Zienswijze op het beheersplan van Damherten in de AWD

 

ZIENSWIJZE op de aantalsreductie van Damherten in Natura 2000 Kennemerland-Zuid volgens de ontwerpbesluiten van GS provincie Noord-Holland,

door Stichting Herstel Inheems Duin,  4 jan 2016.

Het Ontwerpbesluit ”Natuurbeschermingswet 1998 gebruik ontheffingen Flora- en faunawet: populatiebeheer Damherten N2000-gebied Kennemerland-Zuid”,  november 2015, van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland behelst het verlenen van een vergunning aan Faunabeheereenheid Noord-Holland (FBE) voor het populatiebeheer van de Damherten. Als voorwaarden, voorschriften en beperkingen voor dat beheer verwijst GS naar de Passende beoordeling (Pb). Deze is door Bureau Waardenburg vervaardigd.

Concreet dient de Pb vast te stellen of de door de FBE voorgenomen aantalsreductie van de Damherten, zoals vermeld in haar rapport ‘Faunabeheerplan, damherten in het Noord- en Zuid-Hollandse duingebied, 2016-2020’, wel of geen significante negatieve effecten heeft op de natuurwaarden zoals die beschermd zijn volgens de instandhoudingsdoelen van Natura 2000.

De Pb stelt vast dat door het afschot geen significant negatieve effecten optreden. De Pb merkt daarentegen op:

‘’De handelingen leiden tot een reductie in aantallen dieren en daarmee in de begrazingsdruk door damherten. Dit zal een positief effect hebben op de instandhoudingsdoelen voor grazige vegetaties (grijze duinen), struwelen (kruipwilg) en bossen (binnenduinrandbossen, duinbos droog). Aan het uitblijven van bloei, verdwijnen van plantensoorten, oprollen van struweel en het verdwijnen van een tweede etage met bodemvegetatie in bossen en uitblijven van bosverjonging komt een einde. Ook de neergang in de organismen die van bepaalde voedselbronnen (nectar) of structuren (tweede etage) afhankelijk zijn komt een einde. Instandhoudingsdoelen zijn gediend met een reductie van aantallen damherten. Ook een flink aantal ‘oude doelen’ zijn gediend bij een beperking van de graasduk door damherten: vegetatie, vogels, zoogdieren en landschap.’’ (p. 6)

 Wij stemmen grotendeels in met het bovenstaande. Echter, de Pb gaat akkoord met de aantallen herten die de FBE wil gaan afschieten. Op dit punt wijkt ons standpunt ten stelligste af van het FBP, bijgevolg ook van de Pb alsmede het Ontwerpbesluit dat zijn goedkeuring hecht aan de Pb.

Die doelstanden zijn o.i. namelijk veel te hoog gesteld, de aantallen herten die er volgens de streefstand uiteindelijk rondlopen geven geen enkele garantie dat de natuur van de AWD zich zal herstellen op de wijze die in bovenstaand citaat wordt voorgehouden. Het betreft met name de door Natura 2000-regeling beschermde Duinbossen H2180 in de Amsterdamse Waterleidingduinen (AWD). De bossen herstellen zich niet bij een beoogde stand van 600 tot 800 Damherten. Bij een streefstand van nul Damherten is die garantie er wél; althans een langzaam zich herstellende kwetsbare plantengroei loopt geen gevaar door welke hertenvraat dan ook.

Daarom bestrijden wij dit Ontwerpbesluit, dat immers gestoeld is op een Pb die nalaat de evidente negatieve effecten van een te hoge doelstand van 600 tot 800 Damherten te onderkennen.

Dat besluit is niet in het belang van een gunstige staat van instandhouding, waarvoor de provincie als handhavende instantie een grote verantwoordelijkheid draagt. De provincie handhaaft niet adequaat; integendeel, zij ziet lijdelijk toe hoe door een te hoog aanvaarde doelstand van het Damhert in een reeds gedegradeerd Natura 2000-gebied niet aan de instandhoudingseisen kan worden voldaan.

De Pb stelt vast: ‘Het Faunabeheerplan 2016-2020 beoogt de populatie terug te brengen tot een acceptabel niveau, van 800-1000 dieren’.
Echter, op geen enkele wijze wordt dit niveau beargumenteerd op basis van de draagkracht van het duin.

