Categorie archief: Oostvaardersplassen

Een schitterend protest tegen een zieke toestand!

Geachte lezer,
Onderstaande opinie is van Paul Bouwmeester.
De twee nogal klein uitgevallen kopietjes zijn in werkelijkheid schilderijen, van de wildschilder Hans Bulder.
Paul deed een verzoek om zijn protest op dit blog te plaatsen.
Nou, graag gedaan!

Paul is zelf geen jager, maar overigens van jongs af aan betrokken bij de natuur en het wild. Aan het bekende opinieblog Joop.nl leverde hij eerder vier bijdragen, die elk stortvloedjes aan reacties opleverden.

Lees daarom:
http://www.joop.nl/opinies/bio/auteur/paul_bouwmeester/

En bekijk zijn website JachtArgumenten:
http://www.jachtargumenten.nl/

kp

 

Een schitterend protest tegen een zieke toestand!

Bulder 1

De getalenteerde wildschilder Hans Bulder stelt in dit schilderij op treffende wijze de huidige realiteit in de Oostvaarderplassen aan de kaak. Dit schilderij – zelf noemt hij zijn stijl hedendaags-realistisch – kan men een trieste spotprent noemen, waarin duidelijk de symboliek rond de St.Hubertus-legende is overgenomen.

Hans Bulder, een van de beste kenners van wilde dieren in Nederland, laat geëmotioneerd weten:
“Aan het beeld dat ik geschetst heb op doek is niets overdreven te vinden. Ik ken de Oostvaardersplassen alleen maar zó. Het edelhert probeert nog op zijn voordeligst te poseren maar zijn trots is toch bijna geknakt door zijn uitgemergelde lijf. Zo heb ik er velen zien lopen door de jaren heen. Schofterig gewoon om zulke prachtige dieren op deze manier hun trots af te nemen en ze zo de dood in jagen.”

Deze toestand wordt – met name deze weken –  door Staatssecretaris Dijksma schaamteloos gecontinueerd, met de steun van het grootste deel van onze politiek.  Dit ondanks terzake zeer kundige adviezen van instellingen zoals o.a. de Vereniging Het Edelhert.

De realiteit in de Oostvaarderplassen, kortweg OVP genoemd, is nog steeds niet aan elke Nederlander bekend mede dank zij de mooie, maar sterk gekleurde film De Nieuwe Wildernis.

Waar gaat het om ?
Ons aller Staatsbosbeheer (SBB) heeft ooit besloten in de OVP de natuur haar gang te laten gaan. Bij gebrek aan grote roofdieren betekende dit een explosie van (uitgezette) grote hoefdieren met een volledig kaalgevreten en ontbost gebied als gevolg. Duizenden dieren zijn gecrepeerd van de honger. De laatste jaren grijpt men in door middel van afschot van dieren die het niet gaan halen. Die dus al half verhongerd zijn. Dit noemt men eufemistisch ‘vroeg reactief’ beheer.

Als voorbeeld dienen hier de sterftecijfers van december 2014 t/m maart 2015 (Bron SBB):
Edelhert 782
Heckrund 46
Konikpaard 292
En deze sterfte is hierna nog zeker een maand doorgegaan!

Op de achtergrond van het schilderij zien we als een van de consequenties van het beleid, hoe de kadavers ter destructie worden afgevoerd.

Bulder 2

Hoe heeft dit zover kunnen komen? Dit is gekomen omdat we onder regie van de dierenlobbies het respect voor het dier hebben ingeruild voor sentimenten voor het dier. Omdat we de bescherming van een diersoort hebben ingeruild voor de bescherming van het individuele dier. Dezelfde partijen die zeggen te strijden tegen dierenleed, houden zich ondertussen oorverdovend stil.

Maar het gaat nog verder.
In plaats van een sanering van de OVP wil men nu het aangrenzende Hollandse Hout openstellen voor deze overmaat aan hoefdieren, met als gevolg een verder explosie van aantallen en de vernietiging van het Hollandse Hout.

In de Amsterdamse Waterleidingduinen is een vergelijkbare vernietiging aan de gang door de onwil van de gemeenteraad om de populatie damherten binnen de perken te houden.
En zo zijn er meer vergelijkbare processen aan de gang, waarvan de gevolgen echter wat moeilijker waar te nemen zijn.

 Wat moet er gebeuren? De enige oplossing is dat SBB als verantwoordelijke voor deze misstand de populatie edelherten terugbrengt tot een fractie van het huidige aantal en ze daarop handhaaft door middel van fatsoenlijk beheer. Hetzelfde voor de zg. wilde paarden en heckrunderen, of misschien is het beter dit huisvee volledig te verwijderen. Binnen enkele jaren kan het gebied dan weer het prachtige natuurgebied worden, dat het ooit was. Een paar paden erdoor voor de echte natuurliefhebber (alleen wandelen) en voilá!

Maar elke praktische oplossing zal de emoties in ons land hoog doen oplopen – en dat is precies waar de politiek bang voor is.

Paul Bouwmeester, april 2015

 

 

Freewheelen met grootveehouder Free Nature

 

Deze herbivoren wil Free Nature graag terug, dat is een heel loffelijk streven. Maar is dat alles?

Geef de natuurgebieden een forse recreatieve impuls en zie daar: het ‘draagvlak’ voor het natuurbehoud groeit als kool.

Van dit loepzuivere waanidee, ‘hoe meer recreatie hoe beter voor de natuur’, is het vaderlandse natuurbehoud bezeten geraakt.
Het Wereld Natuur Fonds, Vereniging Natuurmonumenten, het Staatsbosbeheer, niemand wil achterblijven om van de daken te schreeuwen dat veel méér mensen de natuur in moeten gaan om er flink van te genieten. Koste wat het kost!

Hoe meer mensen je op de schaarse natuur afstuurt, hoe groter het draagvlak voor het behoud ervan. Recreatie is voor de
moderne natuurbeschermer kennelijk dé oplossing om dat verondersteld zwak draagvermogen te vergroten.
Maar het lijkt er thans op, dat de recreatie als enige motief voor natuurbehoud is overgebleven. Recreatie, genieten en beleven van het buiten-zijn, sluit het niet naadloos aan bij het hedonistische tijdperk waarin we leven? Jawel.

‘Beleving’ in al zijn facetten als motief tot het beschermen van de natuur verdient heden schijnbaar verre de voorkeur boven het doen van een beroep op ethische motieven. Die worden al gauw vaag bevonden. ‘Natuur behouden om haar zelve.’ Ze klinken ouderwets, zal het de twitterende jeugd nog wel aanspreken? Wat is ‘duurzaam’ natuurbehoud, en hoe motiveer je de mensen. In elk geval:

Leve de natuurbeleving!
Dus mountainbiken, -dat is met een tweewielertje een beetje stoer, een beetje jongensachtig, een beetje infantiel wat mij betreft, met veel lawaai en jolijt crossen door het meest afgelegen en stille bos dat in ons armzalige Holtland nog te vinden is. Met de zege van Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer.
Of avontuurlijk op stap gaan met de boswachter die een echte breedgerande donkergroene hoed op de kop heeft getikt die sprekend lijkt op die van een vooroorlogse Zuid-Afrikaanse blanke wildwachter, heel apart.
Een spannend stelsel van knuppelbruggen aanleggen kris en kras door het teloorgegane ‘oerbos’, het moerassige Beekbergerwoud, dat als een feniks uit de as zal herrijzen, zij het met beheermatig kunst- en vliegwerk.
Drieduizend rustieke vogelkijkhutten neerzetten zodat elk plasje en elk moerasje overzichtelijk wordt gepresenteerd aan een steeds grotere schare birdwatchers (waartegen de vleesberg van soepganzen die de weilanden bevolken het getalsmatig afleggen).

Zeg niet dat het postmoderne natuurbehoud niet minstens zo goed voor zijn ledenbestand zorgt als voor de natuur zelf. Die clubs houden bij hoog en laag mooi vol allereerst de natuur te beschermen, tegen de opdringende mens.
Ik koester mijn zeer gegronde twijfel.

