de wensen van de natuurbescherming. Zij willen op de eerste plaats het natuurgebied voor het toerisme op de kaart zetten, alsof het hier ging om het Vondelpark. Illustratief voor de misplaatste aandacht voor de recreatie in een beschermde natuurgebied is de overdreven hoeveelheid foto’s van recreanten in het voorlichtingsblad Struinen.

Maar de rechter gelukkig wel. Want het is nog steeds een beschermd natuurgebied!

Conclusie

Deze zogenaamde Bosbeheervisie Amsterdamse Waterleidingduinen 2016-2027 kan zo in de kringloopbak van GroenLinks. Het plan leidt geenszins tot een natuurlijk bosbeheer dat tevens recht doet aan de Natura 2000-doelstelling.

Het voorstel tot het telen van hout in een beschermd natuurgebied is een diepe belediging voor de natuurbescherming. Wethouder Udo Kock moet eens een directie aanstellen die gevoel heeft voor de natuur en die met kennis van zaken te werk gaat.

In de Bosbeheervisie is de beschrijving van de bosomvorming naar een natuurlijker duinbos ver onder de maat. De visie is overbezorgd voor de veiligheid van de recreatie. Daaraan wordt tenminste één wezenskenmerk van het natuurlijke bos -het staand dood hout-, opgeofferd.

Waternet en de gemeente Amsterdam gaven in het verleden al ruimschoots blijk van veronachtzaming. We noemen de prunusplaag die zich niet in die volle omvang had hoeven en mogen ontwikkelen, waardoor uiteindelijk in het kader van een moeizame bestrijding hele landschappen op de schop gingen. De onkunde en desinteresse van de beleidsmakers resulteerde voorts in een plaag van Damherten die het einde betekende voor verschillende biotopen, en de vele planten- en insectensoorten en tenslotte vogelsoorten die er voorkwamen.

Nu moeten de bossen het gaan ontgelden, want er moet zo nodig hout worden geproduceerd en geoogst. Wat een ramp dat onverschillige gemeentepolitici een natuurgebied mogen beheren, de eens unieke en soortenrijke Waterleidingduinen.

Literatuur

Heybroek, H.M.,1984. Bosbeheer ten behoeve van natuurwaarden. In: Nederlands Bosbouwtijdschrift 56 (9/10): 229-239

Jansen, Patrick & Mark van Benthem, 2008. Bosbeheer en biodiversiteit [i.s.m. Stichting Probos en Het Geldersch Landschap]

Koop, H., 1981. De schaal van spontane ontwikkeling in het bos. In: Nederlands Bosbouwtijdschrift 53(3): 82-90

Koop, H., 1986. Omvormingsbeheer naar natuurlijk bos: een paradox? In: Nederlands Bosbouwtijdschrift 58(1/2): 2-11

Lenders, A.J.W., Juni 2016. Beheer van Adelaarsvaren in Nationaal Park De Meinweg. In: Natuurhistorisch Maandblad

Londo, G., 1991. Natuurtechnisch bosbeheer. Natuurbeheer in Nederland, deel 4 [Handboek Rijksinstituut voor Natuurbeheer]

Ouden, Jan den, Bart Muys, Frits Mohren & Kris Verheyen (Red.), 2011. Bosecologie en Bosbeheer. Leuven/Den Haag

Ripple, W.J. & R.L. Beschta, 2012. Large predators limit herbivore densities in northern forest ecoystems. Eur. J. Wildl. Res.

Weeda, E.J., R. Westra, Ch. Westra & T. Westra. 1999. Nederlandse Oecologische Flora, Wilde planten en hun relaties. Hilversum/Haarlem

 

 

 

 

 

 

 

 

Wie hebben het afschot van 5000 Damherten op hun geweten? De dierenbeschermers.

Protest op de Dam tegen het afschot van Damherten. Wil de PvdD er 5000 kruizen neerzetten, en een spandoek met vetgekakt een schuldbekentenis.
De Partij voor de Dieren protesteerde op de Dam tegen het afschot van Damherten. Wil de PvdD er 5000 kruizen neerzetten? En een spandoek met vetgekalkt een schuldbekentenis?

 

Wat bezielt de Partij voor de Dieren om politieke propagandapraatjes te verkopen ten gunste van hordes Damherten die moeten doorgroeien tot in de hemel?
De hertenplaag van bijna Bijbelse proporties heeft het rijkgeschakeerde duinlandschap al tot  op de bodem kaalgevreten.
Dat fraaie resultaat noemen de dierenbeschermers heel geleerd ‘zelfregulatie’.

Wat de sektarische dierenpartij ook niet deert: de onbelemmerde populatiegroei zal eens leiden tot ernstige voedseltekorten, ten koste van het dierenwelzijn. Eenmaal voedselgebrek, let op, dan achten de dierenbeschermers het weer op z’n plaats dat de verzwakte dieren een genadeschot krijgen toegediend,  om ze uit hun lijden te verlossen. Eerst verzwakken en vervolgens doodschieten.

Zieke dieren plegen zich echter terug te trekken in schuilhoekjes. Dat is het duinstruweel, waar je ze niet gauw terugvindt. De jager-boswachter die belast is met het afschot staat voor een schier hopeloze zaak. Die ene boswachter van dienst, die ene op duizenden hectare, hij zal  toevallig achter in het duin er zijn om het ondraaglijke lijden bijtijds een halt toe te roepen? Het beleid van ‘reactief afschieten’ zal jammerlijk falen.

Door het verzet van de dierenbeschermers tegen elke vorm van jacht, ook beheersjacht, tellen de Amsterdamse Waterleidingduinen (AWD) nu zo’n 3800 Damherten. Deze exoten hebben alle inheemse Reeën verdrongen.
In het Nationaal Park Zuid-Kennemerland (NPZK) telde men voorjaar 2015: 734 Damherten. Daar slaagden de dierenbeschermers door procederen er steeds in de jachtvergunningen op te schorten. De beheerder hield vroeger de stand vrij netjes op 200 dieren.

Om toch te voldoen aan de ‘gunstige staat van instandhouding’, een eis van de natuurbeschermingswet, heeft de provincie na lang treuzelen erin toegestemd om in dit Natura 2000-gebied, Kennemerland-Zuid, waartoe NPZK en AWD behoren, de herten door middel van bejaging te reguleren.

De natuurbeheerders kregen wel van de provinciale handhaver ruim de tijd om de herten tot een voor de natuur hanteerbare balans terug te brengen. Het afschotplan is uitgespreid over liefst vijf jaar; de Damherten zullen hierdoor maar langzaam in tal en last afnemen, te langzaam, want hoog blijft voorlopig de jaarlijkse aanwas, en ook dat surplus moet worden afgeschoten.

Door niet in één keer de aantallen terug te willen brengen naar de gewenste doelstanden zullen er uiteindelijk véél meer dieren moeten worden afgeschoten . Weliswaar levert dat extra biologisch keurvlees op. Maar de keuze voor een trage uitvoering van een hoe dan ook noodzakelijk afschotplan is bepaald geen overwinning te noemen voor de dierenbeschermers. Die willen uiteraard dat er zo min mogelijk herten worden gedood, liefst helemaal geen.

Omdat de dierenbescherming drommels goed weet dat aan afschot niet valt te ontkomen -omwille van de dwang die uitgaat van de natuurbeschermingswet, waarvan ze terdege op de hoogte zijn-, hebben zij nu heel wat te verantwoorden.

Hoe verantwoorden dierenbeschermers hun ‘massamoord’?

Waren zij immers jaren geleden, toen de stand zich nog op een laag peil bevond, akkoord gegaan met een afschot dat overeenkwam met de jaarlijkse aanwas, dan hoefde er thans niet zoveel afgeschoten te worden. Hoeveel?

Laten we dat eens uitrekenen. We gaan een som maken die voor de heer Bram van Liere, provinciaal statenlid van Noord-Holland en de heer Johnas van Lammeren, raadslid te Amsterdam, beide van de Partij voor de Dieren en strijders voor de dierenrechten, te behappen is en stof tot nadenken moge geven.

In de AWD bedroeg de stand bij de telling in voorjaar 2015: 3000 Damherten . Elk jaar worden er dieren geboren en sterven er dieren; dat resulteert in een jaarlijks netto aanwas van 27 procent. Thans, februari 2016, zullen in de AWD ongeveer 3800 Damherten rondlopen. Nu voorziet het Faunabeheerplan hier in een totaal afschot van circa 3870 exemplaren, teneinde na vijf jaar de doelstand te bereiken van 700 Damherten (Faunabeheerplan, Damherten in het Noord- en Zuid-Hollandse duingebied, 2016-2020, blz. 91).
In het NPZK worden in deze vijf jaar 1950 dieren geschoten om op een doelstand van 200 te komen.
Totaal worden in AWD en NPZK geschoten 3870+1950=5820 Damherten.

Omdat de dierenbeschermers aankondigden te gaan procederen, kon de eerste afschotronde, deze winter, al meteen afgeblazen worden. Dat betekent dat de reeds omvangrijke kuddes bambies zich nog een jaar langer kunnen uitbreiden aleer het eerste schot in een stille duinvallei weerklinkt. Het betekent dat er nog veel méér moet worden afgeschoten dan het voorliggende plan wil.

Laat de dierenbescherming daarom niet klagen dat er sprake is van ‘massamoord’. De massadoding hebben ze door hun irrationele, louter ideologisch bewogen en starre opstelling aan zichzelf te danken. Huichelarij kent zijn grenzen. Ook politici moeten het niet al te bont maken, al zijn we veel van ze gewend.

Als de dierenliefhebber de natuurbeheerder gewoon zijn vakwerk liet doen, was er nu geen sprake geweest van uit de hand gelopen populaties Damherten die de natuur kaalvreten en vertrappen. Als de natuurbeheerders het voor het zeggen hadden gehad, dan bedroeg het afschot sinds jaar en dag enkel de netto jaarlijkse aanwas. Die trouwens amper genoeg vlees oplevert om een arme stadswijk van voldoende voedselbankvoedsel te voorzien (en we brengen de lezer in herinnering: al heel lang bestaat er vraag naar overheerlijk damhertenbiefstukkenvlees; ook de hogere standen worden geconfronteerd  met schrijnend maatschappelijke tekorten).

Bij de doelstanden van het door de provincie onlangs goedgekeurde Faunabeheerplan 2016-2020 bedraagt het jaarlijks afschot in de toekomst voor de NPZK 45 dieren, bij de AWD 156, zegge totaal 200 dieren. In vijf jaar regulier beheer is dat opgeteld 1000 dieren. Nogmaals, dat is het afschot bij een gunstige staat van instandhouding. Maar nu moeten wegens achterstallig onderhoud eerst nog bijna zes keer zoveel beesten worden doodgeschoten, -alleen maar om die doelstanden te halen.

Jawel, dankzij het verzet van de bambiidolaten worden er onnodig 5820-1000=bijna 5000 Damherten doodgeschoten! Dat lijkt, gezien hun eigen opvatting daarover, meer dierenbeularij dan dierenliefde. Want: doodschieten=dierenleed. (Echter, als de kogel welgemikt is dan wordt er toch niet geleden?)

Volgens onze stichting is de provinciale doelstand evenwel nóg te hoog. Zie onze zienswijze, enige berichten terug te lezen op dit blog.
Die luidt kort samengevat: pas bij een doelstand van 160 Damherten, voor AWD en NPZK sámen, zal het duinbos zich kunnen herstellen.

En volgens het Verdrag inzake Biologische Diversiteit (CBD) dient het Damhert als invasieve exoot ‘indien passend en mogelijk’ te worden uitgeroeid. kp

 

 

St. Herstel Inheems Duin is wél tegen dit Faunabeheerplan!

 

bond
Gedeputeerde Jaap Bond lag jarenlang onder zwaar vuur van de agressieve, mensvijandige en (in wezen bij nadere beschouwing ook diervijandige) dierenlobbyisten. Koelbloedig weerstond hij de onverholen vijandschap. Als een geheim agent 008 overleefde hij alle aanslagen.

 

Gisteren, woensdag 27 januari, was Het Parool zo vriendelijk onze ingezonden brief te plaatsen. Die schreven wij naar aanleiding van de reportage die  Patrick Meershoek maakte over de commissievergadering van Provinciale Staten waar, maandag jongstleden, het Faunabeheerplan op de agenda stond.

Het afschotplan van de Damherten in het Natura 2000 Kennemerland-Zuid werd door PS aangenomen, zij het met tegenstemmen van de linkse partijen (die allen geen gevoel hebben voor het ware natuurbehoud en bovendien geen snars blijken af te weten van het natuurbeheer).

We stuurden onderstaande brief in. Maar die was nogal lang en de redactie plaatste een bekorte versie.  Van professioneel redigeren knapt een brief altijd op, daarvoor dank aan de redactie.
Helaas lijkt het nu net, of onze stichting goedkeuring hechtte aan dit Faunabeheerplan. Uit de brief zoals die werd ingezonden blijkt dat we afstand nemen van dit ontoereikende wildbeheer:

[titel?] Jaap Bond’s sneer is onterecht.