Dit niveau betreft het hele Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid. Omdat de doelstand in het deelgebied Nationaal Park Zuid-Kennemerland 200 dieren bedraagt, zal de doelstand in de Amsterdamse Waterleidingduinen 600-800 dieren bedragen. Een doelstand van 600 Damherten betekent voor de AWD, groot 3400 hectare, een dichtheid aan Damherten van 18 stuks per honderd hectare, de doelstand van 800 betekent 23 herten per 100 ha.

Een lage dichtheid van hoefdieren kenmerkt de natuurlijke ecosystemen:
Zelfs een beoogd minimum van 18 herten in het FBP steekt ver uit boven het aantal dat een bos kan verdragen. Algemeen wordt het aantal Edelherten dat een bos kan hebben, zodanig dat er nog van boomverjonging sprake is, gesteld op circa 4 Edelherten. Deze lage dichtheid onderbouwen wij met de volgende wetenschap.

In het beleidsdocument ‘’Natuur in bossen, Ecosysteemvisie Bos’’, wordt een dichtheid van 2,5 Edelhert per 100 ha aangehouden waarbij ‘’natuurlijke verjonging van het bos mogelijk blijft.’’ (blz. 111)

“Dichtheden van 2 tot 4 grote hoefdieren per 100 ha zijn vanuit het oogpunt van ontwikkeling van spontane, oorspronkelijke bosgemeenschappen op de Veluwe redelijk.’’ (blz. 114)

‘’De referenties liggen in de dunbevolkte gebieden in Scandinavië, voormalig Joegoslavië en Rusland. Hier zijn natuurlijk dichtheden van (minder dan) 1 hoefdier per 100 ha (Mayer en Neumann 1981). […] ‘’De in Nederland gangbare dichtheden van 4 tot meer dan 10 hoefdieren per 100 ha bos (edelhert, wild zwijn en ree) zijn echter aan de hoge kant (Hazebroek en Groot Bruinderink 1994).’’ (blz. 108)

In het Nationale Park De Hoge Veluwe is de streefstand 200 edelherten. De leidende gedachte hierbij is een balans te vinden tussen de dier- en plantensoorten (De Nederlandse Jager 9/2013). 200 Edelherten betekent alhier een dichtheid van 4,4 Edelherten/km, wat al enigszins overeenkomt met een natuurlijke dichtheid en een bos als een zichzelf instandhoudend ecosysteem.

De door Stichting Probos gesteunde uitgave ‘Bosbeheer en biodiversiteit’ stelt vast: ‘’ De ontwikkeling van naald- naar een meer gevarieerd loofbos wordt vrijwel altijd sterk belemmerd en lijkt alleen mogelijk bij minder dan drie edelherten of pony’s óf minder dan vijf reeën per 100 hectare.’’ (blz. 165)

Gill en Morgan gaan in hun artikel ‘The effects of varying deer density on natural regeneration in woodlands in lowland Britain ’ (Forestry Vol 83 no 1, 2010) uit van 4 tot 8 herten per 100 ha teneinde voldoende boomzaailingen een overlevingskans te bieden. Het volgende geldt weliswaar voor dennenbos: ‘’In the Scottish Highlands, deer browsing has long been known tot hamper regeneration of native pinewoods (Watson, 1983). A number of investigations have led to recommendations that deer densities need to reduced to between 4 and 8 deer km2 to enable sufficient seedlings to survive (Holloway, 1967; Beaumont et al., 1995; Miller et al., 1998; Scott et al., 2000).’’

De natuurbeheerder kan streven naar een zo rijk mogelijke flora en fauna alsmede streven naar aantallen hoefdieren die kenmerkend zijn voor meer natuurlijke ecosystemen.
Dr. Cis van Vuure in ‘De Oeros, het spoor terug’ (rapport 186 WUR):

‘’Zo was vroeger in Europa niet alleen de dichtheid van elanden lager dan in de huidige gecultiveerde bossen, dit geldt ook voor edelherten (2-10 per 1000 ha; Fröhlich 1955, Meister 1969) en reeën (1-3 per 100 ha; Schwend 1950, Meister 1969). Hetzelfde geldt voor Noord-Amerika, waar de dichtheden van het witstaarthert (Odocoileus virginianus) vroeger lager waren dan tegenwoordig, namelijk 2-4 per 100 ha tegen nu rond de 10 per 100 ha (Noord-Wisconsin, Verenigde Staten) (Alverson e.a. 1988). Ook daar heeft de mens voor een groter voedselaanbod in het bos gezorgd, waarvan dit hert profiteerde.’’ (blz. 247)