Onder het mom van het vergroten van het draagvlak organiseren Staatsbosbeheer en PWN-Noord Holland heuse ‘safari’s’. Kenia uit de gratie geraakt, of juist heel erg in, maar nu op eigen bodem. Op die safari’s wordt het publiek meegenomen naar de Oostvaarderplassen met zijn Heckrunderen en kreupele Koniks, respectievelijk naar het Kraansvlak met zijn kudde bijna aan inteelt bezweken Wisenten.
Recreatie is beregoed voor het draagvlak, en het gestruin levert in financiële zin wat op. Ligt het voor de hand dat de safari’s in de toekomst intensiever zullen plaatsvinden? Het zal met onze huidige ‘grondhouding’ van pretparken- en centencultuur, zolang die grondhouding maar ‘duurzaam’ is, logischerwijze uitlopen op een massaverschijnsel.

In de Nieuwste Wildernissen gaan straks drommen mensenbezoek eveneens wedijveren met de overpopulatie Grote Grazers. De natuurgebieden, gekenmerkt door rust en uitgestrektheid, en eens zeldzame ‘oorden van onthouding’, veranderen sluipenderwijze in drukke stadsparken. Iedereen zal wennen aan het drukke gedoe, aan de sporten en spellen waarvoor de poorten wagenwijd worden opengezet. De ‘oude’ generatie van hele echte stadsparken, die in de stad zelf, blijft nog immer bezoek trekken. Waarom dan niet de nieuwe, die nu ijverig door de beheerder uitgebeend wordt in onze resterende natuur?

Free Nature en z’n eenzijdige voorstelling van zaken.

Een der jongste loten aan de stam van de recreatie-business is de stichting Free Nature.
Free’s vondst om het recreanten naar de zin te maken bestaat eruit zoveel mogelijk runderen en paarden alsmede de terdege aaibare bever uit te zetten. Geen gouden vondst overigens, het is imitatie van voorgangers. Het schrille contrast van verwilderde kuddes op verwilderde terreinen (voormalige baggerdepots en droogmakerijen) midden in een overbevolkte verstedelijkt land, het heeft wel iets. Onmiskenbaar. Het oog wordt gestreeld en we zien eens geen asfalt, alleen verruigde wildheid. (De spoorlijn en de megagrote windmolens aan de horizon mogen  het blikveld niet al te zeer vernauwen.)

De Nieuwe Wildernis kent als landschap heus wel zijn bekoring en het is een opsteker voor het ‘draagvlak’.
Vrij zijn in een relatief nog schaarse ruimte! Eindelijk eventjes Freewheelen in de nieuwe natuur. Dat kan een volkje van miljoenen dat bij elkaar op de lippen zit heel goed gebruiken.

Free Nature doet met zijn ecologische smoel helaas tevens voorkomen dat begrazing zowat het voornaamste proces was in een meer-natuurlijk Europa. De stichting bouwt voort op de wetenschappelijke vondsten van dr Frans Vera; hij is gepromoveerd op een proefschrift dat het natuurlijke parkachtige oerbos verdedigd, -titel ‘’Metaforen van de Wildernis’’, uit 1997.

Dat proefschrift is voor een beetje geïnteresseerde best nog aantrekkelijke kost. Daar was nog geen charlatan opzichtig aan het werk. Wel degene is het die al 18 jaar lang koppig volhoudt dat ten gevolge van de begrazing door grote kuddes hoefdieren het voormalige oerbos van Noordwest Europa een zeer open karakter bezat, met natuurlijke weilanden hier en daar en waar het stierf van de grazende hoefdieren. De wetenschap is echter algemeen van opvatting dat de prehistorische bossen dicht en gesloten waren, waar de grazers slechts in lage dichtheden voorkwamen. Zijn proefschrift zette andere wetenschappers ertoe aan Vera’s argumenten nog eens aan een grondig onderzoek te onderwerpen. De oude opvatting van gesloten bos, dat Vera heftig bestreed en dat hij onverdroten blijft bestrijden, kon daardoor eens te meer worden bevestigd.

Een eenling kan groot gelijk hebben, maar dan gaat het meestal om geloofszaken. De wetenschap heeft Vera’s argumenten voor het open bostype danig  onderuitgehaald. Dat hij desalniettemin een vrij grote en zelfs dominerende aanhang onder natuurliefhebbers en natuurbeschermers heeft gevonden, is te danken aan het feit dat mensen graag geloof hechten aan heilsgedachten en aan de onbedwingbare menselijke behoefte een profeet in het zadel te helpen. Kan er tenminste één mens heilig worden verklaard, een voorbeeld voor ons allen. Waarschijnlijk speelt ook het underdog-effect waarvan profeet Vera wetenschappelijk gezien het slachtoffer is geworden een rol in de idolatrie van zijn adepten. Alternatief heeft een broertje dood aan Wetenschap, en daarom:
dr Vera is de dr Vogel van het Nederlands natuurbeheer. Zullen hun recepten helpen? Voor wie gelovig is wel.

Free Nature stelt vast dat grazers zijn gecoëvolueerd. Ja natuurlijk, allerlei natuurlijke milieufactoren bepaalden vorm en overige eigenschappen van de verschillende diersoorten en vanzelfsprekend zijn hun specifieke graasactiviteiten van invloed geweest op de natuurlijke omgeving. Waar het echter de aantallen herbivoren betreft, die evenzeer bepalend zijn geweest voor de (lager dan door Vera cum suis gedachte) effecten van die invloeden, daar overdrijft ook de stichting schromelijk. De oorzaak is gelegen in de wetenschappelijke onbevestigde hypothese dat de Oude Wildernis voornamelijk bevolkt was met grote aantallen herbivoren.  De onderzoeken van de verschillende disciplines tonen daarentegen aan dat de echte natuur van het noorden maar weinig grote dieren per oppervlakte-eenheid kende. Die situatie tref je nog steeds aan in enkele relatief schaarse ongerepte delen van Noord-Amerika en het noorden van Oost-Azië.

Helaas voor Free Nature!
In die ongereptheden is het geen prijsschieten zoals (theoretisch!) het geval op de ontelbare Damhertjes in de Amsterdamse Waterleidingduinen of op de duizenden Edelherten die de Oostvaardersplassen bevolken.

Deze herbivoren wil Free Nature graag terug, dat is een heel loffelijk streven. Maar is dat alles?
Maar is dat alles?  Free Nature vertelt niet wat waar is. Dat de predatoren de hertachtigen op een lage stand houden. Van hun voorspelde open graslanden komt weinig tot niets terecht. Alles groeit van nature dicht tot bos. De  recreatieve claim van een arcadisch open landschap met allemaal aaibare diertjes in de verte valt door de mand. En daarmee ook Free Nature’s integriteit als natuurbehoudsorganisatie


Mag je Free Nature
vooringenomenheid verwijten waar het zijn natuurdoelstelling betreft? Als je doel is gegrondvest op het werk van slechts één profeet-ecoloog (die in historische anticipatie zijn baardje heeft laten staan; maar zijn sik is gelukkig niet zo lang als de profeet van de moslims, er moet natuurlijk verschil wezen) wiens bevindingen door de wetenschap alom worden verguisd, wat rest er anders dan te denken dat Free Nature louter uit is op een ‘nieuwe natuur’ die prettig in de smaak valt bij een groot publiek? En hoe moet je trouwens anders aan de weg timmeren om groot te worden!

In het Vakblad Natuur Bos Landschap, nummer januari 2015, kreeg Free Nature liefst vier van de 28 tekstpagina’s tot zijn beschikking om in een wollig getint verhaal ‘onze grondhoudingen’ ten aanzien van de natuurbescherming toe te lichten. Hierna in de link is Free Nature’s jongste evangelie te lezen. Het leest als de Apocalyps van Johannes. Het is vrijwel even duister. Het wordt nog eens canon.

http://www.freenature.nl/free/download/common/vnbl_jan2015_cbraat-1.pdf

Iets anders tussendoor: Ons kleine land heeft gebrek aan bladen waarin discussie gevoerd kan worden over de natuurbescherming, inbegrepen allerlei kwesties van concrete aard. Er bestaan hier te lande maar een paar natuurbladen, maar daarin kan je zelden terecht met je kritiek. Een fietspad dat Natuurmonumenten dwars door de laatste ongebaande duinstrook van mogelijk heel Europa wil aanleggen (onder IJmuiden), is volgens mij een bijzonder schelle aanfluiting voor het internationale natuurbehoud. Is  over deze misstap ergens geschreven? Neen. Waar o waar kan je terecht?