De provincie geeft goedkeuring aan het Faunabeheerplan in de Amsterdamse waterleidingduinen. Dat werd tijd. Het verwijt echter van gedeputeerde Jaap Bond (CDA): ‘’Als Amsterdam eerder had ingestemd met maatregelen, was het afschot beperkt gebleven’’, treft tevens eigen doel: Bonds passieve opstelling. Iedereen die het natuurgebied kent weet dat het zeer slecht gesteld is met de stand van de bloemen, de vlinders, de bijen; alle struiken verdwenen uit het duinbos, alles door kaalvraat van hordes damherten. Specialisten stelden dat jaren geleden vast. De wet vereist een ‘gunstige staat van instandhouding’ en dit moest voor Bond aanleiding zijn om het onwillige Amsterdam een aanwijzing te geven. Hij deed niets. Anders had dit extra afschot voorkomen, want de populatie groeit door. Ik heb wel een vermoeden van zijn bestuurlijk onvermogen .

Een doelstand van 600 damherten (echter veel te hoog om het duinbos zich te laten herstellen) kent een jaarlijkse aanwas van circa 270 herten. Even groot is de oogst door jacht. Maar deze is groter dan bij een (verantwoorde) stand van 80 dieren. Het CDA wil een zo groot mogelijk oogst van het land, logisch, daarvoor is die partij. Maar dan: wat is natuurbehoud nog in dit land.

K. Piël,
St. Herstel Inheems Duin

 

Zienswijze op het beheersplan van Damherten in de AWD

 

ZIENSWIJZE op de aantalsreductie van Damherten in Natura 2000 Kennemerland-Zuid volgens de ontwerpbesluiten van GS provincie Noord-Holland,

door Stichting Herstel Inheems Duin,  4 jan 2016.

Het Ontwerpbesluit ”Natuurbeschermingswet 1998 gebruik ontheffingen Flora- en faunawet: populatiebeheer Damherten N2000-gebied Kennemerland-Zuid”,  november 2015, van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland behelst het verlenen van een vergunning aan Faunabeheereenheid Noord-Holland (FBE) voor het populatiebeheer van de Damherten. Als voorwaarden, voorschriften en beperkingen voor dat beheer verwijst GS naar de Passende beoordeling (Pb). Deze is door Bureau Waardenburg vervaardigd.

Concreet dient de Pb vast te stellen of de door de FBE voorgenomen aantalsreductie van de Damherten, zoals vermeld in haar rapport ‘Faunabeheerplan, damherten in het Noord- en Zuid-Hollandse duingebied, 2016-2020’, wel of geen significante negatieve effecten heeft op de natuurwaarden zoals die beschermd zijn volgens de instandhoudingsdoelen van Natura 2000.

De Pb stelt vast dat door het afschot geen significant negatieve effecten optreden. De Pb merkt daarentegen op:

‘’De handelingen leiden tot een reductie in aantallen dieren en daarmee in de begrazingsdruk door damherten. Dit zal een positief effect hebben op de instandhoudingsdoelen voor grazige vegetaties (grijze duinen), struwelen (kruipwilg) en bossen (binnenduinrandbossen, duinbos droog). Aan het uitblijven van bloei, verdwijnen van plantensoorten, oprollen van struweel en het verdwijnen van een tweede etage met bodemvegetatie in bossen en uitblijven van bosverjonging komt een einde. Ook de neergang in de organismen die van bepaalde voedselbronnen (nectar) of structuren (tweede etage) afhankelijk zijn komt een einde. Instandhoudingsdoelen zijn gediend met een reductie van aantallen damherten. Ook een flink aantal ‘oude doelen’ zijn gediend bij een beperking van de graasduk door damherten: vegetatie, vogels, zoogdieren en landschap.’’ (p. 6)

 Wij stemmen grotendeels in met het bovenstaande. Echter, de Pb gaat akkoord met de aantallen herten die de FBE wil gaan afschieten. Op dit punt wijkt ons standpunt ten stelligste af van het FBP, bijgevolg ook van de Pb alsmede het Ontwerpbesluit dat zijn goedkeuring hecht aan de Pb.

Die doelstanden zijn o.i. namelijk veel te hoog gesteld, de aantallen herten die er volgens de streefstand uiteindelijk rondlopen geven geen enkele garantie dat de natuur van de AWD zich zal herstellen op de wijze die in bovenstaand citaat wordt voorgehouden. Het betreft met name de door Natura 2000-regeling beschermde Duinbossen H2180 in de Amsterdamse Waterleidingduinen (AWD). De bossen herstellen zich niet bij een beoogde stand van 600 tot 800 Damherten. Bij een streefstand van nul Damherten is die garantie er wél; althans een langzaam zich herstellende kwetsbare plantengroei loopt geen gevaar door welke hertenvraat dan ook.

Daarom bestrijden wij dit Ontwerpbesluit, dat immers gestoeld is op een Pb die nalaat de evidente negatieve effecten van een te hoge doelstand van 600 tot 800 Damherten te onderkennen.

Dat besluit is niet in het belang van een gunstige staat van instandhouding, waarvoor de provincie als handhavende instantie een grote verantwoordelijkheid draagt. De provincie handhaaft niet adequaat; integendeel, zij ziet lijdelijk toe hoe door een te hoog aanvaarde doelstand van het Damhert in een reeds gedegradeerd Natura 2000-gebied niet aan de instandhoudingseisen kan worden voldaan.

De Pb stelt vast: ‘Het Faunabeheerplan 2016-2020 beoogt de populatie terug te brengen tot een acceptabel niveau, van 800-1000 dieren’.
Echter, op geen enkele wijze wordt dit niveau beargumenteerd op basis van de draagkracht van het duin.

Dit niveau betreft het hele Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid. Omdat de doelstand in het deelgebied Nationaal Park Zuid-Kennemerland 200 dieren bedraagt, zal de doelstand in de Amsterdamse Waterleidingduinen 600-800 dieren bedragen. Een doelstand van 600 Damherten betekent voor de AWD, groot 3400 hectare, een dichtheid aan Damherten van 18 stuks per honderd hectare, de doelstand van 800 betekent 23 herten per 100 ha.

Een lage dichtheid van hoefdieren kenmerkt de natuurlijke ecosystemen:
Zelfs een beoogd minimum van 18 herten in het FBP steekt ver uit boven het aantal dat een bos kan verdragen. Algemeen wordt het aantal Edelherten dat een bos kan hebben, zodanig dat er nog van boomverjonging sprake is, gesteld op circa 4 Edelherten. Deze lage dichtheid onderbouwen wij met de volgende wetenschap.

In het beleidsdocument ‘’Natuur in bossen, Ecosysteemvisie Bos’’, wordt een dichtheid van 2,5 Edelhert per 100 ha aangehouden waarbij ‘’natuurlijke verjonging van het bos mogelijk blijft.’’ (blz. 111)

“Dichtheden van 2 tot 4 grote hoefdieren per 100 ha zijn vanuit het oogpunt van ontwikkeling van spontane, oorspronkelijke bosgemeenschappen op de Veluwe redelijk.’’ (blz. 114)

‘’De referenties liggen in de dunbevolkte gebieden in Scandinavië, voormalig Joegoslavië en Rusland. Hier zijn natuurlijk dichtheden van (minder dan) 1 hoefdier per 100 ha (Mayer en Neumann 1981). […] ‘’De in Nederland gangbare dichtheden van 4 tot meer dan 10 hoefdieren per 100 ha bos (edelhert, wild zwijn en ree) zijn echter aan de hoge kant (Hazebroek en Groot Bruinderink 1994).’’ (blz. 108)

In het Nationale Park De Hoge Veluwe is de streefstand 200 edelherten. De leidende gedachte hierbij is een balans te vinden tussen de dier- en plantensoorten (De Nederlandse Jager 9/2013). 200 Edelherten betekent alhier een dichtheid van 4,4 Edelherten/km, wat al enigszins overeenkomt met een natuurlijke dichtheid en een bos als een zichzelf instandhoudend ecosysteem.

De door Stichting Probos gesteunde uitgave ‘Bosbeheer en biodiversiteit’ stelt vast: ‘’ De ontwikkeling van naald- naar een meer gevarieerd loofbos wordt vrijwel altijd sterk belemmerd en lijkt alleen mogelijk bij minder dan drie edelherten of pony’s óf minder dan vijf reeën per 100 hectare.’’ (blz. 165)

Gill en Morgan gaan in hun artikel ‘The effects of varying deer density on natural regeneration in woodlands in lowland Britain ’ (Forestry Vol 83 no 1, 2010) uit van 4 tot 8 herten per 100 ha teneinde voldoende boomzaailingen een overlevingskans te bieden. Het volgende geldt weliswaar voor dennenbos: ‘’In the Scottish Highlands, deer browsing has long been known tot hamper regeneration of native pinewoods (Watson, 1983). A number of investigations have led to recommendations that deer densities need to reduced to between 4 and 8 deer km2 to enable sufficient seedlings to survive (Holloway, 1967; Beaumont et al., 1995; Miller et al., 1998; Scott et al., 2000).’’

De natuurbeheerder kan streven naar een zo rijk mogelijke flora en fauna alsmede streven naar aantallen hoefdieren die kenmerkend zijn voor meer natuurlijke ecosystemen.
Dr. Cis van Vuure in ‘De Oeros, het spoor terug’ (rapport 186 WUR):

‘’Zo was vroeger in Europa niet alleen de dichtheid van elanden lager dan in de huidige gecultiveerde bossen, dit geldt ook voor edelherten (2-10 per 1000 ha; Fröhlich 1955, Meister 1969) en reeën (1-3 per 100 ha; Schwend 1950, Meister 1969). Hetzelfde geldt voor Noord-Amerika, waar de dichtheden van het witstaarthert (Odocoileus virginianus) vroeger lager waren dan tegenwoordig, namelijk 2-4 per 100 ha tegen nu rond de 10 per 100 ha (Noord-Wisconsin, Verenigde Staten) (Alverson e.a. 1988). Ook daar heeft de mens voor een groter voedselaanbod in het bos gezorgd, waarvan dit hert profiteerde.’’ (blz. 247)

De dichtheden van herten in de meer oorspronkelijke natuurgebieden zijn laag . Wolven, beren en lynxen eisten hun tol. Ripple en Beschta concluderen in een uitgebreide literatuurstudie (1) dat de hertendichtheden in systemen zonder wolven ongeveer zes keer hoger zijn dan systemen met wolven: ‘’2,6 vs. 15.5 DE/km2’’

DE staat voor ‘deer’. Ripple en Beschta stellen: deer = 1 DE, Caribou = 2 DE, Elk = 3 DE.
De Noord-Amerikaanse Elk (Nederlands: Wapitihert) weegt aanzienlijk zwaarder dan ons Europees Edelhert en neemt meer voedsel tot zich. Ongeveer geldt: 1 Edelhert = ¾ Elk = ¾ x 3 DE = 2,25 DE.

Voor een dichtheid in een natuurlijke omgeving telt derhalve 2,6/2,25 Edelherten = 1,15 Edelherten per 100 hectare (=1 km2), -aldus wijzen de door Ripple en Beschta onderzochte 42 studies uit.

De nota ‘Voorstel voor landelijk beleid ten aanzien van Damherten’, uitgebracht door Vereniging het Edelhert (VEH), stelt qua voedselopname 1 Edelhert equivalent aan 2 Damherten (blz. 26).

Hiermee rekening houdend komen er onder meer natuurlijke omstandigheden 2 x 1,15 Damherten = 2,3 Damherten per 100 hectare voor. In de AWD zou dit wezen: 34 x 2,3 = 78 Damherten.

VEH beveelt evenwel in zijn beleidsnota voor de duingebieden bijna een dubbele hoeveelheid aan van 4 Damherten per 100 ha (blz. 28). Borduren we voort op deze beleidsaanbeveling dan bieden de 3400 hectare grote AWD ruimte aan 4 x 34= 136 Damherten. Dat is echter het dubbele aantal herten dat op grond van de hierboven geciteerde Amerikaanse literatuurstudie over natuurlijke gebieden aangeeft

Voor alles moeten de Amsterdamse Waterleidingduinen een kans krijgen zich te herstellen, te beginnen bij een stand van nul Damherten. Een langzaam herstellende plantengroei mag op geen enkele wijze hinder ondervinden van zelfs maar de laagste dichtheid aan Damherten.