De dichtheden van herten in de meer oorspronkelijke natuurgebieden zijn laag . Wolven, beren en lynxen eisten hun tol. Ripple en Beschta concluderen in een uitgebreide literatuurstudie (1) dat de hertendichtheden in systemen zonder wolven ongeveer zes keer hoger zijn dan systemen met wolven: ‘’2,6 vs. 15.5 DE/km2’’

DE staat voor ‘deer’. Ripple en Beschta stellen: deer = 1 DE, Caribou = 2 DE, Elk = 3 DE.
De Noord-Amerikaanse Elk (Nederlands: Wapitihert) weegt aanzienlijk zwaarder dan ons Europees Edelhert en neemt meer voedsel tot zich. Ongeveer geldt: 1 Edelhert = ¾ Elk = ¾ x 3 DE = 2,25 DE.

Voor een dichtheid in een natuurlijke omgeving telt derhalve 2,6/2,25 Edelherten = 1,15 Edelherten per 100 hectare (=1 km2), -aldus wijzen de door Ripple en Beschta onderzochte 42 studies uit.

De nota ‘Voorstel voor landelijk beleid ten aanzien van Damherten’, uitgebracht door Vereniging het Edelhert (VEH), stelt qua voedselopname 1 Edelhert equivalent aan 2 Damherten (blz. 26).

Hiermee rekening houdend komen er onder meer natuurlijke omstandigheden 2 x 1,15 Damherten = 2,3 Damherten per 100 hectare voor. In de AWD zou dit wezen: 34 x 2,3 = 78 Damherten.

VEH beveelt evenwel in zijn beleidsnota voor de duingebieden bijna een dubbele hoeveelheid aan van 4 Damherten per 100 ha (blz. 28). Borduren we voort op deze beleidsaanbeveling dan bieden de 3400 hectare grote AWD ruimte aan 4 x 34= 136 Damherten. Dat is echter het dubbele aantal herten dat op grond van de hierboven geciteerde Amerikaanse literatuurstudie over natuurlijke gebieden aangeeft

Voor alles moeten de Amsterdamse Waterleidingduinen een kans krijgen zich te herstellen, te beginnen bij een stand van nul Damherten. Een langzaam herstellende plantengroei mag op geen enkele wijze hinder ondervinden van zelfs maar de laagste dichtheid aan Damherten.

FBP hanteert verkeerde cijfers, GS aapt na:
Als het FBP de Duitse studie die het citeerde nu eens als leidraad nam voor zijn na te streven dichtheid in deelgebied de AWD? Naar analogie van een streefstand voor het NPZK van 320 Damherten (=10 x 32) geldt dan voor de AWD 340 dieren (=10×34). Dat is tenminste al veel lager dan de voorgestelde 600-800 Damherten.
Citaat:

‘’Een Duitse studie uit 2002 komt uit op een – gezien de wintervoedselsituatie en bescherming van de houtproductie en natuurwaarden – maximale dichtheid van 7 damherten per 100 hectare. Het onderzoek vond plaats in een gebied in Brandenburg/Duitsland van meer dan 1 miljoen hectare, vrij eenzijdig open bosgebied: naaldhout op zandgrond, met ondergroei van grassen en adelaarsvaren – een relatief arm biotoop. De wintervoedselvoorraad is met name de beperkende factor. De uitkomst van deze studie komt in grote lijnen overeen met de conclusies van Uekermann. Op basis hiervan geldt voor een gebied zoals NPZK (arme grond; leefgebied circa 3.265 hectare) dat een evenwichtige damhertenpopulatie dient te bestaan uit (ruim) minder dan 10 dieren per 100 hectare (ruim minder dan 320 dieren), om zichzelf in stand te houden en altijd voldoende voer te kunnen vinden zonder de aanwezige vegetatie blijvend te beschadigen. Deze maximale dichtheid gaat ook nog eens uit van het niet aanwezig zijn van reeën en grote grazers. In NPZK zetten de beheerders grote grazers in als belangrijke beheersmaatregel en is er (nog) een populatie reeën aanwezig.’’ (FBP blz. 54)

Die ’(ruim) minder dan 10’ Damherten is gewenst indien men serieus rekening houdt met het wél aanwezig zijn van de runderen en Reeën in het NPZK. Het achterwege blijven van een onderzoek naar deze nog veel lagere aantallen Damherten is een omissie in het FBP. De Pb had op deze omissie mogen wijzen en GS hadden hier moeten ingrijpen.

