Lopen er meer hoefdieren in de AWD dan in de OVP?

De populatie Damherten in de Aw duinen. Tel gerust bij de kolommen een stukje op. Figuur beeldt minimum-aantallen af
De kolommen geven de getelde, waargenomen Damherten weer. Plaats hier gerust nog een stukje kolom boven op, en je hebt een voorstelling van de werkelijk aantallen. Maar hoeveel kolom, dat is de vraag…..

 

Er bestaan zoveel uiteenlopende tellingen van de Damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen, dat het mij soms begint te duizelen. Waarom hebben we geen nauwkeurige opgave?

Van de enorme Nederlandse bevolkingsmassa is op de kop af bekend hoeveel mensen hier wonen, maar omdat het vak demografie geen bijvak natuurbeheer kent zitten we opgescheept met boswachters die de kluts kwijtraken zodra zij meer dan 30 Damherten moeten tellen.

Het gaat eigenlijk niet om de aantallen. Veel meer om wat al die grazers betekenen voor het behoud van de soortenrijkdom, voor het behoud van een meer-natuurlijke situatie, voor het behoud van een cultuurlandschap waarvan je niet zou willen dat het zijn biologische rijkdommen verliest, voor het behoud van de verschillende kenmerkende landschapstypen, zoals duingrasland of bepaalde bostypen.

De echte natuurbeschermer is zoals bekend in ons land met een lantaarntje te zoeken. Maar die weinigen zijn wel van een zwaarder kaliber dan de kartonnen doos met watjes waaruit de verzamelde dierenvriendengemeenschap is opgebouwd. Die mensen die geen enkel begrip kunnen opbrengen voor het behoud van de natuur en zijn soortenrijkdommen. Soort zoek soort, de poezelige wat komt in de natuur om de aaibare vacht te aaien. Uit louter enthousiasme plaatsten de dierenvrienden op internet welgeteld 7.887.665.042 foto’s van hun geliefde bambies.

De taak van de natuurbeheerder bestaat eruit in te grijpen als de natuur door kaalvraat tot dorre vlakte dreigt te degraderen. Afschieten, luidt in de wereld het devies wanneer de aantallen hoefdieren de pan uitswingen. In het buitenland bestaan geen bezwaren tegen het benutten van natuurvlees. Maar in het gulzig vlees verorberende Nederland wendt menigeen voor half of heel vegetariër te zijn en is doden opeens taboe zodra het natuurbeheer ter sprake komt. De dubbele moraal viert hier hoogtij.

Een bijna Babylonische vertelling

Volgens de telling van april 2014 waren er in de Awd 2200 Damherten. Dat is dus een minimumaantal, namelijk de dieren die zijn waargenomen.

Maar hoeveel herten bleven op de teldagen dan wel niet verborgen voor de telploeg?  Om die werkelijk aantallen te benaderen wordt soms gerekend met een vermenigvuldigingsfactor.

In het Faunabeheerplan Noord- en Zuid-Holland 2010 staat een  grafiek  waarin de minimaal aanwezige populatie (=de telling) is afgezet tegen de waarden van de totaalschattingen. De laatsten zijn volgens een vaste rekenmethode verkregen. Een ding wordt duidelijk, namelijk dat beide waarden aldus sterk gecorreleerd zijn. Zelf rekende ik aan de hand van de verstrekte getallen uit dat door de jaren heen gemiddeld de vermenigvuldigingsfactor 2,6 bedraagt.

In april 2014, -nog vóór de geboortegolf van juni en juli- zouden totaal aanwezig zijn 2,6×2200=5720 Damherten.

Op de vermenigvuldigingsfactor 2,6 kreeg ik in een tweet ernstig kritiek te verduren van het Kenniscentrum Reeën, @KcReeen. Die zegt dat de rekenfactor aan verandering onderhevig is, dat het een oude fout betreft, kortom die 2,6 was niet meer waard dan een #dikkeduim.

Met welk getal mag je wél verantwoord optellen? Is het bout te veronderstellen dat achter het struikgewas zich dertig procent van de hele populatie voor de ogen van de tellers schuilhoudt? Mijn gevoel zegt dat het kán. De omrekenfactor is dan 100:70=1,43. Ruim onder die van 2,6!