FBP hanteert verkeerde cijfers, GS aapt na:
Als het FBP de Duitse studie die het citeerde nu eens als leidraad nam voor zijn na te streven dichtheid in deelgebied de AWD? Naar analogie van een streefstand voor het NPZK van 320 Damherten (=10 x 32) geldt dan voor de AWD 340 dieren (=10×34). Dat is tenminste al veel lager dan de voorgestelde 600-800 Damherten.
Citaat:

‘’Een Duitse studie uit 2002 komt uit op een – gezien de wintervoedselsituatie en bescherming van de houtproductie en natuurwaarden – maximale dichtheid van 7 damherten per 100 hectare. Het onderzoek vond plaats in een gebied in Brandenburg/Duitsland van meer dan 1 miljoen hectare, vrij eenzijdig open bosgebied: naaldhout op zandgrond, met ondergroei van grassen en adelaarsvaren – een relatief arm biotoop. De wintervoedselvoorraad is met name de beperkende factor. De uitkomst van deze studie komt in grote lijnen overeen met de conclusies van Uekermann. Op basis hiervan geldt voor een gebied zoals NPZK (arme grond; leefgebied circa 3.265 hectare) dat een evenwichtige damhertenpopulatie dient te bestaan uit (ruim) minder dan 10 dieren per 100 hectare (ruim minder dan 320 dieren), om zichzelf in stand te houden en altijd voldoende voer te kunnen vinden zonder de aanwezige vegetatie blijvend te beschadigen. Deze maximale dichtheid gaat ook nog eens uit van het niet aanwezig zijn van reeën en grote grazers. In NPZK zetten de beheerders grote grazers in als belangrijke beheersmaatregel en is er (nog) een populatie reeën aanwezig.’’ (FBP blz. 54)

Die ’(ruim) minder dan 10’ Damherten is gewenst indien men serieus rekening houdt met het wél aanwezig zijn van de runderen en Reeën in het NPZK. Het achterwege blijven van een onderzoek naar deze nog veel lagere aantallen Damherten is een omissie in het FBP. De Pb had op deze omissie mogen wijzen en GS hadden hier moeten ingrijpen.

Wanneer wél rekening wordt gehouden met die overige grote plantenetende fauna, is er in NPZK zeker véél minder plaats dan 320 damherten. Omdat er rasters op de NPZK-grens ontbreken nam men uit veiligheidsoverwegingen evenwel genoegen met een lagere streefstand van 200 Damherten. Dat aantal komt weliswaar in de buurt van de door Vereniging het Edelhert geadviseerde 4 Damherten per 100 ha. En in elk geval is het ook ‘’veel minder’’ dan 320, -een aantal Damherten dat ontoelaatbaar zou concurreren met de Reeën en runderen en paarden, een aantal ook dat minder zekerheid biedt aan een rijkgeschakeerde vegetatie en aan de kleine fauna-elementen, zoals insecten.

In de communicatie wordt steeds gesproken over een vrije doorgang voor de herten over de natuurbrug(gen). De verschillend gekozen doelstanden van Damherten in enerzijds de AWD en anderzijds het NPZK zullen door spontane migratie over de natuurbruggen vermoedelijk globaal naar eenzelfde concentratie bewegen. Het valt daarom niet in te zien waarom die doelstanden zo hemelsbreed verschillend zijn gekozen.

Logisch is te kiezen voor de laagste dichtheid. Temeer daar beide deelgebieden eenzelfde graasdruk verdragen. Alterra stelde vast: ’De vegetatietypen en de flora verschillen niet tussen beide deelgebieden.’ (Alterra-rapport 1198. E.A. Grift et al. ‘Ontsnippering Zuid-Kennemerland’, blz. 34)

Het is ook om die laatste reden niet te begrijpen waarom het FBP inzake het NPZK een Duits rapport aanhaalt dat wijst op het behoud van een soort van ecologisch evenwicht, maar zich voor de AWD beperkt tot een dominantie der Damherten.

Het FBP stelt zonder meer dat de AWD 600 Damherten kunnen herbergen. Het is een getal dat nergens wordt toegelicht. Zelfs de door FBP aangehaalde nota van Alterra ‘Hoeveel damherten en reeën kunnen leven in de Amsterdamse Waterleidingduinen op basis van het natuurlijke voedselaanbod’, april 2013, levert geen goed cijfermateriaal dat als basis kan dienen voor een populatie van 600 Damherten.

Het FBP zegt over dit rapport:
‘’Alterra heeft de draagkracht van de AWD bepaald op basis van een erkende methode en berekend dat een gezonde populatie van circa 600 damherten duurzaam moet kunnen leven op het natuurlijk voedselaanbod in de AWD. De berekening houdt ook rekening met dierenwelzijn: bij dit aantal is er geen concurrentie om voedsel en zullen dieren ook veel minder geneigd zijn naar de omgeving te trekken. De methode berust op het schatten van het voedselaanbod in de nawinter, de energetische bottleneck voor de damhertpopulatie.’’ (blz. 55)

Alterra berekent op basis van de energiebehoefte van een gemiddeld Ree en een gemiddeld Damhert voor hoeveel dieren voedsel beschikbaar was. De uitkomst was Damhert 407 en Ree 369 stuks. Ook werd een schatting gemaakt van de aantallen damherten wanneer het Ree volledig van het toneel verdween (zoals inmiddels is geschied):
Uitgaande van een ree van 15-20 kg heeft een ree voor zijn onderhoudsmetabolisme dus 5 tot 6 MJ/dag nodig. Een damhert van 50-60 kg 14MJ/dag. 1 damhert is dus in dit opzicht het equivalent van 2 – 3 reeën. Er zou dus plaats zijn voor 407,2 + (368,7/2-3) = 530,1 – 591,6 stuks damherten. Omdat het dieet van ree en damhert verschillend is en deze vertaalslag daar geen rekening mee houdt, beschouwen we deze uitkomst als een zeer globale bandbreedte.’’ (blz. 11)

Volgens deze berekening is er bij een geheel verdwenen populatie Reeën plaats voor 600 Damherten. Als er wel Reeën aanwezig zijn dan is er plaats voor 407 damherten, – wanneer er althans 369 Reeën zouden leven.

De stellingname in het FBP dat er in Waterleidingduinen bij een gelijktijdig herstel van de Reeënstand plaats is voor 600 Damherten is ondeugdelijk; deze streefstand is veel te hoog.

GS neemt de verkeerde voorstelling van zaken niettemin klakkeloos over.

Het tweede Ontwerpbesluit van GS, ‘’Flora- en faunawet besluit 49 (2015); Ontheffing ex artikel 68, beheer binnen leefgebied damhert’’, geeft eveneens abusievelijk goedkeuring aan een gebrekkig FBP:
‘’Voor deelgebied AWD geeft u een gewenste streefstand van 600 tot 800 dieren. Uw FBP Damhert onderbouwt deze streefstand als een stand waarbij schade aan flora en fauna in het gebied op een acceptabel niveau ligt. Met deze stand zal er ook voldoende ruimte en voedsel overblijven voor een levensvatbare reeënpopulatie bijvoorbeeld.’’ (blz. 20)

Helaas, het FBP ondernam zelfs geen schuchtere poging tot onderbouwing van een streefstand van 600-800 Damherten waarbij de schade aan flora en fauna op een acceptabel niveau ligt.

Een gedegen argumentatie is daarentegen van cruciaal belang en het is merkwaardig dat GS doet alsof die onderbouwing bestaat.

Met een streefstand van 600 tot 800 Damherten is terugkeer van het Ree in een levensvatbare populatie buitengewoon onzeker. Om te voldoen aan een gunstige instandhouding is daarnaast terugkeer van een volwaardig en functionerend duinbos vereist. Ook dan is er voor veel minder Damherten plaats dan de nu voorgestelde 600 tot 800 exemplaren, zoals hierboven aan de hand van literatuur wordt aangetoond.

Evenmin rept het FBP van een noodzakelijk herstelperiode onder het regime van een zeer lage graasdruk.
Voor terugkeer van de Ligusterstruiken, het behoud van de Kruipwilgstruwelen en de bloemen en de insecten die zich eveneens moeten herstellen van de overbegrazing door Damherten, is het beter om het zekere voor het onzekere te nemen: streven naar de lage dichtheden die de Vereniging het Edelhert al aangaf, dichtheden die wij hierboven van een fundament voorzagen door middel van opgaven uit de literatuur.

Het rapport van het OBN-deskundigenteam ‘Damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen, hun invloed op het duinlandschap en de kwaliteit van enkele habitats’, mei 2013, stelt dat een lage dichtheid al gevolgen heeft voor het duinbos:

‘’Het droge duinbos wordt intensief door de herten gebruikt. Dit is duidelijk te zien op plaatsen waar rond 2000 exclosures zijn gemaakt. In deze exclosures is sprake van een beter ontwikkelde struiklaag dan daarbuiten. Hierbij moet worden opgemerkt dat dit verschil waarschijnlijk een gevolg is van de langjarige aanwezigheid van damherten. De rasters zijn immers al 13 jaar geleden geplaatst. Als het ontbreken van een struiklaag alleen een gevolg zou  zijn van de intensieve begrazing van de laatste jaren, dan zouden buiten de exclosures nog de restanten aanwezig moeten zijn van afgevreten struiken en jonge bomen. In de bosgedeelten die tijdens het veldbezoek zijn bezocht was dat niet of nauwelijks het geval. Dit betekent dat de bosverjonging en de  struiklaag waarschijnlijk al bij lagere dichtheden van damherten verdwijnen.’’
(OBN, blz. 22)

Herten verzamelen zich in het duinbos:
Volgens de Zoogdiervereniging komt het damhert ‘’vooral voor in lichte loofbossen en gemengde bossen’’ ‘’Overdag rusten ze en herkauwen ze in de ondergroei van het bos of op een afgelegen grasland’’.
Dr J. Mourik, voormalig beleidsadviseur ecologie bij Waternet en thans sprekend namens de KNNV afdeling Haarlem en de Dagvlinderwerkgroep Zuid-Kennemerland illustreert met cijfers deze voorkeur voor het bos, in het artikel ‘Bloemplanten en dagvlinders in de verdrukking door toename van Damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen’, De Levende Natuur, juli 2015.

‘’In de AWD liepen de aantallen in 2014 uiteen van 25 dieren per 100 ha in het open landschap van de zeeduinen en het zuidwesten tot 200 dieren per 100 ha in bos- en struweelrijke binnen- en middenduinen (Aldershof, 2014).’’ (blz. 185, 186).

Omdat Damherten geneigd zijn zich in bossen te concentreren dient hiermee voor de berekening van een gemiddelde dichtheid voor het gehéle duingebied rekening te worden gehouden. Een gemiddelde dichtheid van 4 Damherten zoals Vereniging het Edelhert voorstaat betekent geenszins dat de gemiddelde dichtheid in de bossen hetzelfde zal zijn; deze ligt gezien het citaat maar liefst achtvoudig hoger. Conclusie:
Om het gemiddelde van 4 Damherten in het duinbos te bereiken dient de gemiddelde streefstand voor de gehele AWD vele malen lager te liggen.

Wellicht zal na veel ervaring voor de hele AWD een totaal van hooguit enige tientallen dieren wenselijk blijken te zijn, teneinde het duinbos naar de oude toestand te herstellen en te laten functioneren in zijn kenmerkende boseigenschappen zoals ondergroei en boomverjonging. Daarbij is hier nog geen rekening gehouden met de vraat door een herstellende populatie Reeën; dat herstel betekent op zich al een nog lagere dichtheid van Damherten.

Een beginnende nulstand verdient zelfs de voorkeur als we zouden uitgaan van het voorzorgsprincipe.

Het is ongerijmd dat het FBP voor verschillende dichtheden heeft gekozen:
Het streven voor de AWD is 600 tot 800 Damherten. Bij een aantal van 800 wordt de gemiddelde dichtheid 23,5 Damherten per 100 ha. Voor het nog steeds struweel- en bosrijkere (dus gunstiger Damhertenleefgebied) NPZK is het streven 200 Damherten; gemiddeld 5,3 per 100 ha. Dit opmerkelijk grote verschil in dichtheid is een direct knelpunt bij de aangekondigde openstelling van de natuurbruggen voor de fauna. Initieel zullen de hongerende dieren bovendien uit de AWD wegtrekken naar het veel gunstiger leefgebied (voedsel, dekking) van het NPZK, met als gevolg een (te) hoge dichtheid daar. Of de natuurbruggen zullen voor altijd voor herten gesloten moeten blijven, maar dat kan toch niet de bedoeling van faunapassages zijn?

Conclusie:
Het aantal dieren moet integraal worden afgestemd op de laagste draagkracht, zodat de AW duinen zich van de overbegrazing kunnen herstellen en de Damherten de kans krijgen zich evenwichtig over het hele leefgebied tussen IJmuiden en Noordwijk te verspreiden.

Het Damhert is een verdringende exoot en moet daarom bestreden worden:
Het Damhert is lang geleden door de Romeinen naar ons land gehaald. Vanwege de natuurbescherming is het ongewenst dat een exoot inheemse soorten verdringt. Duidelijk is dat de inheemse Ree verdween als gevolg van sociale stress en de voedselconcurrentie met het Damhert. Het Biodiversiteitsverdrag verplicht in artikel 8 indien ‘passend en mogelijk’ tot uitroeiing van invasieve exoten. Een FBP dat de natuurbeschermingsconventies c.q. internationale verdragen serieus neemt beveelt een streefstand aan van nul Damherten. De provincie wil het verdrag niet uitvoeren en geeft geen uitvoering aan het Verdrag.

Het afschotplan in het FBP roept afzonderlijke ergernis op:
Dat is over liefst 5 jaar uitgesmeerd. Een hoge stand van duizenden dieren wordt in de eerstkomende jaren kennelijk toelaatbaar geacht. Niet in één keer terug willen gaan naar de gewenste doelstand betekent onnodig extra aanwas toelaten en navenant extra afschot, terwijl de reeds gedecimeerde natuurwaarden geen verdere aderlating verdragen. Uitgesteld afschot zet de natuurwaarde extra onder druk.