In de redacties van die weinige bladen heeft Natuurmonumenten of Staatsbosbeheer onveranderd zitting. Ze roeren met een dikke vette vinger in de pap. Deze terreinbeheerders leggen altoos nadruk op de recreatieve aspecten, meer dan op het beschermen van de wezenlijke aspecten van de natuur. Zoals de rust en de ruimte: de gave uitgestrektheid van een relatief eindeloze natuur, hetgeen je juist in een drukbevolkt land als een kostbare parel aan de boezem zou willen drukken.
Het verpatsen ervan is in historisch perspectief de omgekeerde gang van zaken. Waar o waar is Jac. P. Thijsse?

Te veel aandacht in die natuurbladen voor de nieuwste natuur. Ook zij draaien zich dol op aaibare diersoorten, in plaats van het koesteren van de wezenlijke natuuraspecten. Ze zijn verzot op het harig spul waar vroeger alleen kleuters mee speelden. De infantiliteit van de postmoderne tijd.
Geen folder zonder de ontroerende (maar lege) blik van poedelachtige Schotse Hooglanders. En juist die slomerds leveren, vraag niet hoe volwassen mensen!, draagvlak en nog eens draagvlak op. Waar voor Natuurmonumenten in het bijzonder geldt: hoe meer leden, hoe geriefelijker de staat van de Kassa.

Helaas, discussies over natuurzaken vinden noodgedwongen plaats op weinig bezochte websites (dit blog wordt bij voorbeeld door hooguit enige tientallen personen gevolgd, maar: het is misschien ook niet erg leesbaar), verder op facebooks die niemand weet te vinden of in kortademige tweetlijntjes waarvan het er krioelt. Het tekent de bloedarmoede waaraan ons natuurbehoud lijdt.
Het debatmonopolie van de erkende natuurbehoudsorganisaties is verstikkend. Dat wil zeggen, over bepaalde kwestie wordt dat debat in de kiem gesmoord. En online valt er niet veel eer aan te behalen. Een blad valt op de vloermat en iedereen neemt het wel door, en dan heb je een goed debatforum. In principe dus.
Het is alles zorgwekkend, dacht ik. Of vindt u soms van niet?

In de grote kranten is maar weinig ruimte beschikbaar gesteld voor de natuur, laat staan debat. Trouw wel, maar dat dagblad volgt al te getrouw de geijkte meningen van het WNF, NM en SBB. Dat is één pot nat.

Diep was mijn verwondering dan ook dat een protestbrief die ik inzond, geschreven n.a.v. Free Nature’s stuk in het Vakblad NBL, zomaar werd geplaatst. Desondanks!
Die vergissing zal de redactie niet snel weer maken, vrees ik hevig. Ja, een lot in de loterij en de kans van mijn leven om enige anti-aaibare dierenzaken in een officieel natuurblad uiteen te mogen zetten. Deze week verscheen mijn  ‘weerwoord’. Weliswaar helemaal achterin. Het luidt aldus;

[titel:] Laat het streven de Oude Wildernis zijn!

Cris Braat noemt in het januarinummer van Vakblad NBL een paar grondhoudingen voor onze verhouding tot de natuur. Zoals: ‘’We moeten de natuur van ons cultuurlandschap koesteren’’. Deze grondhouding boort hij meteen met kracht de grond in. Want dat cultuurlandschap was een ‘’gedegradeerd, kaal en schraal landschap’’. Prof. dr Victor Westhoff heeft onze natuurbescherming bewust gemaakt van de vele gradiënten die de oude boeren onbedoeld in het landschap aanbrachten en de daarmee samenhangende grote biologische variatie, ook ten gevolge van die schraalheid!

Westhoff kon nog spreken van ‘botanische schatkamers’, de heer Braat kent misprijzen: ‘’Grote delen van de zandgronden waren arm aan voedsel, begroeiing en dieren. Geschikt voor schapen en korhoenders’’. Na deze wijze opmerking mag ik wel mijn ‘Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland’ in vijf delen, benevens andere vegetatiekundige naslawerken die over antieke schatkamers handelen, de vuilnisbak inkieperen. Wist Braat niet dat de korhoenders uitstierven door het verdwijnen van de ouderwetse overgangen met de bijhorende rijkdommen aan kruiden en insecten? De ondergang bleek fataal voor de kuikenoverleving.

Op een diepere ‘grondhouding’ stoelt Braats voorliefde voor Nieuwe Wildernis. Alfa en omega is voor hem de natuur die ’weer op eigen benen kan staan’. Voorafgaande menselijke invloeden en bestaande vervuiling ziet hij gemakshalve over het hoofd. Het hele concept NW is daarom te vrijblijvend.

Het concept deugt principieel van geen kant, als men wél de relatie herbivoren versus vegetatie in alle toonaarden, als een kostbaar wildernis-achtig fenomeen, bezingt, maar een andere invloedrijke relatie doodzwijgt: die van predatoren vs. herbivoren Een vloed van (buitenlandse) literatuur leert, dat de predatoren een wezenlijke invloed uitoefenen op de aantallen herbivoren, met alle gevolgen van dien voor de voedselketen en de voorkomende plantengemeenschappen. De grazers kwamen in zéér lage dichtheden voor.

De overheersend kracht van ‘Top Down’ doet opgeld in de internationale literatuur, ’Bottum Up’ bij de ongeïnformeerde adepten van de Nieuwe Wildernis. Ons natuurbehoud weet zich bijna niet meer te ontworstelen aan de zucht naar safariparken. Deze moeten de pretparktoeristen overmatige aantallen verwilderd huisvee voorschotelen. Het concept Nieuwe Wildernis is louter een recreatief concept, en de grondhouding berust bij het recreatieschap.

Predatoren ontbreken, en jagers wordt verboden naar die lage maar functionele aantallen te herstellen. Ruïneuze kaalvraat door kunstmatig grote kuddes doet niettemin wild, woest en ledig aan.

Eén grondhouding, die alles met het écht natuurbeschermen van doen heeft, noemt Braat schandelijk genoeg niet. Dat is het benaderend reconstrueren van de verdwenen oernatuur, de natuur zónder historisch menselijke invloed: de natuurlijkheid van bossen, hoogvenen, beekdalen etc. zoveel mogelijk herstellen, met inheemse soorten Maar dat vergt stuurmanskunst. En aan beheren heeft Braats Free Nature een broertje dood. Het past niet zo bij hun ‘beleven en genieten’ van doelloosheid, die meer dan welkome afleiding in een strakke cultuur. Maak van de natuur geen drug.

K.Piël, Herstel Inheems Duin, kpil@xs4all.nl

 

Lopen er meer hoefdieren in de AWD dan in de OVP?

De populatie Damherten in de Aw duinen. Tel gerust bij de kolommen een stukje op. Figuur beeldt minimum-aantallen af
De kolommen geven de getelde, waargenomen Damherten weer. Plaats hier gerust nog een stukje kolom boven op, en je hebt een voorstelling van de werkelijk aantallen. Maar hoeveel kolom, dat is de vraag…..

 

Er bestaan zoveel uiteenlopende tellingen van de Damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen, dat het mij soms begint te duizelen. Waarom hebben we geen nauwkeurige opgave?

Van de enorme Nederlandse bevolkingsmassa is op de kop af bekend hoeveel mensen hier wonen, maar omdat het vak demografie geen bijvak natuurbeheer kent zitten we opgescheept met boswachters die de kluts kwijtraken zodra zij meer dan 30 Damherten moeten tellen.

Het gaat eigenlijk niet om de aantallen. Veel meer om wat al die grazers betekenen voor het behoud van de soortenrijkdom, voor het behoud van een meer-natuurlijke situatie, voor het behoud van een cultuurlandschap waarvan je niet zou willen dat het zijn biologische rijkdommen verliest, voor het behoud van de verschillende kenmerkende landschapstypen, zoals duingrasland of bepaalde bostypen.

De echte natuurbeschermer is zoals bekend in ons land met een lantaarntje te zoeken. Maar die weinigen zijn wel van een zwaarder kaliber dan de kartonnen doos met watjes waaruit de verzamelde dierenvriendengemeenschap is opgebouwd. Die mensen die geen enkel begrip kunnen opbrengen voor het behoud van de natuur en zijn soortenrijkdommen. Soort zoek soort, de poezelige wat komt in de natuur om de aaibare vacht te aaien. Uit louter enthousiasme plaatsten de dierenvrienden op internet welgeteld 7.887.665.042 foto’s van hun geliefde bambies.