Wanneer wél rekening wordt gehouden met die overige grote plantenetende fauna, is er in NPZK zeker véél minder plaats dan 320 damherten. Omdat er rasters op de NPZK-grens ontbreken nam men uit veiligheidsoverwegingen evenwel genoegen met een lagere streefstand van 200 Damherten. Dat aantal komt weliswaar in de buurt van de door Vereniging het Edelhert geadviseerde 4 Damherten per 100 ha. En in elk geval is het ook ‘’veel minder’’ dan 320, -een aantal Damherten dat ontoelaatbaar zou concurreren met de Reeën en runderen en paarden, een aantal ook dat minder zekerheid biedt aan een rijkgeschakeerde vegetatie en aan de kleine fauna-elementen, zoals insecten.

In de communicatie wordt steeds gesproken over een vrije doorgang voor de herten over de natuurbrug(gen). De verschillend gekozen doelstanden van Damherten in enerzijds de AWD en anderzijds het NPZK zullen door spontane migratie over de natuurbruggen vermoedelijk globaal naar eenzelfde concentratie bewegen. Het valt daarom niet in te zien waarom die doelstanden zo hemelsbreed verschillend zijn gekozen.

Logisch is te kiezen voor de laagste dichtheid. Temeer daar beide deelgebieden eenzelfde graasdruk verdragen. Alterra stelde vast: ’De vegetatietypen en de flora verschillen niet tussen beide deelgebieden.’ (Alterra-rapport 1198. E.A. Grift et al. ‘Ontsnippering Zuid-Kennemerland’, blz. 34)

Het is ook om die laatste reden niet te begrijpen waarom het FBP inzake het NPZK een Duits rapport aanhaalt dat wijst op het behoud van een soort van ecologisch evenwicht, maar zich voor de AWD beperkt tot een dominantie der Damherten.

Het FBP stelt zonder meer dat de AWD 600 Damherten kunnen herbergen. Het is een getal dat nergens wordt toegelicht. Zelfs de door FBP aangehaalde nota van Alterra ‘Hoeveel damherten en reeën kunnen leven in de Amsterdamse Waterleidingduinen op basis van het natuurlijke voedselaanbod’, april 2013, levert geen goed cijfermateriaal dat als basis kan dienen voor een populatie van 600 Damherten.

Het FBP zegt over dit rapport:
‘’Alterra heeft de draagkracht van de AWD bepaald op basis van een erkende methode en berekend dat een gezonde populatie van circa 600 damherten duurzaam moet kunnen leven op het natuurlijk voedselaanbod in de AWD. De berekening houdt ook rekening met dierenwelzijn: bij dit aantal is er geen concurrentie om voedsel en zullen dieren ook veel minder geneigd zijn naar de omgeving te trekken. De methode berust op het schatten van het voedselaanbod in de nawinter, de energetische bottleneck voor de damhertpopulatie.’’ (blz. 55)

Alterra berekent op basis van de energiebehoefte van een gemiddeld Ree en een gemiddeld Damhert voor hoeveel dieren voedsel beschikbaar was. De uitkomst was Damhert 407 en Ree 369 stuks. Ook werd een schatting gemaakt van de aantallen damherten wanneer het Ree volledig van het toneel verdween (zoals inmiddels is geschied):
Uitgaande van een ree van 15-20 kg heeft een ree voor zijn onderhoudsmetabolisme dus 5 tot 6 MJ/dag nodig. Een damhert van 50-60 kg 14MJ/dag. 1 damhert is dus in dit opzicht het equivalent van 2 – 3 reeën. Er zou dus plaats zijn voor 407,2 + (368,7/2-3) = 530,1 – 591,6 stuks damherten. Omdat het dieet van ree en damhert verschillend is en deze vertaalslag daar geen rekening mee houdt, beschouwen we deze uitkomst als een zeer globale bandbreedte.’’ (blz. 11)

Volgens deze berekening is er bij een geheel verdwenen populatie Reeën plaats voor 600 Damherten. Als er wel Reeën aanwezig zijn dan is er plaats voor 407 damherten, – wanneer er althans 369 Reeën zouden leven.

De stellingname in het FBP dat er in Waterleidingduinen bij een gelijktijdig herstel van de Reeënstand plaats is voor 600 Damherten is ondeugdelijk; deze streefstand is veel te hoog.