Mourik concludeerde reeds in De Levende Natuur:
‘’Aan een snelle en forse reductie van de begrazing en dus de dichtheid is niet te ontkomen, ook voor het welzijn van de Damherten zelf.’’

Wij bepleiten daarom het afschot in de AWD in één jaar tijds te realiseren.
En wel naar een voorlopige streefstand van 50 Damherten, of minder.

Voor Stichting Herstel Inheems Duin,
K. Piël

Literatuur
(1) Ripple W.J., Beschta R.L. (2012) Large predators limit herbivore densities in northern forest ecosystems. Eur J Wildl Res.
http://ir.library.oregonstate.edu/xmlui/bitstream/handle/1957/28411/Large%20Predators%202-15-12%20figures%20interleaved.pdf

Freewheelen met grootveehouder Free Nature

 

Deze herbivoren wil Free Nature graag terug, dat is een heel loffelijk streven. Maar is dat alles?

Geef de natuurgebieden een forse recreatieve impuls en zie daar: het ‘draagvlak’ voor het natuurbehoud groeit als kool.

Van dit loepzuivere waanidee, ‘hoe meer recreatie hoe beter voor de natuur’, is het vaderlandse natuurbehoud bezeten geraakt.
Het Wereld Natuur Fonds, Vereniging Natuurmonumenten, het Staatsbosbeheer, niemand wil achterblijven om van de daken te schreeuwen dat veel méér mensen de natuur in moeten gaan om er flink van te genieten. Koste wat het kost!

Hoe meer mensen je op de schaarse natuur afstuurt, hoe groter het draagvlak voor het behoud ervan. Recreatie is voor de
moderne natuurbeschermer kennelijk dé oplossing om dat verondersteld zwak draagvermogen te vergroten.
Maar het lijkt er thans op, dat de recreatie als enige motief voor natuurbehoud is overgebleven. Recreatie, genieten en beleven van het buiten-zijn, sluit het niet naadloos aan bij het hedonistische tijdperk waarin we leven? Jawel.

‘Beleving’ in al zijn facetten als motief tot het beschermen van de natuur verdient heden schijnbaar verre de voorkeur boven het doen van een beroep op ethische motieven. Die worden al gauw vaag bevonden. ‘Natuur behouden om haar zelve.’ Ze klinken ouderwets, zal het de twitterende jeugd nog wel aanspreken? Wat is ‘duurzaam’ natuurbehoud, en hoe motiveer je de mensen. In elk geval:

Leve de natuurbeleving!
Dus mountainbiken, -dat is met een tweewielertje een beetje stoer, een beetje jongensachtig, een beetje infantiel wat mij betreft, met veel lawaai en jolijt crossen door het meest afgelegen en stille bos dat in ons armzalige Holtland nog te vinden is. Met de zege van Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer.
Of avontuurlijk op stap gaan met de boswachter die een echte breedgerande donkergroene hoed op de kop heeft getikt die sprekend lijkt op die van een vooroorlogse Zuid-Afrikaanse blanke wildwachter, heel apart.
Een spannend stelsel van knuppelbruggen aanleggen kris en kras door het teloorgegane ‘oerbos’, het moerassige Beekbergerwoud, dat als een feniks uit de as zal herrijzen, zij het met beheermatig kunst- en vliegwerk.
Drieduizend rustieke vogelkijkhutten neerzetten zodat elk plasje en elk moerasje overzichtelijk wordt gepresenteerd aan een steeds grotere schare birdwatchers (waartegen de vleesberg van soepganzen die de weilanden bevolken het getalsmatig afleggen).

Zeg niet dat het postmoderne natuurbehoud niet minstens zo goed voor zijn ledenbestand zorgt als voor de natuur zelf. Die clubs houden bij hoog en laag mooi vol allereerst de natuur te beschermen, tegen de opdringende mens.
Ik koester mijn zeer gegronde twijfel.

Onder het mom van het vergroten van het draagvlak organiseren Staatsbosbeheer en PWN-Noord Holland heuse ‘safari’s’. Kenia uit de gratie geraakt, of juist heel erg in, maar nu op eigen bodem. Op die safari’s wordt het publiek meegenomen naar de Oostvaarderplassen met zijn Heckrunderen en kreupele Koniks, respectievelijk naar het Kraansvlak met zijn kudde bijna aan inteelt bezweken Wisenten.
Recreatie is beregoed voor het draagvlak, en het gestruin levert in financiële zin wat op. Ligt het voor de hand dat de safari’s in de toekomst intensiever zullen plaatsvinden? Het zal met onze huidige ‘grondhouding’ van pretparken- en centencultuur, zolang die grondhouding maar ‘duurzaam’ is, logischerwijze uitlopen op een massaverschijnsel.

In de Nieuwste Wildernissen gaan straks drommen mensenbezoek eveneens wedijveren met de overpopulatie Grote Grazers. De natuurgebieden, gekenmerkt door rust en uitgestrektheid, en eens zeldzame ‘oorden van onthouding’, veranderen sluipenderwijze in drukke stadsparken. Iedereen zal wennen aan het drukke gedoe, aan de sporten en spellen waarvoor de poorten wagenwijd worden opengezet. De ‘oude’ generatie van hele echte stadsparken, die in de stad zelf, blijft nog immer bezoek trekken. Waarom dan niet de nieuwe, die nu ijverig door de beheerder uitgebeend wordt in onze resterende natuur?

Free Nature en z’n eenzijdige voorstelling van zaken.

Een der jongste loten aan de stam van de recreatie-business is de stichting Free Nature.
Free’s vondst om het recreanten naar de zin te maken bestaat eruit zoveel mogelijk runderen en paarden alsmede de terdege aaibare bever uit te zetten. Geen gouden vondst overigens, het is imitatie van voorgangers. Het schrille contrast van verwilderde kuddes op verwilderde terreinen (voormalige baggerdepots en droogmakerijen) midden in een overbevolkte verstedelijkt land, het heeft wel iets. Onmiskenbaar. Het oog wordt gestreeld en we zien eens geen asfalt, alleen verruigde wildheid. (De spoorlijn en de megagrote windmolens aan de horizon mogen  het blikveld niet al te zeer vernauwen.)

De Nieuwe Wildernis kent als landschap heus wel zijn bekoring en het is een opsteker voor het ‘draagvlak’.
Vrij zijn in een relatief nog schaarse ruimte! Eindelijk eventjes Freewheelen in de nieuwe natuur. Dat kan een volkje van miljoenen dat bij elkaar op de lippen zit heel goed gebruiken.

Free Nature doet met zijn ecologische smoel helaas tevens voorkomen dat begrazing zowat het voornaamste proces was in een meer-natuurlijk Europa. De stichting bouwt voort op de wetenschappelijke vondsten van dr Frans Vera; hij is gepromoveerd op een proefschrift dat het natuurlijke parkachtige oerbos verdedigd, -titel ‘’Metaforen van de Wildernis’’, uit 1997.

Dat proefschrift is voor een beetje geïnteresseerde best nog aantrekkelijke kost. Daar was nog geen charlatan opzichtig aan het werk. Wel degene is het die al 18 jaar lang koppig volhoudt dat ten gevolge van de begrazing door grote kuddes hoefdieren het voormalige oerbos van Noordwest Europa een zeer open karakter bezat, met natuurlijke weilanden hier en daar en waar het stierf van de grazende hoefdieren. De wetenschap is echter algemeen van opvatting dat de prehistorische bossen dicht en gesloten waren, waar de grazers slechts in lage dichtheden voorkwamen. Zijn proefschrift zette andere wetenschappers ertoe aan Vera’s argumenten nog eens aan een grondig onderzoek te onderwerpen. De oude opvatting van gesloten bos, dat Vera heftig bestreed en dat hij onverdroten blijft bestrijden, kon daardoor eens te meer worden bevestigd.

Een eenling kan groot gelijk hebben, maar dan gaat het meestal om geloofszaken. De wetenschap heeft Vera’s argumenten voor het open bostype danig  onderuitgehaald. Dat hij desalniettemin een vrij grote en zelfs dominerende aanhang onder natuurliefhebbers en natuurbeschermers heeft gevonden, is te danken aan het feit dat mensen graag geloof hechten aan heilsgedachten en aan de onbedwingbare menselijke behoefte een profeet in het zadel te helpen. Kan er tenminste één mens heilig worden verklaard, een voorbeeld voor ons allen. Waarschijnlijk speelt ook het underdog-effect waarvan profeet Vera wetenschappelijk gezien het slachtoffer is geworden een rol in de idolatrie van zijn adepten. Alternatief heeft een broertje dood aan Wetenschap, en daarom:
dr Vera is de dr Vogel van het Nederlands natuurbeheer. Zullen hun recepten helpen? Voor wie gelovig is wel.

Free Nature stelt vast dat grazers zijn gecoëvolueerd. Ja natuurlijk, allerlei natuurlijke milieufactoren bepaalden vorm en overige eigenschappen van de verschillende diersoorten en vanzelfsprekend zijn hun specifieke graasactiviteiten van invloed geweest op de natuurlijke omgeving. Waar het echter de aantallen herbivoren betreft, die evenzeer bepalend zijn geweest voor de (lager dan door Vera cum suis gedachte) effecten van die invloeden, daar overdrijft ook de stichting schromelijk. De oorzaak is gelegen in de wetenschappelijke onbevestigde hypothese dat de Oude Wildernis voornamelijk bevolkt was met grote aantallen herbivoren.  De onderzoeken van de verschillende disciplines tonen daarentegen aan dat de echte natuur van het noorden maar weinig grote dieren per oppervlakte-eenheid kende. Die situatie tref je nog steeds aan in enkele relatief schaarse ongerepte delen van Noord-Amerika en het noorden van Oost-Azië.

Helaas voor Free Nature!
In die ongereptheden is het geen prijsschieten zoals (theoretisch!) het geval op de ontelbare Damhertjes in de Amsterdamse Waterleidingduinen of op de duizenden Edelherten die de Oostvaardersplassen bevolken.

Deze herbivoren wil Free Nature graag terug, dat is een heel loffelijk streven. Maar is dat alles?
Maar is dat alles?  Free Nature vertelt niet wat waar is. Dat de predatoren de hertachtigen op een lage stand houden. Van hun voorspelde open graslanden komt weinig tot niets terecht. Alles groeit van nature dicht tot bos. De  recreatieve claim van een arcadisch open landschap met allemaal aaibare diertjes in de verte valt door de mand. En daarmee ook Free Nature’s integriteit als natuurbehoudsorganisatie


Mag je Free Nature
vooringenomenheid verwijten waar het zijn natuurdoelstelling betreft? Als je doel is gegrondvest op het werk van slechts één profeet-ecoloog (die in historische anticipatie zijn baardje heeft laten staan; maar zijn sik is gelukkig niet zo lang als de profeet van de moslims, er moet natuurlijk verschil wezen) wiens bevindingen door de wetenschap alom worden verguisd, wat rest er anders dan te denken dat Free Nature louter uit is op een ‘nieuwe natuur’ die prettig in de smaak valt bij een groot publiek? En hoe moet je trouwens anders aan de weg timmeren om groot te worden!

In het Vakblad Natuur Bos Landschap, nummer januari 2015, kreeg Free Nature liefst vier van de 28 tekstpagina’s tot zijn beschikking om in een wollig getint verhaal ‘onze grondhoudingen’ ten aanzien van de natuurbescherming toe te lichten. Hierna in de link is Free Nature’s jongste evangelie te lezen. Het leest als de Apocalyps van Johannes. Het is vrijwel even duister. Het wordt nog eens canon.

http://www.freenature.nl/free/download/common/vnbl_jan2015_cbraat-1.pdf

Iets anders tussendoor: Ons kleine land heeft gebrek aan bladen waarin discussie gevoerd kan worden over de natuurbescherming, inbegrepen allerlei kwesties van concrete aard. Er bestaan hier te lande maar een paar natuurbladen, maar daarin kan je zelden terecht met je kritiek. Een fietspad dat Natuurmonumenten dwars door de laatste ongebaande duinstrook van mogelijk heel Europa wil aanleggen (onder IJmuiden), is volgens mij een bijzonder schelle aanfluiting voor het internationale natuurbehoud. Is  over deze misstap ergens geschreven? Neen. Waar o waar kan je terecht?

In de redacties van die weinige bladen heeft Natuurmonumenten of Staatsbosbeheer onveranderd zitting. Ze roeren met een dikke vette vinger in de pap. Deze terreinbeheerders leggen altoos nadruk op de recreatieve aspecten, meer dan op het beschermen van de wezenlijke aspecten van de natuur. Zoals de rust en de ruimte: de gave uitgestrektheid van een relatief eindeloze natuur, hetgeen je juist in een drukbevolkt land als een kostbare parel aan de boezem zou willen drukken.
Het verpatsen ervan is in historisch perspectief de omgekeerde gang van zaken. Waar o waar is Jac. P. Thijsse?