In dit hypothetische geval (30 procent/1,43) is 2200 Damherten zeventig procent van de gehele aanwezige populatie. In totaal zijn er in het gebied 3142 herten.

Wethouder Kock laat in een brief van 10 december 2104 aan de Amsterdamse raadscommissie weten dat bij de getelde voorjaarsstand van 2200 nog de geboortes van juni opgeteld moeten worden. Zo komt hij aan de minimumpopulatie die de winter ingaat. Hij telt er 1000 geboortes bij. Dat is dacht ik een traditioneel aanname van een jaarlijkse brutto aanwas van 45,5 procent. In de herfst van 2014 waren er dan totaal 3200 dieren, let wel: dit is weer minimumschatting!

Op grond van het eerder berekende totaal in het voorjaar van 2014, de bovengenoemde 3142 (inclusief de gefantaseerde dertig procent, zijnde de herten uit het zicht van de waarnemers), is de toename door geboorte in 2014:  45,5 procent van 3142=1430. Samen 3142+1430=4572 Damherten, die gaan de winter 2014/15 in.

Van substantiële sterfte in de zomermaanden zien we hier nog af. Of zijn die soms wel beduidend in deze periode? Ik ben geen expert, dit verhaal is een eenvoudige opteloefening, ook om mijn L.O. niveau bij te spijkeren. Dus reken me nergens op af!

Door sterfte van 400 dieren deze winter houden we volgens de wethouder in het voorjaar van 2015 2800 dieren over. De toename in een jaar, 2014/2015 –maar voordat in 2015 de nieuwe geboorte in juni en juli op gang komen-, bedraagt netto 2800-2200=600 dieren ofwel 27,3 procent.

27,3 is ongetwijfeld een erkend gemiddelde jaarlijkse toename, en om die reden gehanteerd. Wat let ons om de totale hertenstanden uit te rekenen op basis van dit jaarlijkse toenamecijfer? Niets.

De heer Immerzeel, hoofdboswachter van Waternet verklapte in het Haarlems Dagblad van 23 augustus 2012 dat er toen ‘minstens 4000 Damherten’ waren. Hij zal wel een totaalschatting bedoeld hebben. Goed, dat betekent dat twee jaar verder en op grond van 27,3 procent jaarlijkse toename, er minimaal in augustus 2014 7451 damherten zijn. Totaalschatting.

Dat is in elk geval correct berekend. Anderzijds zou de grens van de bestaansmogelijkheden van het Damhert met dit getal 7451 reeds lang gepasseerd zijn, als we tenminste de maximum populatie in aanmerking nemen die buitenlandse voorbeelden te zien geven . 7451 Damherten lopen in het vroeg voorjaar, als de vetreserves opraken, tegen ernstige voedseltekorten aan. Voorwaar, een spectaculaire crash staat voor de deur, mensen.  Daar mogen de halfgod van de begrazingshysterie Frans Vera en de directie van Staatsbosbeheer in hun modderige OVP stinkend jaloers op wezen.

De Oostvaardersplassen ingehaald

Tevens is de OVP niet langer de grote Europese Serengeti waar altijd reclame mee is bedreven. Die eer schijnt thans de Amsterdamse Waterleidingduinen toe te komen. Daar leven op dit moment, althans berekend op basis van de ‘minstens’-schatting van de vorige hoofdboswachter, meer dan 7400 Damherten. Veel meer dan het totaal aan Edelherten, Konikpaarden en Heckrunderen, die alreeds de oorspronkelijke biodiverse Oostvaardersplassen tot een woestijnsteppe hebben afgegraasd.

Eind oktober 2014 werden daar tellingen verricht vanuit een helicopter, die werden gevalideerd aan de hand van foto’s die tijdens de helicoptervlucht van grote groepen werden gemaakt. De hoogste telling voor de drie hoefdieren samen was 4855.

Hoe dan ook, het getal van 7451 wijkt erg af van wethouder Kock’s getallenreeks. Die zijn cijfers trouwens óók aangereikt kreeg van hetzelfde Waternet waar boswachter Immerzeel zit (of zat).