De taak van de natuurbeheerder bestaat eruit in te grijpen als de natuur door kaalvraat tot dorre vlakte dreigt te degraderen. Afschieten, luidt in de wereld het devies wanneer de aantallen hoefdieren de pan uitswingen. In het buitenland bestaan geen bezwaren tegen het benutten van natuurvlees. Maar in het gulzig vlees verorberende Nederland wendt menigeen voor half of heel vegetariër te zijn en is doden opeens taboe zodra het natuurbeheer ter sprake komt. De dubbele moraal viert hier hoogtij.

Een bijna Babylonische vertelling

Volgens de telling van april 2014 waren er in de Awd 2200 Damherten. Dat is dus een minimumaantal, namelijk de dieren die zijn waargenomen.

Maar hoeveel herten bleven op de teldagen dan wel niet verborgen voor de telploeg?  Om die werkelijk aantallen te benaderen wordt soms gerekend met een vermenigvuldigingsfactor.

In het Faunabeheerplan Noord- en Zuid-Holland 2010 staat een  grafiek  waarin de minimaal aanwezige populatie (=de telling) is afgezet tegen de waarden van de totaalschattingen. De laatsten zijn volgens een vaste rekenmethode verkregen. Een ding wordt duidelijk, namelijk dat beide waarden aldus sterk gecorreleerd zijn. Zelf rekende ik aan de hand van de verstrekte getallen uit dat door de jaren heen gemiddeld de vermenigvuldigingsfactor 2,6 bedraagt.

In april 2014, -nog vóór de geboortegolf van juni en juli- zouden totaal aanwezig zijn 2,6×2200=5720 Damherten.

Op de vermenigvuldigingsfactor 2,6 kreeg ik in een tweet ernstig kritiek te verduren van het Kenniscentrum Reeën, @KcReeen. Die zegt dat de rekenfactor aan verandering onderhevig is, dat het een oude fout betreft, kortom die 2,6 was niet meer waard dan een #dikkeduim.

Met welk getal mag je wél verantwoord optellen? Is het bout te veronderstellen dat achter het struikgewas zich dertig procent van de hele populatie voor de ogen van de tellers schuilhoudt? Mijn gevoel zegt dat het kán. De omrekenfactor is dan 100:70=1,43. Ruim onder die van 2,6!

In dit hypothetische geval (30 procent/1,43) is 2200 Damherten zeventig procent van de gehele aanwezige populatie. In totaal zijn er in het gebied 3142 herten.

Wethouder Kock laat in een brief van 10 december 2104 aan de Amsterdamse raadscommissie weten dat bij de getelde voorjaarsstand van 2200 nog de geboortes van juni opgeteld moeten worden. Zo komt hij aan de minimumpopulatie die de winter ingaat. Hij telt er 1000 geboortes bij. Dat is dacht ik een traditioneel aanname van een jaarlijkse brutto aanwas van 45,5 procent. In de herfst van 2014 waren er dan totaal 3200 dieren, let wel: dit is weer minimumschatting!

Op grond van het eerder berekende totaal in het voorjaar van 2014, de bovengenoemde 3142 (inclusief de gefantaseerde dertig procent, zijnde de herten uit het zicht van de waarnemers), is de toename door geboorte in 2014:  45,5 procent van 3142=1430. Samen 3142+1430=4572 Damherten, die gaan de winter 2014/15 in.

Van substantiële sterfte in de zomermaanden zien we hier nog af. Of zijn die soms wel beduidend in deze periode? Ik ben geen expert, dit verhaal is een eenvoudige opteloefening, ook om mijn L.O. niveau bij te spijkeren. Dus reken me nergens op af!

Door sterfte van 400 dieren deze winter houden we volgens de wethouder in het voorjaar van 2015 2800 dieren over. De toename in een jaar, 2014/2015 –maar voordat in 2015 de nieuwe geboorte in juni en juli op gang komen-, bedraagt netto 2800-2200=600 dieren ofwel 27,3 procent.

27,3 is ongetwijfeld een erkend gemiddelde jaarlijkse toename, en om die reden gehanteerd. Wat let ons om de totale hertenstanden uit te rekenen op basis van dit jaarlijkse toenamecijfer? Niets.

De heer Immerzeel, hoofdboswachter van Waternet verklapte in het Haarlems Dagblad van 23 augustus 2012 dat er toen ‘minstens 4000 Damherten’ waren. Hij zal wel een totaalschatting bedoeld hebben. Goed, dat betekent dat twee jaar verder en op grond van 27,3 procent jaarlijkse toename, er minimaal in augustus 2014 7451 damherten zijn. Totaalschatting.

Dat is in elk geval correct berekend. Anderzijds zou de grens van de bestaansmogelijkheden van het Damhert met dit getal 7451 reeds lang gepasseerd zijn, als we tenminste de maximum populatie in aanmerking nemen die buitenlandse voorbeelden te zien geven . 7451 Damherten lopen in het vroeg voorjaar, als de vetreserves opraken, tegen ernstige voedseltekorten aan. Voorwaar, een spectaculaire crash staat voor de deur, mensen.  Daar mogen de halfgod van de begrazingshysterie Frans Vera en de directie van Staatsbosbeheer in hun modderige OVP stinkend jaloers op wezen.

De Oostvaardersplassen ingehaald

Tevens is de OVP niet langer de grote Europese Serengeti waar altijd reclame mee is bedreven. Die eer schijnt thans de Amsterdamse Waterleidingduinen toe te komen. Daar leven op dit moment, althans berekend op basis van de ‘minstens’-schatting van de vorige hoofdboswachter, meer dan 7400 Damherten. Veel meer dan het totaal aan Edelherten, Konikpaarden en Heckrunderen, die alreeds de oorspronkelijke biodiverse Oostvaardersplassen tot een woestijnsteppe hebben afgegraasd.

Eind oktober 2014 werden daar tellingen verricht vanuit een helicopter, die werden gevalideerd aan de hand van foto’s die tijdens de helicoptervlucht van grote groepen werden gemaakt. De hoogste telling voor de drie hoefdieren samen was 4855.

Hoe dan ook, het getal van 7451 wijkt erg af van wethouder Kock’s getallenreeks. Die zijn cijfers trouwens óók aangereikt kreeg van hetzelfde Waternet waar boswachter Immerzeel zit (of zat).

In de zomer van 2014 was er dus volgens de wethouder een minimum van 3200 dieren aanwezig. Immerzeel noemde een geschat totaal, Kock een minimum. De verhouding André Immerzeel staat tot Udo Kock is als 7451:3200=2,3

In verband met de omrekenfactor 2,6 (getal dat van het Kenniscentrum Reeën spontaan een #dikkeduim kreeg toebedeeld), merken we op dat 2,3 niet bar veel afwijkt van de verdoemde 2,6.

Mijn eigen, met een natte vinger gekozen omrekenfactor bedroeg een 100:70=1,4

1,4 is 54 procent van 2,6. Niemand kan beweren dat ik onbescheiden ben geweest door slechts iets meer dan de helft van een toch redelijk betrouwbare 2,6 omrekenfactor te hanteren teneinde mijn kwantitatieve zorgen over de bambiepopulatie uit te drukken.

Overigens wijzen alle cijfers qua normering voor verantwoord bosbeleid richting 4 Damherten per honderd hectare, ofwel er passen in de hele Awd 140 Damherten. Vier per honderd is het advies van Vereniging Het Edelhert. Maar het cijfer 4 (zij het als het equivalent voor Edelherten, 2) vind je overal terug in de literatuur. De echte natuur met gevaarlijke roofdieren als wolven en beren en lynxen is zeer spaarzaam bevolkt met herten. We mogen heus niet denken dat de Oostvaardersplassen symbool  staan voor het ongerepte vroege Nederland zoals de autoriteiten ten onrechte ons willen doen geloven.

Of neem de AWD, dat speeltuinachtig hertenkamp van onverschillige raadslieden en huilebalkende dierenbeschermers. Zou Topnatuur zijn volgens de Waternetdirectie! Uniek, om zijn vele herten, komt dat zien! -roept een statenlid van een dierenpartij.