Te veel aandacht in die natuurbladen voor de nieuwste natuur. Ook zij draaien zich dol op aaibare diersoorten, in plaats van het koesteren van de wezenlijke natuuraspecten. Ze zijn verzot op het harig spul waar vroeger alleen kleuters mee speelden. De infantiliteit van de postmoderne tijd.
Geen folder zonder de ontroerende (maar lege) blik van poedelachtige Schotse Hooglanders. En juist die slomerds leveren, vraag niet hoe volwassen mensen!, draagvlak en nog eens draagvlak op. Waar voor Natuurmonumenten in het bijzonder geldt: hoe meer leden, hoe geriefelijker de staat van de Kassa.

Helaas, discussies over natuurzaken vinden noodgedwongen plaats op weinig bezochte websites (dit blog wordt bij voorbeeld door hooguit enige tientallen personen gevolgd, maar: het is misschien ook niet erg leesbaar), verder op facebooks die niemand weet te vinden of in kortademige tweetlijntjes waarvan het er krioelt. Het tekent de bloedarmoede waaraan ons natuurbehoud lijdt.
Het debatmonopolie van de erkende natuurbehoudsorganisaties is verstikkend. Dat wil zeggen, over bepaalde kwestie wordt dat debat in de kiem gesmoord. En online valt er niet veel eer aan te behalen. Een blad valt op de vloermat en iedereen neemt het wel door, en dan heb je een goed debatforum. In principe dus.
Het is alles zorgwekkend, dacht ik. Of vindt u soms van niet?

In de grote kranten is maar weinig ruimte beschikbaar gesteld voor de natuur, laat staan debat. Trouw wel, maar dat dagblad volgt al te getrouw de geijkte meningen van het WNF, NM en SBB. Dat is één pot nat.

Diep was mijn verwondering dan ook dat een protestbrief die ik inzond, geschreven n.a.v. Free Nature’s stuk in het Vakblad NBL, zomaar werd geplaatst. Desondanks!
Die vergissing zal de redactie niet snel weer maken, vrees ik hevig. Ja, een lot in de loterij en de kans van mijn leven om enige anti-aaibare dierenzaken in een officieel natuurblad uiteen te mogen zetten. Deze week verscheen mijn  ‘weerwoord’. Weliswaar helemaal achterin. Het luidt aldus;

[titel:] Laat het streven de Oude Wildernis zijn!

Cris Braat noemt in het januarinummer van Vakblad NBL een paar grondhoudingen voor onze verhouding tot de natuur. Zoals: ‘’We moeten de natuur van ons cultuurlandschap koesteren’’. Deze grondhouding boort hij meteen met kracht de grond in. Want dat cultuurlandschap was een ‘’gedegradeerd, kaal en schraal landschap’’. Prof. dr Victor Westhoff heeft onze natuurbescherming bewust gemaakt van de vele gradiënten die de oude boeren onbedoeld in het landschap aanbrachten en de daarmee samenhangende grote biologische variatie, ook ten gevolge van die schraalheid!

Westhoff kon nog spreken van ‘botanische schatkamers’, de heer Braat kent misprijzen: ‘’Grote delen van de zandgronden waren arm aan voedsel, begroeiing en dieren. Geschikt voor schapen en korhoenders’’. Na deze wijze opmerking mag ik wel mijn ‘Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland’ in vijf delen, benevens andere vegetatiekundige naslawerken die over antieke schatkamers handelen, de vuilnisbak inkieperen. Wist Braat niet dat de korhoenders uitstierven door het verdwijnen van de ouderwetse overgangen met de bijhorende rijkdommen aan kruiden en insecten? De ondergang bleek fataal voor de kuikenoverleving.

Op een diepere ‘grondhouding’ stoelt Braats voorliefde voor Nieuwe Wildernis. Alfa en omega is voor hem de natuur die ’weer op eigen benen kan staan’. Voorafgaande menselijke invloeden en bestaande vervuiling ziet hij gemakshalve over het hoofd. Het hele concept NW is daarom te vrijblijvend.

Het concept deugt principieel van geen kant, als men wél de relatie herbivoren versus vegetatie in alle toonaarden, als een kostbaar wildernis-achtig fenomeen, bezingt, maar een andere invloedrijke relatie doodzwijgt: die van predatoren vs. herbivoren Een vloed van (buitenlandse) literatuur leert, dat de predatoren een wezenlijke invloed uitoefenen op de aantallen herbivoren, met alle gevolgen van dien voor de voedselketen en de voorkomende plantengemeenschappen. De grazers kwamen in zéér lage dichtheden voor.

De overheersend kracht van ‘Top Down’ doet opgeld in de internationale literatuur, ’Bottum Up’ bij de ongeïnformeerde adepten van de Nieuwe Wildernis. Ons natuurbehoud weet zich bijna niet meer te ontworstelen aan de zucht naar safariparken. Deze moeten de pretparktoeristen overmatige aantallen verwilderd huisvee voorschotelen. Het concept Nieuwe Wildernis is louter een recreatief concept, en de grondhouding berust bij het recreatieschap.

Predatoren ontbreken, en jagers wordt verboden naar die lage maar functionele aantallen te herstellen. Ruïneuze kaalvraat door kunstmatig grote kuddes doet niettemin wild, woest en ledig aan.

Eén grondhouding, die alles met het écht natuurbeschermen van doen heeft, noemt Braat schandelijk genoeg niet. Dat is het benaderend reconstrueren van de verdwenen oernatuur, de natuur zónder historisch menselijke invloed: de natuurlijkheid van bossen, hoogvenen, beekdalen etc. zoveel mogelijk herstellen, met inheemse soorten Maar dat vergt stuurmanskunst. En aan beheren heeft Braats Free Nature een broertje dood. Het past niet zo bij hun ‘beleven en genieten’ van doelloosheid, die meer dan welkome afleiding in een strakke cultuur. Maak van de natuur geen drug.

K.Piël, Herstel Inheems Duin, kpil@xs4all.nl

 

Natuurmonumenten weet niet wat natuurlijk is.

 

Het Deelerwoud moet van Natuurmonumenten 'nagenoeg natuurlijk worden'. Mooi, maar dan zijn zoveel herten, die alleen varens in leven laten maar verdere struik- en kruidenlaag niet, onnatuurlijk.
Het Deelerwoud moet van Natuurmonumenten ‘nagenoeg natuurlijk worden’. Mooi. Maar dan zijn zoveel herten, die alleen varens in leven laten maar de verdere struik- en kruidenlaag niet, onnatuurlijk.

 

 

Onderstaand verhaal was mijn reactie op een reactie van Natuurmonumenten (dié te vinden: 29 januari 2015 12:49) op Paul Bouwmeester’s essay ‘Dierenvrienden zijn destructiever voor de natuur dan alle stropers bij elkaar’ . Nu krijg ik mijn bijdrage maar niet geplaatst op Joop.nl en een goede link leggen lukt ook al niet, maar zoek http://www.joop.nl/opinies/

Hier volgt mijn niet geplaatste ingezonden stukje:

Natuurmonumenten zegt: ‘’we zijn een natuurbeschermingsorganisatie die een rijke biodiversiteit als doel heeft’’. De vraag is waarom de vereniging niet álle natuurlijke kenmerken, zoals rust en ruimte, ongestoordheid en aaneengesloten natuur tot haar natuurbehoudsobject rekent?

Het lijkt nu nergens naar: deze week maakt NM op zijn website druk reclame voor het trailrunnen. Dat stoere uitputtende gesjouw gaat dwars door sloot, beek, moeras, duin en bos. Rennen maar jongens en meisjes! En help met z’n allen gezellig de natuur naar de klote. Nou ja, dat laatste zeggen ze er niet bij, -het is een inkeurige vereniging.

In steeds meer natuurmonumenten duiken de mountainbikers op. Een knappe kop die kan uitleggen wat dat met natuurbehoud van doen heeft. Nee, Natuurmonumenten is wel de laatste die kan zeggen dat ze nog voor het natuurbehoud opkomt. Onder de nieuwe directeur Van den Tweel vindt tegenwoordig een versnelde verbouwing plaats van ‘natuurmonument’ naar sportterrein. Zelf is hij fietsfanaat en doet niets liever dan met een burgemeester een lintje doorknippen. Knip, daar gaat ie, alweer een track gerealiseerd! Ja, Thijsse, je opvolger is geen suffe prikkebeen die uren stilstaat bij een parelmoervlindertje, maar een oergezonde zwetende kilometervreter met biefstuk onder z’n reet, eentje die genoeg heeft aan een voorbijrazend decor van wazig groen.

Het afschaffen van de beheersjacht is de volgende stap. Waarmee de vereniging opnieuw blijk geeft niets te snappen van het natuurbehoud.

NM ziet liever helemaal geen jacht, de vereniging vreest tegenwoordig ledenverlies, en bemoeit zich daarom met de hobbyjacht op de agrarische gronden, zijnde 60 procent van Nederland. NM’s kersverse moderne inzichten in het natuurbehoud moeten ook gaan gelden buiten het eigen hobbysportterrein.

Maar overal in de wereld is de beheersjacht een middel van de natuurbeheerder. Dat moet opeens overboord? NM beweert in haar reactie dat ze in de “grote gebieden” via ‘’natuurlijk begrazing’’ tot een “hoge biodiversiteit” wil komen. Het Deelerwoud is zo’n gebied. Volgens de nota “Meer natuurlijk landschappen bij Natuurmonumenten’’ uit 1996, moet het Deelerwoud zich gaan ontwikkelen naar een ‘’nagenoeg natuurlijk boslandschap’’.

Daar hoort uiteraard een wildstand bij die overeenkomt met dat natuurlijke boslandschap. Voor de wetenschap staat wel vast dat de dichtheid van herten zeer laag is als de roofdierenfauna van Bruine beren, Wolven en Lynxen intact is. Zolang de natuurlijke predatoren afwezig zijn dient de natuurbeheerder zélf de hertenstand laag te houden, om te voorkomen dat de vegetatie door een onnatuurlijk hoge hertenstand gaat afwijken van het na te streven natuurlijke boslandschap. En zonder beheer zal de soortensamenstelling van de dierenwereld (die van de eerste afhankelijk is) eveneens gaan afwijken van de meer oorspronkelijke na te streven natuur.

Dat laatste heeft zich al voltrokken in de Oostvaardersplassen. Bij uitstek is dat géén gebied dat overeenkomsten vertoont met een ‘pleistoceen landschap’, zoals het laatst in een euforische stemming een langs het moeras rijdende WNF directeur in een tweet liet weten. De manager-filosoof is een domoor. Ook voor hem geldt een popie jopie natuurbehoud en een gelikte mediagerichte organisatie.

Hertenpopulatie zónder predatie exploderen tot wel het vijfvoudige van de meer natuurlijke toestand. De dichtheid kan kennelijk nog groter zijn, zoals bewezen in de Waterleidingduinen, waar soms al 200 Damherten per honderd hectare zijn geteld! Terwijl in een natuurlijk Europa een dichtheid van 1 of 2 herten normaal is.

Natuurmonumenten heeft geen idee wat ‘’natuurlijke begrazing’’ inhoudt. Ze weet het begrip niet te duiden, ze geeft geen definitie van het begrip, ze is onbeholpen in de weer. Je vraag je af waarom daar geen natuurbehoudsecologen in dienst zijn. Pr-deskundigen zat. Maar die kletsen er wat oplos.

Als het NM menens is met die biodiversiteit, waarom klaagt het als deelnemer van het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid  Amsterdam niet eens aan? Klagen en voorschrijven over de eigen grens heen vinden de leden immers zo geschikt? En de hoofdstad voert al tijden een volstrekt onverantwoord natuurbeheer in de Waterleidingduinen, het grootst aaneengesloten natuurgebied in het westen van het land.

Paul Bouwmeester slaat de spijker op de kop. Natuurmonumenten is niet langer de natuurbehoudsorganisatie van weleer. Het laat zich leiden door wat het volk wil, de eigen doelstelling van de statuten worden vergeten. NM is geïnfecteerd door de in zwang zijnde zogenaamde transparantie, door de medezeggenschap van Jan en alleman, door een soort vrijwillig gedwongen polderoverleg met mevrouw douairière Thieme van de dierenpartij. Ze zitten gezellig bij elkaar op schoot. En maar kroelen mensen, wat doen de dieren het zo goed. Aaibare, zorgzame aandacht voor elk individueel diertje, drukt dat niet prachtig onze hoogste ethische medegevoelens voor de natuur uit?

Dus als het beschermen van de laatste stukken rustige natuur in Nederland u bijzonder ter harte gaan, -natuur die góed beheerd en niét kaalgevreten wordt door idioot hoge aantallen herten, dan wel omgeploegd door hordes mountainbikers: zeg dan gerust uw lidmaatschap van Natuurmonumenten op. Uw geld is daar averechts besteed.

Groet,

K. Piël, Herstel Inheems Duin

Ps. Over de kaalvraat van de AWD en de schuld van de stadsyuppen: http://herstelinheemsduin.nl/parels-voor-de-zwijnen-3/

Parels voor de zwijnen

 

Maar dit is ook leegte. Protest op Dam in Amsterdam, tegen het beheren van damherten in Awd.
Maar dit is ook leegte. Protest op de Dam in Amsterdam, tegen het beheren van de Damherten in de Awd.