GS neemt de verkeerde voorstelling van zaken niettemin klakkeloos over.

Het tweede Ontwerpbesluit van GS, ‘’Flora- en faunawet besluit 49 (2015); Ontheffing ex artikel 68, beheer binnen leefgebied damhert’’, geeft eveneens abusievelijk goedkeuring aan een gebrekkig FBP:
‘’Voor deelgebied AWD geeft u een gewenste streefstand van 600 tot 800 dieren. Uw FBP Damhert onderbouwt deze streefstand als een stand waarbij schade aan flora en fauna in het gebied op een acceptabel niveau ligt. Met deze stand zal er ook voldoende ruimte en voedsel overblijven voor een levensvatbare reeënpopulatie bijvoorbeeld.’’ (blz. 20)

Helaas, het FBP ondernam zelfs geen schuchtere poging tot onderbouwing van een streefstand van 600-800 Damherten waarbij de schade aan flora en fauna op een acceptabel niveau ligt.

Een gedegen argumentatie is daarentegen van cruciaal belang en het is merkwaardig dat GS doet alsof die onderbouwing bestaat.

Met een streefstand van 600 tot 800 Damherten is terugkeer van het Ree in een levensvatbare populatie buitengewoon onzeker. Om te voldoen aan een gunstige instandhouding is daarnaast terugkeer van een volwaardig en functionerend duinbos vereist. Ook dan is er voor veel minder Damherten plaats dan de nu voorgestelde 600 tot 800 exemplaren, zoals hierboven aan de hand van literatuur wordt aangetoond.

Evenmin rept het FBP van een noodzakelijk herstelperiode onder het regime van een zeer lage graasdruk.
Voor terugkeer van de Ligusterstruiken, het behoud van de Kruipwilgstruwelen en de bloemen en de insecten die zich eveneens moeten herstellen van de overbegrazing door Damherten, is het beter om het zekere voor het onzekere te nemen: streven naar de lage dichtheden die de Vereniging het Edelhert al aangaf, dichtheden die wij hierboven van een fundament voorzagen door middel van opgaven uit de literatuur.

Het rapport van het OBN-deskundigenteam ‘Damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen, hun invloed op het duinlandschap en de kwaliteit van enkele habitats’, mei 2013, stelt dat een lage dichtheid al gevolgen heeft voor het duinbos:

‘’Het droge duinbos wordt intensief door de herten gebruikt. Dit is duidelijk te zien op plaatsen waar rond 2000 exclosures zijn gemaakt. In deze exclosures is sprake van een beter ontwikkelde struiklaag dan daarbuiten. Hierbij moet worden opgemerkt dat dit verschil waarschijnlijk een gevolg is van de langjarige aanwezigheid van damherten. De rasters zijn immers al 13 jaar geleden geplaatst. Als het ontbreken van een struiklaag alleen een gevolg zou  zijn van de intensieve begrazing van de laatste jaren, dan zouden buiten de exclosures nog de restanten aanwezig moeten zijn van afgevreten struiken en jonge bomen. In de bosgedeelten die tijdens het veldbezoek zijn bezocht was dat niet of nauwelijks het geval. Dit betekent dat de bosverjonging en de  struiklaag waarschijnlijk al bij lagere dichtheden van damherten verdwijnen.’’
(OBN, blz. 22)

Herten verzamelen zich in het duinbos:
Volgens de Zoogdiervereniging komt het damhert ‘’vooral voor in lichte loofbossen en gemengde bossen’’ ‘’Overdag rusten ze en herkauwen ze in de ondergroei van het bos of op een afgelegen grasland’’.
Dr J. Mourik, voormalig beleidsadviseur ecologie bij Waternet en thans sprekend namens de KNNV afdeling Haarlem en de Dagvlinderwerkgroep Zuid-Kennemerland illustreert met cijfers deze voorkeur voor het bos, in het artikel ‘Bloemplanten en dagvlinders in de verdrukking door toename van Damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen’, De Levende Natuur, juli 2015.

‘’In de AWD liepen de aantallen in 2014 uiteen van 25 dieren per 100 ha in het open landschap van de zeeduinen en het zuidwesten tot 200 dieren per 100 ha in bos- en struweelrijke binnen- en middenduinen (Aldershof, 2014).’’ (blz. 185, 186).