Hoeveel damherten er nu rondlopen lijkt me van minder belang dan de stand waarbij de biologische verscheidenheid van bos en duin gewaarborgd is, zoals de wetgever vereist.

Schiet net zoveel dieren af totdat het door Natura 2000-regels beschermde, maar aan graaserosie onderhevige duinlandschap, zich heeft kunnen herstellen, vertrouwde me een voorzitter van een natuurvereniging toe. Helaas brengt hij die mening niet in de openbaarheid. Zo heeft de dierenactivist vrij schieten in een land waar de natuurbescherming volledig op z’n gat ligt. kp

 

 

Verstand op nul. Natuurlijk proces op oneindig

In het natuurbeheer is massaliteit tegen woordig oerrrr geworden.
In het natuurbeheer is massaliteit tegen woordig oerrrr…..

 

Gezien de zorgelijke toestand waarin de Amsterdamse Waterleidingduinen met het Damhert kwam te verkeren nam de Amsterdamse gemeenteraad op 11 september 2013 de motie Jager (PvdA) aan.

De motie stelt dat: ‘’Waternet overgaat tot duurzaam beheer van de kudde, gericht op stabilisatie van de populatie waarbij natuurlijke processen zoveel mogelijk een beloop krijgen.’’

Volgens de motie mocht er ook niet worden bejaagd. Ogenblikkelijk rijst de vraag of een jachtverbod niet in conflict komt met de doelstelling van een ‘’stabiele populatie’’.

Want alleen beheersjacht garandeert de nodige stabiliteit, althans in de aantallen. Nu de motie de jacht uitsluit zal de populatie doorgroeien tot ‘aan het plafond’, tot het moment dat de voedselvoorraden voor de Damherten zijn uitgeput. Dan is de hertenpopulatie inmiddels tot fabelachtige dichtheden aangezwollen, in een mate zoals die onder meer natuurlijke omstandigheden niet zal voorkomen.

Jager wil evenmin de Wolf introduceren. Ik bedoel hier meneer Jager, het raadslid. De hoge aantallen herten die nu al jarenlang de Awd onveilig maken tot schade van flora en fauna staan in geen enkele reële verhouding met de natuurlijk processen zoals de motie die beoogt. De vraag staat hier centraal: wat is een ‘natuurlijk proces’.

De beheerder slaat geen acht op de co-evolutie

De door Amsterdam gewilde natuurlijk processen kunnen het niet stellen buiten de natuurlijke predatoren. Zoals de Wolf, die in staat is onder natuurlijke omstandigheden de aantallen herten drastisch binnen de perken te houden.

Maar eerst iets over de invloed van de Wolven, en mogelijk andere roofdieren, op de vorm en functie van het Damhert. Wat gebeurt als de Wolf er niet meer is; treedt er bij herten geen domesticatieproces op? Inderdaad, de Damherten dreigen eigenschappen te verliezen die ze in een langdurige co-evolutie met hun roofvijanden hebben verworven .

Over enkele eigenschappen die de waarnemer opvallen. Bij herten valt de sprint op. De aanvallige dieren bezitten tevens een goed gehoor. Die eigenschappen stellen de herten in staat een snel heenkomen te zoeken wanneer roofdieren, Bruine beren en Wolven en in mindere mate de Lynxen, in de buurt komen.

Beide kenmerken, gehoor en loopvermogen, versterken elkaar, ze vergroten de voorsprong .Toch vallen er dieren ten prooi. Maar zonder de ver ontwikkelde zintuigen -en de loopspieren en het ranke gestel- stierf het hert uit, werd het door zijn predatoren nét wel uitgeroeid. Het natuurlijk evenwicht bestaat wel.

De oren zijn er niet op gespitst om het gras te horen groeien, zoals de heer Jager aan het Waterlooplein misschien denkt. Neen, het gras vinden ze op het zicht, waarbij herten wellicht verder selecteren met het reukvermogen. De viervoeter heeft zeer waarschijnlijk ook niet zulke snelle poten gekregen om voor de hete zomerzon uit het bos in te vluchten, voor koelte en schaduw. De bosrand haalt hij voor dat doel evengoed.

De motie hield geen rekening met deze co-evolutionaire kant van het Damhert. In de uur durende beraadslaging in de Amsterdamse raad, die in zijn geheel was gewijd aan leven en dood van bambie, miste ik node een snuggere opmerking hierover.

Maar als je niet bereid bent om voor jezelf een voorstelling te maken van het natuurlijke habitat van het hert, spreek dan liever niet van natuurlijk processen. Dat is een te dure term voor raadsleden, die in de regel weinig op hebben met natuurbeheer.

Predatoren bepaalden voor een deel tijdens een langdurige evolutionaire interactie anatomie, fysiologie en ecologische functie van herbivoren, inzonderheid de herten. In het geval van een wegvallen van dat ene aspect -dat miljoenen jaren omvattende natuurlijke proces van predatie-, zijn die verworvenheden van het Damhert onherroepelijk aan erosie onderhevig. De alertheid neemt af: er zijn geen roofdieren die op herten loeren en de laatsten hoeven niets meer in de gaten houden. Gevolg: bambie wordt aartslui. Verworven karakteristieke biologische eigenschappen worden aldus danig op de proef gesteld, het resultaat is verandering van fysiologie en anatomie. Als gevolg van een niét langer verlopend natuurlijk proces verminderen reuk en gehoor, deze veranderen hoe dan ook; het proces is niet langer een natuurlijk proces. Wel een spontaan proces, de mens grijpt niet in.

De grote roofdieren keren waarschijnlijk niet gauw terug in de AW duinen. Voor de Wolf is het gebied te klein om een roedel te bevatten die een effectieve wolvenjacht mogelijk maakt. Zelfs is het de vraag of een behoorlijke roedel een onnatuurlijke overpopulatie qua aantal weet terug te brengen tot meer natuurlijke proporties. In de literatuur lees je van schaarse voorvallen waar een dergelijke aantalsreductie achterwege blijft.

Afgezien van de getalsmatige kwestie ziet de toekomst er voor het Damhert in de Awd er dus weinig rooskleurig uit. Dat het hert in ons land wegens het ontbreken van natuurlijke predatoren een domesticatieproces tegemoet gaat, -we kunnen het Amsterdam niet euvel duiden. Jager gaat wat dat betreft vrijuit. Maar niet de jagers als groep.

Hun hulp roepen we in om de aantallen herbivoren te limiteren, zoals de natuurlijke predatoren dat in het verleden deden.

Geen topnatuur zolang de begrazing óver de top is.

Omwille het oplosbare vraagstuk der aantallen zou de van de natuurbeheer vervreemde stadsmens niet langer de baas moeten willen spelen over de natuurbeheerder. De raadsleden moeten een kloek besluit nemen en het beheer overlaten aan de vakmensen: de natuurbeschermers. Die zijn overal ter wereld gewend te beheren, ook met het geweer. Waarom zou je de  ‘Topnatuur’ van de Awd uitzonderen?  De directeur van de Awd, de heer Cousin, liet de handige pr-kreet Topnatuur ongegeneerd knallen tijdens een commissievergadering. Zijn onderzoekrapporten, die elke keer weer meer hertenschade melden, spreken geenszins van Topnatuur.

Welke vegetatie zal onder begrazing van herten ontstaan? Een belangrijke vraag voor de instandhouding van de biodiversiteit. Bij een natuurlijke lage dichtheid (deze wordt uitgedrukt in aantal herten per 100 hectare), behoudt het bos zijn typische kruid- en struiklaag en de boomverjonging blijft overeind. Hoge dichtheden, met meer dan twee Edelherten per 100 hectare, brengen het bos in verval, verjonging door opgroeiende bomen blijft achterwege, en het bos veranderd op den duur in open terrein.

De vegetatiestructuur is voorts bepalend voor de plantensoorten die er voorkomen. Typische bosplanten vestigen zich  waar bos voor lange tijd kan voortbestaan. Op open terrein planten die horen bij open terrein. En planten bepalen op hun beurt het voorkomen van diersoorten. Vaak zijn dieren gespecialiseerd op bepaalde planten: de vlinder die een bepaalde plant voor nectarbezoek uitkiest en mogelijk weer een ander plant als waardplant voor zijn rups. Paddenstoelen voor het bos, of soorten die aangepast zijn aan het open grasland, enzovoort.