 

Vorig jaar verscheen het onderzoeksrapport Effect van damhertbegrazing op nectar- en waardplanten in de Amsterdamse Waterleidingduinen.  Uit dit onderzoek werd duidelijk dat de damhertenbegrazing ‘’de groei en bloei van nectarplanten sterk en in mindere mate van waardplanten in duingraslanden negatief beïnvloed.’’
Het rapport constateert dat grote nectarbronnen als ruwbladigen erg te lijden hebben van damhertenbegrazing. Welsprekend is de opmerking: “Waar binnen de graaskooien honderden bloemen van deze planten bloeiden waren de bloemen vrijwel onvindbaar buiten de graaskooien.’’

Laat honderden bloemen bloeien, een uitspraak van Mao tse toeng waar de linksige gemeenteraad van Mokum zich niks meer van schijnt aan te trekken. Alleen zieke en gebrekkige damherten, die evenwel vrijwel nooit te vinden zijn in het uitgestrekte en met struiken begroeide duinlandschap, die moeten ’reactief’ worden afgeschoten.  Het overgrote deel, de gezonde Damherten, fokt aan bij het leven. De toename is ongeveer 30 procent per jaar. Zelfs de konijnen kijken daar verbijsterd van op.

Voorjaar 2014 telde men in de AWD officieel 2200 damherten. Let wel, dat is een minimum.

Bambie lijkt heilig verklaard. Het Damhert mag een invasieve exoot wezen en de inheemse Ree verdringen,  een toeristische trekpleister is die zonder meer.

Nu verschenen dit najaar twee nieuwe rapporten. We bespreken hier Parels van de Duinen 2014, de weerslag van een onderzoek dat in het afgelopen groeiseizoen uitgevoerd is door S. Olk van HBO Bos en Natuurbeheer en begeleid werd door ir. M. van Til, senior ecoloog en adviseur natuurbeheer Waternet .

Het onderzoek gaat over het voorkomen en de ecologie van de Keizersmantel en de Duinparelmoervlinder. Beide zijn zeldzame vlindersoorten, maar ze komen voor in de AWD. Hieronder enige citaten uit het rapport:

‘’De keizersmantel kan gezien worden als een indicator van structuurrijke open bossen met viooltjes en bloemrijke boszomen.

”De enige bramen die een bijdrage hebben geleverd als nectarbron voor de keizersmantel groeien in een (meestal stekelige) boom of struik als een soort klimplant. De invloed van damhertenbegrazing is hierin duidelijk herkenbaar. De delen binnen bereik van damherten worden opgegeten en alleenstaande bramen blijven klein en komen niet in bloei (eigen waarneming). Uit de eind vorige eeuw nog in het oostelijke deel van de AWD aanwezige goed ontwikkelde boszomen blijkt de bosbraam helemaal verdwenen te zijn.

‘’Gedurende het onderzoek is de soort [keizersmantel -kp] daar nog wel waargenomen, maar net als de akkerdistel kwam het koninginnekruid niet in bloei als gevolg van vraat door damherten (eigen waarnemingen).

‘’Damherten hebben een grote invloed op het huidige nectaraanbod voor de keizersmantel.”

Over de Duinparelmoervlinder merkt het rapport op:

‘’Twee nectarplanten zijn met grote voorsprong het meest bezocht: wilde liguster (Ligustrum vulgare) met 79 % en dauwbraam (Rubus caesius) met 20 % van alle bloembezoeken.

‘’Op termijn lijkt de (toenemende) druk van damhertenbegrazing een negatief effect op het aanbod van bloeiende liguster te kunnen hebben door het voorkomen van verjonging (eigen waarneming) en het schillen van bestaande struwelen. Dit proces is op het Rozenwaterveld al enkele jaren duidelijk aan de gang. Ligusterstruwelen die een paar jaar geleden nog vitaal waren en een grote bijdrage aan de nectarvoorziening leverden staan er daar nu weinig vitaal bij (persoonlijke mededeling M. Eggenkamp & M. van Til).

‘’Als de aftakeling van de ligusterstruwelen in dit tempo doorgaat is het aannemelijk dat deze tot voor kort zo belangrijke bron van nectar binnen een aantal jaren geen rol van betekenis meer speelt op het Rozenwaterveld.

‘’Als de aantallen damherten op het Zeeveld blijven toenemen kan dit in de nabije toekomst voor een belangrijk knelpunt in het aanbod van nectar zorgen.

‘’Andere belangrijke nectarplanten zoals slangekruid, gewone ossetong en distels komen onder de huidige begrazingsdruk van damherten nauwelijks tot bloei.

De algemene conclusie luidt:

”Het duurzaam voortbestaan van de populaties van de keizersmantel en de duinparelmoervlinder in de AWD is sterk afhankelijk van het nectaraanbod en staat onder grote druk van het nog steeds groeiende aantal damherten. Het succes van maatregelen om het nectaraanbod te vergroten en te verbreden staat of valt met de uitvoering op korte termijn van het ingezette beleid voor reductie van de populatie damherten.

Kortom: ‘’Actief beheer van de damhertenpopulatie wordt aangeraden.’’

Deze laatste aanbevelingen zijn door de onderzoeker onderstreept. Maar wie al enige jaren de strapatsen van Waternet en zijn superieur de gemeente Amsterdam volgt is dit eerder de roep van een eenzame in de woestijn. Ze luisteren niet. Al staan er dertigduizend strepen onder. Al worden alle rapporten die nu verschenen zijn en in de toekomst nog zullen verschijnen op grote stapels op de Dam ten toon gespreid. Al worden alle kruisen ter ere van heilige Bambie in brand gestoken en de stapels voor niemendal geschreven onderzoeksrapporten erbij.

Al vele jaren is er schade aan de natuur en aan de soortenrijkdom.
En hoe reageert Waternet op de dure wetenschappelijke raad eens actief te gaan beheren? Dat leest u voorin in het rapport:

‘’De meningen, conclusies en aanbevelingen in dit rapport zijn de verantwoordelijk van de auteur en reflecteren niet zonder meer het standpunt van Waternet.’’

De directie natuurbeheer bestaat het zijn twijfel ten aanzien van een wetenschappelijk onderzoek uit te drukken. Des te groter de vertwijfeling van de wat meer geïnteresseerde natuurliefhebber.

Vele jaren geleden had directeur natuurbeheer, de heer Ed Cousin, de noodklok moeten luiden. Als hij kennelijk niets voelt voor verantwoord natuurbeheer, wat zoekt hij daar nog?

Een prachtig soortenrijk duinlandschap valt ten onrechte onder het beheer van stadspolitici. Parelen voor de zwijnen, ook dit mooie rapport, onderstreept of niet.

Parels van de duinen legt de vinger op de wond, maar niet erg waarschijnlijk dat het door een gemeenteraadslid wordt gelezen.
Het raadslid legt liever een lui oor te luisteren bij de dierenbeschermer. Een aaibare diersoort casu quo Bambie is voor een politicus die aan zijn achterban moet denken stukken belangrijker dan ingewikkeld onderhoud van een stuk  natuur daar helemaal aan de kust.

Waarom komt er geen wet, die natuurgebieden verplicht laat beheren door vakmensen natuurbeheer, door een ware natuurbeschermer als opperbaas. kp

https://www.waternet.nl/projecten/dossier-damherten/terugblik/

 

Ons natuurbehoud geeft misleidende informatie over de Oostvaardersplassen

OVP 4magesCECCENTY

Over de verdienste voor het natuurbehoud van de Oostvaardersplassen gesproken:

De OVP is zeker geen voorbeeld voor een Holland zoals zich dat tot op heden ontwikkeld zou hebben als de mens niet ons land was binnengekomen, als er dus geen menselijke invloed was geweest. Natuurbehoud doet voorkomen alsof dit wel zo is.

Het drooggelegde stukje IJsselmeer waaruit de OVP is ontstaan -en voorheen golfde er de nog meer oorspronkelijke, brakke Zuiderzee-, is geen kopie van de oernatuur, ook niet van een voorbeeld zoals dat elders in een oer-Holland had bestaan, of nog zou hebben bestaan.

De grote verdediger van het huidige gebied en zijn beheer, de bioloog  dr. Frans Vera, kwam in 1997 met een dik proefschrift voor de dag, ‘’Metaforen van de Wildernis’’. Daarin poneert  hij dat de niet door de mens beïnvloede natuur in Noordwest-Europa bestond uit grote kuddes grazende zoogdieren die de bossen een zeer open karakter verleend zouden  hebben, een soort parkbossen. Zijn theorie is door palynologen , archeologen en ecologen onderuitgehaald.

Ons land kende van oorsprong maar weinig wilde runderen en paarden; de laatste werden vrijwel niet gevonden in oude kampplaatsen uit de prehistorie.  Wel lagen er relatief veel botten van het Edelhert. Paarden konden  moeilijk vooruitkomen in een land dat doorsneden was met rivieren en beken, overdekt met vele  moerassen. De zeer uitgestrekte, onbegaanbare hoogvenen boden al helemaal geen paardenbiotoop.

Er is ook geen enkel bewijs dat grote groepen ganzen de rietvelden in toom wisten te houden, zoals Vera en Staatsbosbeheer beweren. De vergelijking met Serengeti  Nationaal Park gaat mank, daar heerst een geheel ander klimaat en de set aan Afrikaanse zoogdieren is onvergelijkbaar anders, veel soortenrijker en mede daardoor andere ecologisch-functionele relaties. Maar steeds komen ze weer met Afrika aanzetten. Want dat is handige pr.
Safari! Spanning! Romantiek!

Voor de hand ligt daarentegen een vergelijking met Europa en Noord-Amerika, op beide continenten waar vrijwel dezelfde diersoorten voorkomen. Uit een omvangrijke, voornamelijk wetenschappelijke Amerikaanse literatuur komt het beeld naar voren van een (oer)natuur waar de aantallen hertachtigen flink laag worden gehouden door een gecombineerd predatie van Bruine beren, Wolven en Lynxen in Europa; in Noord Amerika bovendien de Poema. Top-down control overheerst Bottum-up.

Meer dan twee herten per honderd hectare, dat is één vierkante kilometer, kwamen in de meer oorspronkelijk natuur op het noordelijk halfrond waarschijnlijk niet voor. Voor de OVP, als een te herstellen natuur naar een meer oorspronkelijk aanzien, mogen we dan rekenen op iets van totaal veertig Edelherten; daarboven is kennelijk te makkelijke prooi voor de roofdieren.

Oerossen kwamen hier waarschijnlijk in kleine kuddes voor. De Wisent is nooit in Nederland vastgesteld; anderzijds stelt Vera wel zeer terecht dat de Wisent in de loop van de tijd zijn natuurlijke areaal mogelijk over Nederland had kunnen uitspreiden. Goed die Wisent loopt er nog niet. Maar het wilde zwijn ontbreekt in de OVP, voor mij is dat een compleet raadsel. Die moet je als oorspronkelijke omnivoor en belangrijke bodemwoeler juist uitzetten.

Doordat onderhand al het struweel en het bos in de OVP is weggevreten of de bast is geschild, en door de onnatuurlijke grote overpopulatie aan grazers, kun je hier niet spreken van een voorbeeld van oernatuur. Of zelfs iets wat er in de verte op lijkt.

Ook ontbreekt het aan de aanwezigheid van Bruine beren en Wolven, die voor een volwaardig ecologisch functioneren essentieel zijn. Zonder deze grote predatoren heeft de vegetatie een totaal ander karakter, er ontstaat een andere natuur dan oorspronkelijk van nature aanwezig. De grote predatoren hielden de stand van  Vossen en Dassen laag. Bij gebrek aan grote predatoren komen deze mesopredatoren al te overvloedig in onze natuur voor; de beheersjager kan anders iets rechtzetten.

Wat vrijwel een onzinnig voorstel is. In Nederland spelen de diersentimentalisten meer en meer de baas over het natuurbehoud.

Zelfs Natuurmonumenten is recent overstag gegaan. Deze vereniging heeft onlangs een taboe uitgesproken over het ‘pro-actief’ jagen. Daarmee is de toon gezet van  een onheilspellende ontwikkeling binnen het natuurbehoud. Het anti-jacht sentiment zal in de bossen van haar natuurmonument uitdraaien op overbegrazing, op het verdwijnen van de struik- en kruidlaag en de natuurlijke bosverjonging loopt groot gevaar. Als je slechts één facet van het beheer laat domineren over alle andere, waarmee ben je bezig? Met facetbeheer. Het foute voorbeeld van de OVP werkte bij de afweging van de argumenten kennelijk niet afschrikwekkend genoeg.

In de fatale beslissing om de stand van de herten niet langer op een meer-natuurlijk peil te houden, zal het vooruitzicht van een vertoornde toverkol uit Den Haag, Marianne Thieme, de grootste rol hebben gespeeld.  Dat moet gezegd, met vlag en wimpel slaagt haar partij, -die verder ook niets opheeft met natuurbescherming (alle invasieve exoten bereidt de Partij voor de Dieren een hartelijk welkom!)-,  erin om een leger stoere boswachters naar haar pijpen te laten dansen. De boswachter is overal in ons land van een streng toezichthouder afgezakt tot een bedenkelijk soort gastvrouw die voor alle gasten een even vriendelijk woord overheeft.