Omdat Damherten geneigd zijn zich in bossen te concentreren dient hiermee voor de berekening van een gemiddelde dichtheid voor het gehéle duingebied rekening te worden gehouden. Een gemiddelde dichtheid van 4 Damherten zoals Vereniging het Edelhert voorstaat betekent geenszins dat de gemiddelde dichtheid in de bossen hetzelfde zal zijn; deze ligt gezien het citaat maar liefst achtvoudig hoger. Conclusie:
Om het gemiddelde van 4 Damherten in het duinbos te bereiken dient de gemiddelde streefstand voor de gehele AWD vele malen lager te liggen.

Wellicht zal na veel ervaring voor de hele AWD een totaal van hooguit enige tientallen dieren wenselijk blijken te zijn, teneinde het duinbos naar de oude toestand te herstellen en te laten functioneren in zijn kenmerkende boseigenschappen zoals ondergroei en boomverjonging. Daarbij is hier nog geen rekening gehouden met de vraat door een herstellende populatie Reeën; dat herstel betekent op zich al een nog lagere dichtheid van Damherten.

Een beginnende nulstand verdient zelfs de voorkeur als we zouden uitgaan van het voorzorgsprincipe.

Het is ongerijmd dat het FBP voor verschillende dichtheden heeft gekozen:
Het streven voor de AWD is 600 tot 800 Damherten. Bij een aantal van 800 wordt de gemiddelde dichtheid 23,5 Damherten per 100 ha. Voor het nog steeds struweel- en bosrijkere (dus gunstiger Damhertenleefgebied) NPZK is het streven 200 Damherten; gemiddeld 5,3 per 100 ha. Dit opmerkelijk grote verschil in dichtheid is een direct knelpunt bij de aangekondigde openstelling van de natuurbruggen voor de fauna. Initieel zullen de hongerende dieren bovendien uit de AWD wegtrekken naar het veel gunstiger leefgebied (voedsel, dekking) van het NPZK, met als gevolg een (te) hoge dichtheid daar. Of de natuurbruggen zullen voor altijd voor herten gesloten moeten blijven, maar dat kan toch niet de bedoeling van faunapassages zijn?

Conclusie:
Het aantal dieren moet integraal worden afgestemd op de laagste draagkracht, zodat de AW duinen zich van de overbegrazing kunnen herstellen en de Damherten de kans krijgen zich evenwichtig over het hele leefgebied tussen IJmuiden en Noordwijk te verspreiden.

Het Damhert is een verdringende exoot en moet daarom bestreden worden:
Het Damhert is lang geleden door de Romeinen naar ons land gehaald. Vanwege de natuurbescherming is het ongewenst dat een exoot inheemse soorten verdringt. Duidelijk is dat de inheemse Ree verdween als gevolg van sociale stress en de voedselconcurrentie met het Damhert. Het Biodiversiteitsverdrag verplicht in artikel 8 indien ‘passend en mogelijk’ tot uitroeiing van invasieve exoten. Een FBP dat de natuurbeschermingsconventies c.q. internationale verdragen serieus neemt beveelt een streefstand aan van nul Damherten. De provincie wil het verdrag niet uitvoeren en geeft geen uitvoering aan het Verdrag.

Het afschotplan in het FBP roept afzonderlijke ergernis op:
Dat is over liefst 5 jaar uitgesmeerd. Een hoge stand van duizenden dieren wordt in de eerstkomende jaren kennelijk toelaatbaar geacht. Niet in één keer terug willen gaan naar de gewenste doelstand betekent onnodig extra aanwas toelaten en navenant extra afschot, terwijl de reeds gedecimeerde natuurwaarden geen verdere aderlating verdragen. Uitgesteld afschot zet de natuurwaarde extra onder druk.

Mourik concludeerde reeds in De Levende Natuur:
‘’Aan een snelle en forse reductie van de begrazing en dus de dichtheid is niet te ontkomen, ook voor het welzijn van de Damherten zelf.’’

Wij bepleiten daarom het afschot in de AWD in één jaar tijds te realiseren.
En wel naar een voorlopige streefstand van 50 Damherten, of minder.

Voor Stichting Herstel Inheems Duin,
K. Piël

Literatuur
(1) Ripple W.J., Beschta R.L. (2012) Large predators limit herbivore densities in northern forest ecosystems. Eur J Wildl Res.
http://ir.library.oregonstate.edu/xmlui/bitstream/handle/1957/28411/Large%20Predators%202-15-12%20figures%20interleaved.pdf

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>