Predator als bemiddelaar tussen herbivoren en vegetatie

Van de 47 hertensoorten die de wereld kent, zijn er 11 die hoge dichtheden kunnen bereiken (McShea, 2005). Een van de elf is de in de Randstad veelbesproken Damhert, alias Bambie. Deze bereikt in de Awd in het binnenduinbos van het Vinkenveld inmiddels het recordaantal van 190 dieren per honderd hectare (Parels van de duinen 2014).

De motie die stelt dat de damherten, de lievelingen van het grote publiek, niet mogen worden afgeschoten, behalve de dieren die ondraaglijk lijden (en die zich dan schielijk in een verborgen struweelhoekje terugtrekken waar ze nooit door de boswachter worden gevonden; de motie is op dit punt wat aan de hypocriete kant), die motie zal niet de natuurlijk processen op gang brengen. Integendeel, in natuurgebieden waar alle oorspronkelijke ecologische relaties intact zijn, c.q. de functionele relatie predatoren-herbivoren, halen de herten in de gematigde luchtstreken zelden hogere aantallen dan twee Edelherten per honderd hectare (wat overeenkomt met vier Damherten, althans als je kijkt naar de voedselopname; overigens is de Damhert een exoot).

Dat natuurlijke aantal stemt overeen met de lage aantallen van 1 á 2 Edelherten die de bosbouwers op de Veluwe claimen om de bosverjonging voor overbegrazing te behoeden . Nu lopen in het Awd-duinbos van het Vinkenveld dus 190 damherten per 100 ha. Hoe durven de Amsterdammers een dergelijk uit elk zinnig verband getrokken aantal een natuurlijk proces noemen?

Dat was dus het tweede punt, de aantallen, waarop eens de aandacht gevestigd mag worden, niet dan na even hierboven te hebben stilgestaan bij de deformatie van een oorspronkelijk wilde soort wanneer de wilde roofdieren ophouden te bestaan.

Al met al had Jager en zijn PvdA, en in zijn kielzog de hele Mokumse gemeenteraad, er beter aan gedaan de kaken stijf op elkaar te houden in plaats van de wijsneuzen uit te hangen.

De zaak op zijn beloop laten, – bij afwezigheid van die grote vormende en limiterende factor, de natuurlijke predatie-, en het tegelijkertijd wél toestaan van onnatuurlijk hoge aantallen herbivoren doordat er een jachtverbod is op aantalsregulatie-, het betekent dat er hooguit sprake kan zijn van een spontaan proces. De les die hieruit volgt:

elk natuurlijk proces is spontaan, maar niet elk spontaan proces mag je onder die van de natuurlijke rangschikken.

De man die in de vorige eeuw de Wolf op de Veluwe wilde herintroduceren, de charismatische natuurbeschermer dr Harm van de Veen sprak eens over ’de natuur van de dakgoot’. Natuur die zich spontaan ontwikkeld kan interessant en waardevol zijn, maar correspondeert niet noodzakelijkerwijze met de natuur zoals die buiten de historische invloed van de mens om zou hebben bestaan, zo hield hij ons voor. Het ging Van de Veen vooral om een reconstructie van de meer oorspronkelijke natuur.

Met genoegen presenteer ik enige uitspraken van personen die in hun jeugdjaren met weinig aandacht het debat over de begrippen spontane versus natuurlijke natuur hebben gevolgd. Aanstonds zal blijken dat zij in de collegebanken van de vakgroep natuurbeheer hun nachtelijke roes hebben zitten uitslapen.

In het blad Duin, van de stichting Duinbehoud, poneert Arnoud van der Meulen de stelling dat populatiebeheer de ‘natuurlijke processen’ in de weg zit. Hij stelt: “Als het aantal damherten de draagkracht van het gebied nadert, remt de groei vanzelf af door beperkende factoren’’.

De uitgebreide literatuur laat er echter geen twijfel over bestaan: een van die ‘beperkende factoren’ tijdens de natuurlijke processen is de predatie. Die oefent zijn werking uit lang voordat genoemde  ‘draagkracht’ is bereikt, dat wil zeggen, lang voordat al het voor herten in voldoende mate aanwezige voedsel op is.

Het eerste slachtoffer dat in de Awd ten prooi viel aan de kaalvraat van het Damhert is het duinbos. De bast van de struiken werden geschild, de bladeren opgepeuzeld; er is daar geen ondergroei meer aanwezig. Dat was al het geval in 2011, toen  Duinbehoud het artikel schreef. Er werd gewoon geen melding van gemaakt.

Hij schrijft dat het punt van de draagkracht ‘waarschijnlijk’ al is bereikt. Toen, in 2011 waren er 1500 herten geteld. Maar voorjaar 2014 2200.  Liefst 47 procent erbij.  Kende Duinbehoud zijn literatuur, dan kon het weten dat elders in Europa voorbeelden waren van 6000 Damherten, en daar kan het naar toe gaan.

In de grond van de zaak heerst er diepgaande onkunde over het verschil tussen spontaan en natuurlijk. ‘Afschot is een kunstmatige  ingreep die al deze natuurlijke processen verstoort’, schrijft Van der Meulen onbekommerd. Elke natuurbeheerder weet dat een ingreep de natuurlijkheid kan bevorderen en nergens gaat dat zo goed op als bij het beheer van herten. Zonder die kunstmatige ingreep verliest het duin veel van zijn natuurwaarden. Hoe kan een stichting die het duinbehoud in zijn vaandel heeft staan dergelijke onzinnige dingen beweren, maar de vermeldenswaardige verzwijgen.

De uitglijers van Alterra

Groot Bruinderink is jaren onze grote nationale wildbioloog geweest, in dienst van Alterra. Onlangs ging hij  met pensioen. Hij stelt dat als gevolg van de toename van de Damherten de lagere dichtheden van de Ree ‘’als natuurlijk moet worden beschouwd’’ (Groot Bruinderink et al, 2009)

Als voorbeeld noemt hij een zeer hoge stand van 180 Damherten per honderd ha. Zulke hoge aantallen Damherten verjagen de Ree, ja logisch, maar dan hebben we het over duidelijk kunstmatige hoge aantallen. Is dat natuurlijk te noemen? Een blunder van Alterra, die bovendien de banvloek slaat met elke vorm van wildbeheer.

Bruinderink citeert zichzelf in onderhavig Alterra-rapport getiteld Faunabeheerplan Noord-Holland 2009, beoordeling Damhert. Het werd vervaardigd ’In opdracht van Statenfractie Partij voor de Dieren, Noord-Holland’.  Daar komt de aap uit de mouw.

Alterra is met andere woorden niet objectief geweest. Hoe gewillig buigt een onafhankelijk geachte onderzoeksinstituut voor de wens van een politieke partij. Die maar één dogma koestert in zijn semi-religieuze vervoering, dat met vette letters in zijn catechismus staat gepend : de jager hel en verdoemenis toewensen. Pardon dierenvrienden: de plezierjager.

Groot Bruinderink en co-auteur Lammertsma merken op: ‘’gehanteerde begrippen als duurzaamheid en een natuurlijke populatiestructuur worden daarmee inflatoir: dat is immers een doel dat door de feitelijke gang van zaken [d.w.z. het afschot –kp] wordt gefrustreerd.’’

De jacht frustreert duurzaamheid? Dat is de omgekeerde wereld. Buiten Nederland wordt de jacht beschouwd als middel bij uitstek om, waar nodig, de natuurlijke vegetatie te herstellen. Zonder dat er sprake is van natuurlijke predatie -want over dat laatste hebben ze het niet-, suggereren Groot Bruinderink et al. de mogelijkheid van een ‘natuurlijke populatiestructuur’. Dan gaat Alterra er kennelijk vanuit dat de natuurlijke predatoren geen wezenlijke invloed hebben op die natuurlijke populatiestructuur? Hoe nu. Als de natuurlijk jager dan toch niet zoveel verschil uitmaakt, dan leidt menselijke bejaging wellicht tot een even natuurlijke populatiestructuur, of een die daar in de buurt komt. Als je maar onder de juiste leeftijden de juiste aantallen afschiet. Zo zie je maar wat drank aanricht in de collegebanken.