De Zeearend is hier komen aanvliegen vanwege de rust die er heerste. De waarde van deze zogenaamde Nieuwe Wildernis  is er volgens mij dan ook in gelegen dat er tot voor kort haast geen recreanten werden toegelaten, en dat is voor het natuurbehoud in Nederland onderhand werkelijk uniek en zéér opmerkelijk te noemen.

Eindelijk konden we wat dát betreft spreken van een ‘echt’ natuurreservaat! De Nederlandse natuurgebieden worden platgelopen en de natuurbeheerders doen er alles aan om  er nog meer mensen in te proppen. Het laatste is goed voor het Draagvlak van het natuurbehoud! (Echt natuurbehoud bestaat niet in Nederland, wél valse profeten.)

Voor een hoop Nederlanders vormen de OVP dé ongestoorde oorspronkelijke natuur. Dat valse beeld wordt door een onverantwoorde natuurbescherming keer op keer bevestigd. De sensationele propaganda- bioscoopfilm, de Nieuwe Wildernis, is daar ook debet aan.

Het gebied is inmiddels zo populair geworden dat de staatsboswachter de aandrang van de liefhebbers om in het gebied rond te mogen struinen niet langer schijnt te kunnen weerstaan, -een sussend woordje om die allerlaatste ontwikkeling, dat laatste zetje, tegen te houden, hielp hen niet meer-, en eerdaags zie ik de poorten ook voor het trailrunnen nog wel openvliegen. Dwars door de ontbindende lijken van de Konikpaarden de moerassige overkant zien te bereiken. Wow! Gaaf!

Je kan er al barbecues bestellen, al blijft dat nog beperkt tot een nieuw safari-achtig onderkomen. Verdorie, steeds meer Afrika. En echte landrovers!

Maar minder en minder oernatuur, en hoe langer hoe meer een pretpark. In een Flevopolder die oorspronkelijk voor het gewone boeren werd drooggelegd.

kp

Ps. Uitgebreider dan hierboven zijn de kritieken die verschenen in Woorden over de Wildernis, een uitgave van Natuurmedia uit Amsterdam, 2014.

Lees vooral de artikelen van Frits van Beusekom, ex-directeur bij Staatsbosbeheer, en Koos Dijksterhuis, schrijver, o.a. in dagblad Trouw.  Die heien het OVP-beleid voorgoed de drassige grond in.

 

Natuurmonumenten wil niet langer deskundig beheren

knik
Waar gaat dat naar toe paardje? Lok jij de natuurbeheerder niet op een vals spoor? Het lukt je wel aardig hoor!

 

Onvoorstelbaar. Hoe in korte tijd onze vaderlandse natuurbescherming afscheid neemt van de beheersjacht. En dat onder valse vlag. Door het simpelweg negeren van de wetenschappelijke kennis over de ecologische verhoudingen in de natuur.

Natuurmonumenten blaast onder zijn nieuwe dirigent Marc Van den Tweel een vals deuntje met de Partij voor de Dieren. De partij die zo allergisch is voor het doden van onschuldige dieren, die bambies aait om het gevoel van het zuivere aaien.

Marc van den Tweel voelde aan waar de sympathie bij de meeste Nederlanders ligt, en deze door de wol geverfde public relation-manager weet dus waar de meeste ledenwinst te behalen valt. Hij wil ook niet dat zijn Natuurmonumenten bij de ANWB achterblijft.

De kern-opdracht van Vereniging Natuurmonumenten is het beschermen van de natuur. Dat is op zichzelf een vak.  Wat steekt er toch achter dat je als vakman opeens de hulp van het publiek inroept? Is dat niet vreemd?

In dagblad Trouw zegt Van den Tweel vandaag: “Via onze wild-enquête hebben we de Nederlanders gevraagd hoe zij denken over het voorkomen van wild en wildbeheer in Nederland. Dat beleid werd veelal bepaald door deskundigen.  Uit onderzoek blijkt dat de bevolking juist meer wild in de natuur wil zien, terwijl de overheid terughoudend is.”

Nou, dat laatste geldt niet voor de gemeentelijk overheid van Amsterdam. Die laat het damwild in zijn waterleidingduinen ongebreideld groeien. Maar duidelijk blijkt wel uit Tweel’s woorden: het gewone volk krijgt het bij Natuurmonumenten voor het zeggen. Adieu deskundige wildbeheerders, de groeten natuurbehoudsecologen!

En het wordt nog wat als Van den Tweel nu al een enquête aankondigt voor volgend jaar, naar de recreatievoorkeuren bij het grote publiek. Wat ik al eerder begrepen heb van zijn voorkeuren: dat wordt één groot pretpark met onbeperkte mountainbikeroutes, extra aanlegsteigertjes voor het kanovaren, en noem maar op: één groot gezellig Vondelpark, op landelijke schaal toegepast. In de resterende natuurgebieden. Tabé stille natuurmonumenten!

Terwijl iedereen weet dat de meeste Nederlanders meer gebaat zijn bij extra recreatiefaciliteiten dan bij meer natuurbehoud. Het is vragen naar de bekende weg , beste Marc, en iedereen weet dat.

De nu gehouden wild-enquête draait er in elk geval op uit dat de beheersjacht  wordt afgeschaft. Kaalvraat, zoals iedereen die al kent van de Amsterdamse Waterleidingduinen en de Oostvaardersplassen, dat is het lot en ontluisterend beeld in de natuurmonumenten van de nabije toekomst.

Graag had ik op deze plaats eerder willen berichten over het omvangrijke en fantastische proefschrift van Tjitze (‘Cis’) van Vuure, -februari dit jaar gepromoveerd tot doctor- met de titel Van kaikan tot konik, feiten en beeldvorming rond het Europese wilde paard en de Poolse konik.

Het kwam er niet van, want dit voor mij bijna heilige geschrift behelst (evenals zijn eerder verschenen boekwerk De Oeros, het spoor terug) -onder andere- een zeer fundamentele aanval op de theorie van Frans Vera, de grote succesrijke voorvechter van de Oostvaardersplassen.

Zoals u weet dienen Heilige geschriften net zo fundamenteel becommentarieerd te worden als de geschriften zelf zijn. Ik heb een heel bijbelinstituutje nodig alvorens ik mijn zegje verantwoord durf te doen, maar ook een koranschriftgeleerde is aan mij verloren gegaan. Daarom ben ik als de dood er iets over te zeggen.

Nu moet ik er toch wel iets over zeggen, om tenminste énige duidelijkheid te verschaffen over de onzin pas uitgekraamd op een Partij voor de Dieren-bijeenkomst, waarvan straks een verslag. Dus eerst een korte inleiding aan de hand van het jongste geschrift van Cis van Vuure:

Hij zocht uit hoe het zat met de aantallen grote graasdieren die hier van oorsprong in de natuur voorkwamen, en om welke soorten het precies ging.

Volgens Frans Vera namelijk bestonden de oerbossen in Noordwest Europa uit een mozaïeklandschap van open bosweiden afgewisseld met stukken gesloten bos. Enorme kuddes oerossen, paarden en herten hielden volgens zijn stellige overtuiging door begrazing de verjonging van het bos tegen. Daardoor verouderden de bossen, deze stierven na verloop van tijd af. Verjonging van bos vond wel plaats tussen de oneetbare en afschermende doornstruiken.

Maar, is de hamvraag, liepen er wel zoveel runderen rond in die voorbije natuurlijke bossen? Andere wetenschappen dan Vuure’s meer ecologisch getinte zoölogie ondermijnen al Vera’s geloof in het open bostype . Zo vindt de archeologie vrijwel geen botten van runderen en paarden in de kampen van meso- en neolithische jagers en verzamelaars, des te meer Edelherten en Wild zwijn. Vooral deze laatste soorten werden bejaagd, -omdat die toen wél aanwezig waren.  Paarden waren er vrijwel niet. Oerossen bevolkten zeer schaars de primitieve natuur, en hun invloed op de vegetatie lijkt daarmee uitgesloten. Welaan!

Een belangrijke ondersteuning zocht Vera ook in de gevonden stuifmeelkorrels. Maar de conclusies die Vera daaruit trekt blijken louter op drijfzand te berusten. Palynologen hebben zelfs gerichte onderzoeken gedaan, speciaal om bepaalde claims van Vera te weerleggen, claims die zouden aangeven dat het stuifmeel in oude bodemlagen het open boskarakter kunnen bevestigen. Volgens deze vakmensen is de theorie van het open boslandschap op hun terrein geenszins houdbaar.

Herten komen in de echte natuur alleen in lage aantallen voor

Op bladzijde 215 van zijn proefschrift haalt Van Vuure uitvoerige onderzoeken aan, die aantonen dat bij aanwezigheid van natuurlijke predatoren de aantallen hertachtigen altijd laag zijn. Enige citaten:

‘’Volgens Jêdrzejewska.& Jêdrzejewska (1998, pag. 348) neemt in het Bos van Bialowieza onder de natuurlijke doodsoorzaken voor edelherten predatie door de wolf 46 % in, en predatie door de lynx 35 %. In dit bosgebied bestaat er, historisch gezien, een duidelijke correlatie tussen de aantallen wolven en edelherten [Jêdrz…1997…]. Bij een geringe wolfdichtheid (bv. gedurende de jaren 1980-1915) nam het aantal edelherten sterk toe (tot 5,5 herten per 100 ha). Bij een hoge wolfdichtheid (bv. gedurende de jaren 1920-1950) was het aantal edelherten gering (0,2 tot 1 per 100 ha).

‘’In Slowakije deed afschot van wolven de edelhertenstand sterk stijgen (Pechacek 2000). Op eilanden voor de westkust van Canada had het wegvallen van predatie en/of bejaging door de mens een sterke toename van het aantal herten tot gevolg. Dit had desastreuze effecten op de vegetatie en de vogelbevolking (Martin et al. 2011).

‘’Sinds de introductie van de wolf in Yellowstone National Park in 1995 is het aantal wapitiherten in de Northen Range (het noordelijk deel van het nationale park) van ca. 18.000 (Beschta & Ripple 2010) afgenomen tot ca. 4.000 (Wyman 2013).

‘’Zie ook Van de Veen & Van Wieren 1980: ‘’….omdat bij aanwezigheid van predatoren de herten door predatie op een relatief lage dichtheid wordt gehouden’’.

Van Vuure brengt ook een zeer recent rapport onder de aandacht: ‘’Ripple & Beschta (2012) concludeerden in een uitgebreide studie van ecosystemen op het noordelijk halfrond: ‘’Wij vonden dat de dichtheden van herten in systemen zonder wolven gemiddeld ongeveer zes keer hoger waren dan die in systemen met wolven.’’

Zes keer meer herten zónder wolven!

Zes keer! En neem dan de Aw duinen. Deel de naar sommige schattingen al 2500 Damherten aldaar door zes! Kom je uit op 416 Damherten. Maar de Lynxen en Bruine beren eisten ook hun tol. Dat betekent nog minder herten. Let wel: een dergelijk laag aantal herten zou het gevolg zijn van een serieus streven naar meer natuurlijke omstandigheden.

De bobo’s die op verzoek van de Partij voor de Dieren eergisteren gezellig bijeenkwamen stelden onverdroten vast -met hardleerse oogkleppen op, geen kunst dus eigenlijk-, dat een niet door natuurlijke predatoren gereguleerde populatie niettemin natuurlijke gedragingen vertoont. Een sterk staaltje. De Trouw-journalist vroeg Van den Tweel niet om opheldering.

Hier volgt nu het letterlijk verslag zoals dat te vinden is op de website van de PvdD:

Bijeenkomst Tweede Kamer over beheer dieren in het wild: ‘Niet bijvoeren en ook niet afschieten’

10-04-2014

Wetenschappers en natuurbeheerders hebben woensdag hun visie gegeven op het beheer van dieren in het wild tijdens een bijeenkomst georganiseerd door de Partij voor de Dieren, naar aanleiding van de Groot Wild Enquête van Natuurmonumenten.  Natuurlijke populaties in plaats van bejaging van dieren: dat is wat de meerderheid van de mensen wil en wat volgens wetenschappers en natuurbeheerders het beste is voor de natuur.

Natuurlijke  populaties vergroten de zichtbaarheid van dieren en hebben positieve effecten op de natuur. “Mensen vinden het fantastisch om grote dieren te zien in de natuur. Het is zelfs een reden voor natuurbezoek”, aldus Teo Wams van Natuurmonumenten. Populaties passen zich aan aan hun omgeving”, zegt Hans Breeveld van Staatsbosbeheer.
Natuurfilosoof aan de Wageningen Universiteit en Radboud Universiteit Jozef Keulartz legt uit: “Afschieten en bijvoeren zet natuurlijke mechanismen buiten spel. Door bejaging wordt de ontwikkeling van de natuur volledig om zeep geholpen”, aldus Keulartz. “Bij afschieten weet je niet of je de juiste selectie maakt. Er wordt ook op gezonde dieren geschoten”, geeft Femmie Kraaijveld van Staatsbosbeheer nog een argument tegen bejaging.

Er is brede steun voor het vergroten en verbinden van natuurgebieden om zo meer leefruimte te creëren voor grote hoefdieren. Voor overlast zijn volgens Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en de wetenschappers  goede oplossingen, zoals wallen, hekken en roosters om akkers te beschermen.