In de zomer van 2014 was er dus volgens de wethouder een minimum van 3200 dieren aanwezig. Immerzeel noemde een geschat totaal, Kock een minimum. De verhouding André Immerzeel staat tot Udo Kock is als 7451:3200=2,3

In verband met de omrekenfactor 2,6 (getal dat van het Kenniscentrum Reeën spontaan een #dikkeduim kreeg toebedeeld), merken we op dat 2,3 niet bar veel afwijkt van de verdoemde 2,6.

Mijn eigen, met een natte vinger gekozen omrekenfactor bedroeg een 100:70=1,4

1,4 is 54 procent van 2,6. Niemand kan beweren dat ik onbescheiden ben geweest door slechts iets meer dan de helft van een toch redelijk betrouwbare 2,6 omrekenfactor te hanteren teneinde mijn kwantitatieve zorgen over de bambiepopulatie uit te drukken.

Overigens wijzen alle cijfers qua normering voor verantwoord bosbeleid richting 4 Damherten per honderd hectare, ofwel er passen in de hele Awd 140 Damherten. Vier per honderd is het advies van Vereniging Het Edelhert. Maar het cijfer 4 (zij het als het equivalent voor Edelherten, 2) vind je overal terug in de literatuur. De echte natuur met gevaarlijke roofdieren als wolven en beren en lynxen is zeer spaarzaam bevolkt met herten. We mogen heus niet denken dat de Oostvaardersplassen symbool  staan voor het ongerepte vroege Nederland zoals de autoriteiten ten onrechte ons willen doen geloven.

Of neem de AWD, dat speeltuinachtig hertenkamp van onverschillige raadslieden en huilebalkende dierenbeschermers. Zou Topnatuur zijn volgens de Waternetdirectie! Uniek, om zijn vele herten, komt dat zien! -roept een statenlid van een dierenpartij.

Hoeveel damherten er nu rondlopen lijkt me van minder belang dan de stand waarbij de biologische verscheidenheid van bos en duin gewaarborgd is, zoals de wetgever vereist.

Schiet net zoveel dieren af totdat het door Natura 2000-regels beschermde, maar aan graaserosie onderhevige duinlandschap, zich heeft kunnen herstellen, vertrouwde me een voorzitter van een natuurvereniging toe. Helaas brengt hij die mening niet in de openbaarheid. Zo heeft de dierenactivist vrij schieten in een land waar de natuurbescherming volledig op z’n gat ligt. kp

 

 

Een gedachte over “Lopen er meer hoefdieren in de AWD dan in de OVP?”

  1. Een factor die in dit artikel nog buiten beschouwing blijft is de geslachtsverhouding binnen de populatie. In alle gebieden in Europa waar roodwild voorkomt gaat men uit van een verhouding 1:1 dus evenveel mannelijke als vrouwelijke dieren.
    Hier wordt zeer uitdrukkelijk aan vastgehouden (zie Veluwe en alle belangrijke roodwildrevieren in Europa.
    Heb zelf niet de indruk dat bij de damherttellingen in de AWD hier aandacht aan is besteed.
    Gezien de sterfte van de afgelopen winters is wel opgevallen dat het hoofdzakelijk mannelijke dieren waren die het loodje legden (oeps) , een vergelijkbaar fenomeen wat al jaren plaatsvind in de OVP en daar heeft geresulteerd in een totaal scheefgegroeide geslachtsverhouding van 1 mannelijk dier op wel 15 vrouwelijke dieren, het bijkomende effect is dat juist de oudere bronstherten (plaatsherten) sterven door het ontbreken van voedsel om weer enigszins op krachten te komen en hierdoor in volgende bronsten veel onrust ontstaat daar de stabiliserende werking van oudere plaatsherten niet meer plaatsvind en hierdoor de bronst onrustiger verloopt, hierdoor langer duurt en wederom meer mannelijke dieren de winter niet doorkomen enz, enz.
    Kortom steeds meer vrouwelijk dieren die toch wel gedekt worden en dus in het voorjaar allemaal een kalf zetten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>