Inflatoir is het begrip natuurlijkheid, zeker op de manier waarop Alterra dat  opvat.  Misverstaan, omdat het rapport voorbijgaat aan de meer natuurlijke dichtheden.

De dichtheden van de herten zijn bepalend voor een al of niet natuurlijk te noemen vegetatie (met name het duinbos), of bepalend bij de instandhouding van overige biodiversiteitswaarden (zoals het open duinlandschap dat deels een artefact is). De jacht is het enige middel van beheer, en uitgerekend dat middel noemt Alterra ‘frustrerend’. Alterra kan onderafdeling van Duinbehoud worden.

De Totale Bambie is geen Natuurlijk Proces.

Een andere grootheid in de geweldige Nederlandse natuurbehoudswereld is de bekende Frans Vera. Nederland mag hem dankbaar zijn voor de totstandkoming van het oostelijke deel van de Oostvaarderplassen. Daar was oorspronkelijk een spoorlijn geprojecteerd. De man weet als geen ander politicus in de lage landen de publiciteit  flink naar zijn hand te zetten. Door zijn publicaties werd de spoorlijn, die er al bijna lag, naar het oosten op geschoven.

Voor het overige is de man een leger des heils soldaat, vooral verveelt hij met zijn niet aflatende propaganda voor zijn theorieën over het natuurbeheer, inzonderheid het karakter van de bossen zoals die hier van nature volgens hem zouden voorkomen.

Zijn fundamentele preken over de Nieuwe Wildernis trekken al decennia lang volle zalen en oogsten veel bijval. De volksmisleiding resulteerde in overbegrazing en afbraak van het Nederlandse bosareaal, de natuurontwikkelingsgebieden kregen niet de kans uit te groeien tot  biologisch interessant en veelzijdig natuurterrein.

De OVP is een door veredeld huisvee kaalgegraasde kleivlakte. Het is de natuurlijke metafoor van een plat gebombardeerde stad in oorlogstijd. Vanuit de trein is het elke keer een spektakel om naar te kijken, daar niet van. Gelukkig is zijn theorie die hij goedgelovig liet steunen op hulpwetenschappen als palynologie en archeologie door de vakspecialisten in de prullenbak gegooid. Voor sommigen was zijn proefschrift Metaforen voor de Wildernis aanleiding om gericht naar antwoorden te zoeken op concrete vragen die het opriep. Om vervolgens zijn bostheorie nog een knauw na te geven.

Frans Vera kan je met gemak de Messias van de Oernatuur noemen, de Verlosser van het naar Authentieke NatuurErvaringen smachtende volk. Iemand die iets bijzonders weet te verkondigen over de afstamming van de wereld, kan altijd rekenen op een sekte die voor hem door het vuur gaat.

Over de Oostvaardersplassen verscheen, zoals dat toegaat, een oud-testamentisch aandoend beeldverslag, een film. De Nieuwe Wildernis. Velen waren ontroerd, sommige verlieten de bioscoop onder het plengen van stromen tranen. Dat zielige veulentje, en toch zo echt Op en Top Wildernis.

Maar een religie of een socialistische dwangstaat kan het niet lang volhouden zonder inquisitie of concentratiekamp. Het OVP-vee mag daarom periodiek massaal doodhongeren. Het is de prijs voor de afwezigheid van Wolven en Bruine beren. Die hadden de aantallen herbivoren anders op hun gulzige manier al verslindend gedecimeerd. Maar dan was de ‘ecologische draagkracht’, die helaas ten onrechte als norm is gaan gelden, in de vorm van hongeroedeem met bijbelse proporties, nooit bereikt.

De Oostvaardersplassen liggen in een droogmakerij. De Amerikanen zijn gek op Holland. Eenkennig lopen de yanks weg met onze klompen, dijken en polders. Des te bewonderenswaardig dat Vera, de om zijn betrouwbare nieuwsvoorziening geroemde The New York Times op 18 september 2013 zover wist te krijgen de door hem in het leven geroepen mythe zonder enig kritisch commentaar te laten afdrukken; ”This gave a window into what large parts of the Netherlands looked like in the past’’

Waarmee Vera weer een staaltje te beste gaf van zijn grote overredingskracht. Bij ons thuis lezen we in het boek Wildernis in Nederland-het verhaal van bossen en beesten, zijn evangelie er nog eens goed op na. We lezen de blijde boodschap van een ‘nagenoeg ongerept oerlandschap’. Het is een echt kerstverhaal. De film werd ook in de kerst op de tv vertoond.

De kracht van Vera zit niet zozeer in zijn argumentatie. Die snijdt geen hout, het is meer orakeltaal á la Lou de Palingboer. Als begaafd pr-man is hij desalniettemin razend populair onder de journalisten van de Nederlandse kwaliteitskranten. Die zijn tuk op de laatste berichten uit de kersverse Oernatuur. Ik lees die verhalen altijd met genoegen, wat is leuker dan je tot op het bot ergeren, het maakt het leven met zijn opflakkerende momenten van saaiheid  de moeite waard.

De laatste jaren lijkt Sinterklaas op zijn retour. Hij zoekt steun en toeverlaat bij het kader van de PvdD. Dat de diersentimentalisten fel opponeren tegen de beheersjacht, moet Vera wel bevallen. Zijn afgodsbeeldje van de oernatuur is die van enorme kuddes herbivoren die permanent de bossen door kaalvraat een zeer open karakter verlenen, terwijl hij kranig volhoudt dat de predatoren een ondergeschikte rol spelen bij het reguleren van de aantallen herten. Zware boekenkasten van de wetenschappelijke instituten die bijna unaniem het tegengestelde verkondigen, hoeft de grootste illusionist die het Nederlands natuurbehoud voortbracht niet weg te toveren. In ons land heb je die boekenkasten niet. Anders zou hem dat met het grootste gemak lukken. Niet nodig ook. Geen natuurbeheerder leest immers die boeken.

De Awd is op weg naar een tweede Oostvaardersplassen en het grote publiek vindt het prachtig. De nieuwe duinwildernis van de Awd zal op den duur ook een oerrrr spannende Serengetivlakte opleveren. Dat zomaar in eigen land. En je hoeft er geen dure reis voor te betalen. En de jager zetten we neer als een buitengewone schoft, een barbaar. In een land waar 95 procent van de bevolking met smaak en plezier vlees naar binnen werkt – zo vlak na kerst ligt men onder de uitvallende dennenaalden nog bij te komen van de tonnen wildbraad en kalkoen-, is het ironisch genoeg populairder dan ooit om met zijn allen mee te doen aan de hetze tegen de plezierjacht.

Natuurbeheerders doen er angstvallig het zwijgen toe. De kale biologisch verarmde vlakten waren nimmer hun oorspronkelijk doelstelling geweest. Maar niemand interesseert het zolang die vlakten goed zijn voor het draagvlak van het natuurbehoud en de ledenadministratie.

Mij komt het voor dat er een diepe tegenstelling is ontstaan tussen de dierenbeschermers enerzijds en de natuurbeschermers anderzijds. De laatste zijn voorlopig aan de verliezende hand. Of het is al veel erger, ze gingen er massaal met de staart tussen de benen vandoor om een holletje te zoeken onder de welriekende rokken van toverkol met bezem, M. Thieme in Den Haag, dat andere fenomeen. kp

Literatuur

Groot Bruinderink, G.W.T.A en D.R. Lammertsma. Faunabeheerplan Noord-Holland 2009, Beoordeling damhert. Alterra-rapport 1930, Wageningen.

McShea, William J. 2005. Forest ecosystems without carnivores: When ungulates rule the world. Bladzijden 138-153 in: Large Carnivores and the Conservation of Biodiversity. 2005. Island Press, Washington, Covelo, London

Vera, F.W.M., Buissink, F en Weidema. 2001. Wildernis in Nederland –het verhaal van bossen en beesten. Trion, Baarn

Vermeulen, Arnoud van der. 2011. Damherten in de duinen. Een grazende attractie. Julinummer DUIN

Parels van de duinen 2014, -download: https://www.waternet.nl/media/721965/parels_van_de_duinen_2014.pdf

 

 

 

 

 

Ons natuurbehoud geeft misleidende informatie over de Oostvaardersplassen

OVP 4magesCECCENTY

Over de verdienste voor het natuurbehoud van de Oostvaardersplassen gesproken:

De OVP is zeker geen voorbeeld voor een Holland zoals zich dat tot op heden ontwikkeld zou hebben als de mens niet ons land was binnengekomen, als er dus geen menselijke invloed was geweest. Natuurbehoud doet voorkomen alsof dit wel zo is.