De bijeenkomst werd gehouden om Kamerleden te infomeren over de mogelijkheden voor natuurlijk populatiebeheer, met het oog op het debat over wildbeheer op 16 april. Kamerleden werden geïnformeerd over beheer van dieren in het wild en stelden ook vragen aan de zeven aanwezige deskundigen.

Tot zover dat PvdD-verslag. Geen woord over de natuurlijke, dan wel bij ontstentenis van roofdieren, noodzakelijke menselijke aantalsregulatie. Want, beweert men koeltjes, dat wil de wetenschap niet, en de beheerders ook niet langer. Natuurlijke predatoren zijn zeker natuurlijk maar menselijke bejaging brengt althans de aantallen op een natuurlijker niveau, en dat is weer van belang voor een meer-natuurlijke vegetatiestructuur, die heeft invloed op de voorkomende planten en dieren. Wil men allemaal niets van weten. Daar zaten deskundigen bijeen.

Alle evidente feiten die Van Vuure aandroeg in zijn proefschrift  (dat eigenlijk een omvangrijk onderzoek is naar de vermeende ‘oorspronkelijke’ afstamming van de Konikpaard, de beeldvorming die het wilderige dier heeft veroorzaakt en de gevolgen voor het natuurbeheer, de ‘natuurontwikkeling’ ) werden niet alleen door de geleerden op deze PvdD-bijeenkomst doodgezwegen (noodgedwongen, dat óók wel: de gestrenge mevrouw dikke douairière M. Thieme zat immers straf voor), eveneens zwijgt de Nederlandse journalistiek het voor het natuurbeheer zo belangwekkende proefschrift van Van Vuure dood. Afgezien van de (positieve) woorden die Koos Dijksterhuis er in Trouw aan heeft gewijd.

Natuurmonumenten is een heilig huisje. Dit instituut heeft veel weg van de Hema, die wordt ook door iedereen op prijs gesteld. Echter, oude gebouwen val je niet lastig. Maar een grondig warenonderzoek moet bij Natuurmonumenten liever wel op gang komen.

Door de jacht ondervindt de natuur slechte gevolgen, zo beweert milieufilosoof Jozef Keulartz. Dat zegt hij zonder blikken en blozen waar mensen van het natuurbeheer bijzaten! Waarom brachten deze Keulartz niet de nadelige gevolgen onder ogen die de ongereguleerde megapopulatie Damherten had en nog heeft op de biodiversiteit van de duinen bij Haarlem? En heeft filosoof Keulartz nooit een verslagje gelezen over de kruiden-,  knaagdier- en vogelloze kaalvlakten die Oostvaardersplassen heet?

Anderzijds geldt natuurlijk en dat weet ik ook wel, mag je van een abstract denkende mens verlangen dat hij zich met aardse zaken bemoeit? De kamergeleerde zou in dat geval moeten bukken, hij loopt de kans  met de punt van zijn fijngevoelige filosofenneus  in de stinkende zompige moerasvlakte terecht te komen. Maar viezer zijn de smoesjes die Frans Vera de arme milieufilosoof op de mouw heeft gespeld.

Die Vera beweert over de Wapitiherten in Yellowstone National Park, in zijn Ontwikkelingsvisie Oostvaardersplassen uit 2008:  ”Het aantal wapiti’s werd niet door de wolven omlaag gebracht”.  Terwijl door de herintroductie van wolven, in 1995, in het Yellowstone N. P. het aantal wapitiherten daar met bijna 80 procent is verminderd!

Cis van Vuure trapte de klemzittende nooddeur open, en journalisten lopen gehaast verder. Die schenken geen aandacht aan hem, de verlosser, wel aan de valse natuurgoeroe Vera. Die met propagandistische kletspraat zijn kaalgevreten vlakten als onvervalste oernatuur aan de man weet te brengen. Al tientallen jaren lang, de stapels krantenartikelen puilen mijn werkkamertje uit.

Over fraudeurs valt smakelijk te vertellen en haleluja geloof is opwindender dan wetenschap. Laat de mythe van de oernatuur toch eens overwinnen! Praatzieke oplichters worden altijd het voordeel van de twijfel gegund, want de wetenschap is oersaai.  De Partij voor de Dieren is de sekte die dat laatste als eerste volmondig zal beamen.

kp

 

 

Het angstige zwijgen van natuurbehoud

nm es
Wist u dat…door de veehouderij van wel 3000 Damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen de Ree daar verdrongen is. Door bambi zijn schuld. Wist u dat Natuurmonumenten zich daar geen snars iets van aantrekt. Nm wou toch natuur beschermen. Onze vereniging durft uit angst voor ledenverlies zijn mond niet open te doen.

 

Het stilzwijgen van onze natuurbehoudsorganisaties inzake het schandaal van de overpopulatie Damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen mag onderhand verbijsterend worden genoemd.

Waar blijft de verantwoordelijkheid van de collega’s natuurbeheerders, die in de krant toch wel gelezen zullen hebben dat er iets aan de hand is?

En waarom wordt er geen stelling genomen tegen al die maatschappelijke organisaties die zich luidruchtig over deze zaak uitlaten, die onvervaard opkomen voor de dierenrechten, die elk afschot als barbaars afdoen, maar die geen oog hebben voor de instorting van de bloemplanten in de duingraslanden en de afhankelijke insectenfauna?

De dierenorganisaties maken aan het verdwijnen van de diverse struiksoorten ook al geen woord vuil. Want dat zijn immers maar planten. Lijsterbessen en zo.

Stichting Faunabescherming, de Partij voor de Dieren, de Stichting Duinbehoud, zij allen willen niets weten van een verantwoord natuurbeheer. Zij hebben het niet over de schade aan de natuur. Zij ontkennen deze botweg wanneer hen de vraag wordt voorgelegd.

”Onderzoek toont aan dat de natuur op dit moment niet achteruitgaat door de damherten”, schrijft leugenaarster, PvdD kleuterleidster, mevrouw dikke douairière M. Thieme in Het Parool van maandag 9-9-2013. In de meimaand daarvoor kwam het eerste onderzoekrapport -dat van het OBN deskundigenteam-, al tot de conclusie: ”De hoge dichtheden van de damherten in de Duinbossen hebben daar een slechte ontwikkeling van de kruid- en struiklaag tot gevolg en leiden tot grootschalig schillen van bomen in bepaalde bostypen.” (blz. 4)  . De vertegenwoordiger van de stichting Faunabescherming, de stokoude bok Harm Niesen, beweert later zelfs dat het ‘uitstekend’ gaat met de Aw duinen.

En helemaal niemand betrekt stelling tegen hun bedrog in commissie, terwijl het natuurbehoud heel goed op de hoogte is van de grote invloed van de dierenlobby in de massamedia, in de Tweede Kamer, in de Amsterdamse Raadszaal . Geen enkel tegengeluid, niet één terreinbeheerder, niet één vakman, niet één vakvrouw laat van zich horen.

Zelfs PWN, dat toch alle belang heeft bij een communaal evenwichtsniveau in de Awd én het NPZK, dus belang bij soortgelijke aantallen die in het NPZK al langer worden aangehouden -200 damherten-; van deze natuurbeheerder verneem je niets.

Ook Natuurmonumenten, de eerste buur aan de noordkant van de nieuwe recroduct over de Zandvoortselaan, wil zijn landgoed Koningshof toch niet op dezelfde wijze kaalgevreten zien zoals gebeurd is in de Awd? Waarom zit die stil, waarom geeft die geen uitleg?

Natuurmonumenten beschikt over zoveel hypermoderne communicatiemogelijkheden, faceboeken, twitters, telegraaf en televisie. Alsof die alleen over koetjes en kalfjes mogen berichten, alleen over de hartelijke meizoentjes uit ’s Graveland die u allemaal zachtjes in het oor toefluisteren: word u alstublieft lid! wij zorgen o zo goed voor alle dieren des velds!

U snapt wel, ik houd me van de domme. Ik weet heus wel, net als u trouwens, dat het de wezenloze angst is dat menig natuurliefhebber hen liever uit de weg gaat. Liever nog eer betuigen aan de voorvechter van de dierenrechten dan deze in een open dialoog te wijzen op een verantwoord natuurbeheer. Dan ze te wijzen op de algemene zaak van het natuurbehoud, die rekening heeft te houden met alle soortengroepen, en niet enkel met een loslopende aaibare vacht, nota bene van exotische huize, het Amsterdamhert.

Ru vreest de dood maar springt dapper op de bres, -voor al het leven denkt hij abusievelijk

Directe aanleiding tot dit schrijven is de opmerking in een Opiniestukje van ene Ru (vast redacteur Wim Ruitenbeek) in het blad Tussen Duin& Dijk, dat ik vanavond uit de brievenbus mocht opvissen, wat een kostelijk tijdschriftje. Hij schrijft, en hij is de zoveelste, vergoelijkend over de bambi’s:

‘’Er zijn te veel vossen, damherten, ganzen, zeggen ze.’’[…] ‘’De reactie van overheden, en helaas ook regelmatig van natuurbeheerders, is steeds dezelfde: er moeten dieren dood. Wij hebben er last van, dus zijn er te veel en moeten ze dood.’’

Ru heeft duidelijk iets met de dood, angst voor de dood misschien. Maar waarom dan de flora en de fauna die in de duinen als gevolg van de kaalvraat door triljarden herten aan het afsterven is doodzwijgen? Wees consequent Ru, en noem alles op wat zoal dood gaat.

Maar het volgende is beslist een verkeerde voorstelling van zaken die Ru geeft, namelijk dat de reactie van de natuurbeheerders ‘steeds dezelfde’ is: ‘er moeten dieren dood’.

Beste Ru. Ze schijten tegenwoordig allemaal verschrikkelijk in hun broek om hun gewone plicht te doen: het geweer opnemen en een eind maken aan de overpopulaties. Dood gaan is juist een groot taboe bij onze natuurbeheerders.

Maar met de hete adem van Harm Niesen in de redactieraad in je nek kijk je wel uit iets anders op te schrijven. Dierenliefhebbers zijn tot moord in staat, zelfs beroemde politici treffen ‘regelmatig’ dit noodlot, dus heb alle begrip voor Ru’s precaire positie.

Wie ook het zwijgen inmiddels is opgelegd, Mark van Til, eveneens lid van de redactieraad. Al heel lang bestudeert hij de vegetatie van de Aw duinen, hij is daar werkzaam en schreef met Joop Mourik het informatieve, grondige boekwerk ‘’Hiëroglyfen van het zand, vegetatie en landschap van de Amsterdamse Waterleidingduinen’’.

Als Ru’s opinie nu maar niet de hele redactie vertegenwoordigt. Het is echter niet de eerste keer dat de rubriek Opinie een negatief oordeel velt over de beheersjacht.  Op Van Til rust nu eigenlijk de dure plicht de volgende keer het huidige standpunt van Waternet weer te geven. De boswachters die de ondankbare aantalsregulatie op zich nemen, kunnen wellicht best een maatschappelijk steuntje in de rug gebruiken. Wie kan dat beter doen dan de man die belang heeft bij een gunstige staat van instandhouding van de vegetatie, zoals de wet trouwens verlangt, de heer van Til, redactieraadslid van Tussen Duin& Dijk?

Al jarenlang worden de Aw duinen geteisterd door een overpopulatie Damherten. De Amsterdamse raad wilde jarenlang niets weten van afschot, het stadsyuppendom had tot vorig jaar geen notie van een evenwichtig natuurbeheer.

Op aandringen van het CDA-er Boomsma (links heeft niets met activistisch natuurbeheer) gaf PvdA-wethouder Gehrels Waternet uiteindelijk opdracht tot een onderzoek naar de schade die de Damherten aanrichten. Dat resulteerde in drie onderzoeksrapporten, waarvan de laatste, vorig jaar zomer vervaardigt, overduidelijk aantoont hoe groot de schade is die de bambies inmiddels aan de karakteristieke nectar houdende bloemplanten van het duin hebben aangericht inclusief de insektenfauna.

Zelfs de directeur natuurbeheer bij Waternet, de heer Ed Cousin, die zich jarenlang op de vlakte hield over de schade–hij is naar men zegt weinig natuurliefhebber-, en die kennelijk daarom de overpopulatie niet wenste te zien aankomen,  roerde zich op een geëigend moment in een commissievergadering te Amsterdam. Hij riep opeens vanuit het niets uit: ‘bloemrijke graslanden zijn volledig kaalgevreten’. Dit heugelijke feit werd door hem vastgesteld op 5 september 2013 en werd opgenomen in de vergadernotulen, die verder niemand leest. Wel konden de Mokumers een paar dagen later in Het Parool de leugens van Thieme lezen.

En geen hond die tegenwicht biedt. Het lijkt wel alsof onze natuurbeschermers welbewust  op massabiodiversiteit uit zijn.

kp

-zie bericht van 5 maart ”De Partij voor de Dieren tracht de Amsterdamse Waterleidingduinen om zeep te helpen”, voor linken naar de genoemde rapporten

-en volg alstublieft mijn twitter  Piël@Prunusjager -tevens ook voor incidentele aankondiging van nieuw blogwerk. Journalisten schrijven hier liever niet over, het is bij hen een en al bijtjes en bloempjes; de krant is op natuurbeheersgebied de dood in de pot