Het drooggelegde stukje IJsselmeer waaruit de OVP is ontstaan -en voorheen golfde er de nog meer oorspronkelijke, brakke Zuiderzee-, is geen kopie van de oernatuur, ook niet van een voorbeeld zoals dat elders in een oer-Holland had bestaan, of nog zou hebben bestaan.

De grote verdediger van het huidige gebied en zijn beheer, de bioloog  dr. Frans Vera, kwam in 1997 met een dik proefschrift voor de dag, ‘’Metaforen van de Wildernis’’. Daarin poneert  hij dat de niet door de mens beïnvloede natuur in Noordwest-Europa bestond uit grote kuddes grazende zoogdieren die de bossen een zeer open karakter verleend zouden  hebben, een soort parkbossen. Zijn theorie is door palynologen , archeologen en ecologen onderuitgehaald.

Ons land kende van oorsprong maar weinig wilde runderen en paarden; de laatste werden vrijwel niet gevonden in oude kampplaatsen uit de prehistorie.  Wel lagen er relatief veel botten van het Edelhert. Paarden konden  moeilijk vooruitkomen in een land dat doorsneden was met rivieren en beken, overdekt met vele  moerassen. De zeer uitgestrekte, onbegaanbare hoogvenen boden al helemaal geen paardenbiotoop.

Er is ook geen enkel bewijs dat grote groepen ganzen de rietvelden in toom wisten te houden, zoals Vera en Staatsbosbeheer beweren. De vergelijking met Serengeti  Nationaal Park gaat mank, daar heerst een geheel ander klimaat en de set aan Afrikaanse zoogdieren is onvergelijkbaar anders, veel soortenrijker en mede daardoor andere ecologisch-functionele relaties. Maar steeds komen ze weer met Afrika aanzetten. Want dat is handige pr.
Safari! Spanning! Romantiek!

Voor de hand ligt daarentegen een vergelijking met Europa en Noord-Amerika, op beide continenten waar vrijwel dezelfde diersoorten voorkomen. Uit een omvangrijke, voornamelijk wetenschappelijke Amerikaanse literatuur komt het beeld naar voren van een (oer)natuur waar de aantallen hertachtigen flink laag worden gehouden door een gecombineerd predatie van Bruine beren, Wolven en Lynxen in Europa; in Noord Amerika bovendien de Poema. Top-down control overheerst Bottum-up.

Meer dan twee herten per honderd hectare, dat is één vierkante kilometer, kwamen in de meer oorspronkelijk natuur op het noordelijk halfrond waarschijnlijk niet voor. Voor de OVP, als een te herstellen natuur naar een meer oorspronkelijk aanzien, mogen we dan rekenen op iets van totaal veertig Edelherten; daarboven is kennelijk te makkelijke prooi voor de roofdieren.

Oerossen kwamen hier waarschijnlijk in kleine kuddes voor. De Wisent is nooit in Nederland vastgesteld; anderzijds stelt Vera wel zeer terecht dat de Wisent in de loop van de tijd zijn natuurlijke areaal mogelijk over Nederland had kunnen uitspreiden. Goed die Wisent loopt er nog niet. Maar het wilde zwijn ontbreekt in de OVP, voor mij is dat een compleet raadsel. Die moet je als oorspronkelijke omnivoor en belangrijke bodemwoeler juist uitzetten.

Doordat onderhand al het struweel en het bos in de OVP is weggevreten of de bast is geschild, en door de onnatuurlijke grote overpopulatie aan grazers, kun je hier niet spreken van een voorbeeld van oernatuur. Of zelfs iets wat er in de verte op lijkt.

Ook ontbreekt het aan de aanwezigheid van Bruine beren en Wolven, die voor een volwaardig ecologisch functioneren essentieel zijn. Zonder deze grote predatoren heeft de vegetatie een totaal ander karakter, er ontstaat een andere natuur dan oorspronkelijk van nature aanwezig. De grote predatoren hielden de stand van  Vossen en Dassen laag. Bij gebrek aan grote predatoren komen deze mesopredatoren al te overvloedig in onze natuur voor; de beheersjager kan anders iets rechtzetten.

Wat vrijwel een onzinnig voorstel is. In Nederland spelen de diersentimentalisten meer en meer de baas over het natuurbehoud.

Zelfs Natuurmonumenten is recent overstag gegaan. Deze vereniging heeft onlangs een taboe uitgesproken over het ‘pro-actief’ jagen. Daarmee is de toon gezet van  een onheilspellende ontwikkeling binnen het natuurbehoud. Het anti-jacht sentiment zal in de bossen van haar natuurmonument uitdraaien op overbegrazing, op het verdwijnen van de struik- en kruidlaag en de natuurlijke bosverjonging loopt groot gevaar. Als je slechts één facet van het beheer laat domineren over alle andere, waarmee ben je bezig? Met facetbeheer. Het foute voorbeeld van de OVP werkte bij de afweging van de argumenten kennelijk niet afschrikwekkend genoeg.

In de fatale beslissing om de stand van de herten niet langer op een meer-natuurlijk peil te houden, zal het vooruitzicht van een vertoornde toverkol uit Den Haag, Marianne Thieme, de grootste rol hebben gespeeld.  Dat moet gezegd, met vlag en wimpel slaagt haar partij, -die verder ook niets opheeft met natuurbescherming (alle invasieve exoten bereidt de Partij voor de Dieren een hartelijk welkom!)-,  erin om een leger stoere boswachters naar haar pijpen te laten dansen. De boswachter is overal in ons land van een streng toezichthouder afgezakt tot een bedenkelijk soort gastvrouw die voor alle gasten een even vriendelijk woord overheeft.

De Zeearend is hier komen aanvliegen vanwege de rust die er heerste. De waarde van deze zogenaamde Nieuwe Wildernis  is er volgens mij dan ook in gelegen dat er tot voor kort haast geen recreanten werden toegelaten, en dat is voor het natuurbehoud in Nederland onderhand werkelijk uniek en zéér opmerkelijk te noemen.

Eindelijk konden we wat dát betreft spreken van een ‘echt’ natuurreservaat! De Nederlandse natuurgebieden worden platgelopen en de natuurbeheerders doen er alles aan om  er nog meer mensen in te proppen. Het laatste is goed voor het Draagvlak van het natuurbehoud! (Echt natuurbehoud bestaat niet in Nederland, wél valse profeten.)

Voor een hoop Nederlanders vormen de OVP dé ongestoorde oorspronkelijke natuur. Dat valse beeld wordt door een onverantwoorde natuurbescherming keer op keer bevestigd. De sensationele propaganda- bioscoopfilm, de Nieuwe Wildernis, is daar ook debet aan.

Het gebied is inmiddels zo populair geworden dat de staatsboswachter de aandrang van de liefhebbers om in het gebied rond te mogen struinen niet langer schijnt te kunnen weerstaan, -een sussend woordje om die allerlaatste ontwikkeling, dat laatste zetje, tegen te houden, hielp hen niet meer-, en eerdaags zie ik de poorten ook voor het trailrunnen nog wel openvliegen. Dwars door de ontbindende lijken van de Konikpaarden de moerassige overkant zien te bereiken. Wow! Gaaf!

Je kan er al barbecues bestellen, al blijft dat nog beperkt tot een nieuw safari-achtig onderkomen. Verdorie, steeds meer Afrika. En echte landrovers!

Maar minder en minder oernatuur, en hoe langer hoe meer een pretpark. In een Flevopolder die oorspronkelijk voor het gewone boeren werd drooggelegd.

kp

Ps. Uitgebreider dan hierboven zijn de kritieken die verschenen in Woorden over de Wildernis, een uitgave van Natuurmedia uit Amsterdam, 2014.

Lees vooral de artikelen van Frits van Beusekom, ex-directeur bij Staatsbosbeheer, en Koos Dijksterhuis, schrijver, o.a. in dagblad Trouw.  Die heien het OVP-beleid voorgoed de drassige grond in.